Rick Hilberts wint Drèents Liedtiesfestival 2022

Rick Hilberts Wint DLF 2022
Rick Hilberts heeft de tiende editie van het Drèents Liedtiesfestival gewonnen met het lied Vallende sterren. De in Nieuw-Weerdinge woonachtige docent in het speciaal basisonderwijs kreeg zaterdag 2 juli in het Atlas Theater in Emmen de meeste stemmen van de vakjury’s.  

"Een vernieuwend, ontroerend en onaards mooi liedje", aldus jurylid Marjolein Scherphuis. De publieksjury plaatste overigens Geef mie de maone van Beau Veldkamp nipt boven de uiteindelijke winnaar. Gercoh. & De schavuit''n werden derde met Goed mis.

Door zijn overwinning ontvang Hilberts 2000 euro om Vallende sterren op professionele wijze op te nemen, tevens mag hij later dit jaar deelnemen aan het Europees Songfestival voor Minderheidstalen op het Suns Europe festival in Udine, waar hij het Nedersaksisch zal vertegenwoordigen.

Hilberts, hij schreef zowel de muziek als de tekst van Vallende sterren, was een van de tien deelnemers aan het door stichting Reur georganiseerde festival. Andere finalisten waren Maurice Mulderij, Harold Habing, Brúúnsma, Emile, Beau Veldkamp, Gercoh. & de Schavuit'n, Marianne Veenstra, Jaap Lamfers en Gers.

In 2021 won Jolien het Drèents Liedtiesfestival met Vuul (oh oh oh). Hilberts deed toen mee met het nummer As ik ’t wachten kan. Voor meer over Rick Hilberts klik hier. Om het Drèents Liedtiesfestival terug te kijken, klik daar.


Voorafgaand aan het 10e Drèents Liedtiesfestival

Jolien winnaar DLF21 Foto stichting Reur
Zaterdag wordt in Emmen de finale gehouden van het tiende Drèents Liedtiesfestival. Jolien Woning- Dijkstra, vorig jaar winnaar, is erbij.

Uiteraard bewaart ze goede herinneringen aan de vorige finale. Omdat het coronatijd was en er voor muzikanten weinig te doen was. “Om dan weer op het podium staan, met collega’s, met professioneel licht en geluid. Heerlijk. Winnen was als een kers op de taart.”

Het was de derde keer dat Jolien aan het festival deelnam. Eerder trad ze op als achtergrondzangeres bij finalist Lusanne Boes. In 2019 deed ze solo mee met Wat west hef, een nummer met een trance-geluid. Het winnende lied van 2021, Vuul, schreef ze met Hilko Stoffers, Erik Koerts en Robert Muilwijk. "Het maken had een lange aanlooptijd. Het kwam niet in ons op dat we ermee zouden kunnen winnen.”

Na de finale ging de coronapandemie weer gewoon door. Veel optreden met het winnende lied was daardoor lastig. Ter compensatie werd de studio opgezocht. Eerst om een volwaardige versie van Vuul op te nemen – de demo was tijdens haar zwangerschap op halve adem opgenomen – en een videoclip te maken. Daarna voor Wat zou ik zeggen dan, een duet met Steernvanger-zanger Dion Bouwes.

Jolien (Westerbork, 1990) zingt sinds haar zestiende, vooral in coverbands. Zelf schrijven doet ze sinds 2019. Haar eerste twee composities waren in het Drents. "Vuul was oorspronkelijk bedoeld als Nederlandstalig, maar in mijn kop zat een tekst in het Drents”, vertelt ze. "Best vreemd, want ik ben niet Drentstalig opgevoed. Ik heb het geleerd door naar mijn ouders en vooral mijn grootouders te luisteren.”

Wat het Nedersaksisch kan betekenen, ontdekte ze relatief laat. "Ik heb een tijdje in het Westen gewoond, daar merkte ik het aan mijn gebruik van uitdrukkingen die door anderen niet werden begrepen, bijvoorbeeld dat koekjes slof kunnen zijn. Het Drents is prominenter dan ik dacht. Nu ik een dochter heb, ga ik er bewuster mee om. Ik zou het leuk vinden als ook zij er iets van oppikt.”

Een blijvend gebruik van het Drents kan dan helpen, niet alleen gesproken, maar ook geschreven en gezongen. "Het is goed dat er zoiets bestaat als het Liedtiesfestival”, zegt ze. "Moderne muziek zorgt ervoor dat de Drentse taal aantrekkelijk blijft om naar te luisteren. Als je hoort wat de afgelopen jaren allemaal voor het festival is gemaakt… Zonde als de wereld daar niet mee in aanraking komt.”

Normaliter reizen winnaars van het Drèents liedtiesfestival naar Italië, waar jaarlijks in Udinese het internationale streektaalmuziekfestival Suns Europe wordt gehouden. Die tweede kers ontving Jolien door de pandemie niet. Maar de derde krijgt ze zaterdag. "Als na de optredens de stemronde aanbreekt, mogen we drie nummers spelen. Daarna mag ik de prijs uitreiken. Superleuk.”

Finale 10e Drèents Liedtiesfestival, zaterdag 1 juli in het Atlas-theater in Emmen. RTV Drenthe zendt vanaf 19.30 uur een live-registratie uit.


Zomerzinnen en vragen aan Erik Harteveld

Erik Harteveld
Komende vrijdag mag ik tijdens Zomerzinnen, de literaire component van Festivalderaa in Schipborg en omstreken, Erik Harteveld interviewen. Dit naar aanleiding van zijn onlangs verschenen novelle Het verloren kind, een bejubeld boekje geproduceerd door uitgeverij AFdH.

Zo beschreven lijkt het een klusje van niks, maar ondertussen… Harteveld heeft nogal een reputatie. Niet dat het een onaardige man is, beslist niet. Het is meer dat hij zo eigenzinnig en non-conformistisch kan zijn, dat een publiek gesprek kan ontsporen.

Dat is leuk voor het publiek, maar voor een interviewer iets om te vrezen. Het kan zomaar dat hij de regie overneemt, of dat hij ter plekke in de huid kruipt van iemand die wil ontregelen. Daar zit je dan met je A3 met handgeschreven vragen op basis van een knipselmap met krantenstukken aangevreten door zilvervisjes.

Ter voorbereiding op het gesprek probeer ik alles wat Harteveld heeft geschreven te herlezen: Hoss is dood, De wraak van Tale Kwant, zijn bijdragen aan de bloemlezingen van De dichtclub en de DvhN-column Sjarlefrans, Zwiers mechanisatie (met Sophie Timmer), Koude oorlog aan de IJssel (met A.L. Snijders), Veur de ewigheid. Vrouw Koetje vertelt, Von Nijlande bis zum Weltall, zijn toespraken, zijn bibliofiele uitgaven.

Terwijl ik naar zijn albums met de Kobstubbers luister en een dvd met absurdistische sketches voor RTV Drenthe bekijk, herlees ik ook De eeuwig zoemende vliegenstrip, zijn dichtbundel, die ik zo goed vind dat ik er ooit tien exemplaren van heb gekocht, tegen een halfzacht prijsje, om er soms een weg te kunnen geven, aan mensen op wie ik indruk wil maken. En als ik daar klaar mee ben, begin opnieuw aan Het verloren kind.

Waar ik nu bang voor ben – of beter: ook bang voor ben – is dat ik straks zoveel van Erik Harteveld heb gelezen en gezien dat in mijn hoofd geen  ruimte meer is voor intelligente vragen. Of alleen nog voor vragen die weliswaar intelligent bedoeld zijn, maar heel anders overkomen. Om te beginnen op Erik Harteveld en andere aanwezigen.

Wat is zijn favoriete kleur? Heeft hij ook een sterrenbeeld? Welke inlichtingen verzamelde hij als officier in het leger? Waar komt de foto met het hobbelpaard in Het verloren kind vandaan? Is muziek de hoogste kunst? Wat is de oplossing van het wereldraadsel? Heeft Martijje de mooiste zangstem van Drenthe? Waar staan de letters AFdH voor? Heeft Harteveld wel eens terecht een literaire prijs gewonnen?

Wie wil weten hoe dit afloopt, verwijs ik naar de plek waar Harteveld vrijdag zal verschijnen: Heideway, in het natuurgebied naast hotel-restaurant De Zeegser Duinen aan de Schipborgerweg 8 te Zeegse. Als onderdeel van Festivalderaa staan op die locatie tot en met zondag meerdere literaire optredens gepland.

De optreedlocatie is aangegeven met borden en toegankelijk via het natuurgebied naast en oostelijk van het Fletcher-hotel. Tickets zijn met kortingsmogelijkheid verkrijgbaar via deze website.


Je overrompeld en achtergesteld voelen

Anita Larkens
Ik interviewde Anita Larkens uit Bedum over Geboortelot, een in de negentiende eeuw spelende historische roman over arbeidersvrouwen die er niet in slagen vooruit te komen in het leven. Larkens schreef haar roman, die deels gebaseerd is op de levensverhalen van haar voorouders, uit ergernis.

 “Omdat er boeken zijn vol geschreven over herenboeren en notabelen, maar nauwelijks iets over arbeiders”, vertelde ze. “En dan hebben mijn voorouders ook nog eens geleefd in Fivelingo, een streek in Groningen waar je sowieso nooit over leest. Dat irriteert mij.”

Na afloop spraken we door over de achterstelling. “Friezen voelen zich vaak achtergesteld, maar Groningers nog meer”, sprak ik. “En dan is er ook nog een competitie in het Noorden, vooral tussen Groningers en Friezen, waarbij de Drenten zich stil houden. Die moeten vervolgens van hun bestuurders wat meer trots zijn.”

Larkens moest erom lachen. Daarna beaamde ze dat Groningers zich achtergesteld voelen. Ze herkende het bij zichzelf. ,,Ik heb het als schrijver het gevoel dat ik mij dubbel moet bewijzen, een extra stap moet zetten. Bij mijn vorige uitgever had ik vaak het gevoel dat ik meer moest geven.” – Larkens schreef eerder thrillers voor The Crime Company in Laren. Nu zit ze bij De meent in Rotterdam.

Ineens schoot mij een interview binnen met Peter Middendorp. Die vertelde in NRC dat hij zich bij De Bezige Bij op borrels met Harry Mulisch en Remco Campert een buitenstaander voelde, een boertje van buut’n. Omringd door mensen die uitstralen dat ze handiger, slimmer en sneller zijn, kun je je overrompeld voelen, vertelde Middendorp.

Larkens had het stuk gelezen. Ze herkende zichzelf. “Iedereen zegt altijd dat zoiets niet hoeft, je hoeft je niet minderwaardig te voelen als je in het Westen bent. En dat weet ik ook wel, toch doe ik het.”


Over het schrijven van boeksignalementen

Het is gezien
Omdat er meer boeken op de redactie worden bezorgd dan voor de krant gerecenseerd kunnen worden, hebben ook Dagblad van het Noorden en Leeuwarder Courant een signalementenrubriek ingesteld. De titel van de rubriek is ontleend aan het slot van De avonden: Het is gezien, het is niet onopgemerkt gebleven.

Komende vrijdag gaat in die rubriek, zoals wel vaker, de aandacht uit naar boeken met een band met het verspreidingsgebied van de twee Mediahuis Noord-kranten. In de juiste alfabetische volgorde betreft dat Drenthe, Friesland en Groningen.

(Dat is dus anders zoals vaak in de Leeuwarder Courant staat ‘Friesland, Groningen en Drenthe’. Het is ook anders dan in de Groninger editie van Dagblad van het Noorden: ‘Groningen, Friesland en Drenthe’. Wie zo’n volgorde hanteert, onthult iets over zijn of haar waardering voor een van deze provincies. Dit geheel terzijde en daarom tussen haakjes.)

Boeken die een plek krijgen in Het is gezien, het is niet onopgemerkt gebleven worden nu eens niet van kaft tot kaft gelezen. Want dat is gelet op de beschikbare tijd ondoenlijk. Zouden we dat wel doen, dan blijft er nauwelijks tijd over voor het lezen van te recenseren boeken. Waardoor mogelijk vele auteurs en uitgevers worden teleurgesteld. De betalende lezers klagen nooit ergens over.

Bij het maken van een signalement komt het erop aan het betreffende boek zo te beschrijven dat door de lezers een globaal beeld van de inhoud gevormd kan worden. Die beschrijving dient neutraal te zijn, vooral omdat op basis van dwarslezen alleen geen oordeel geveld kan worden. Een signalement krijgt bij Dagblad van het Noorden en Leeuwarder Courant dan ook geen sterren. Die worden alleen geplaatst bij recensies, zie het als keurmerk.

Bij matig tot goed geschreven boeken is het globaal beschrijven en neutraal weergeven van de inhoud doorgaans geen probleem. Bij boeken van, laat ik het zacht uitdrukken, mindere kwaliteit ligt het anders. Soms verschijnen er titels waar na een uur grondig grasduinen, aandachtig dwarslezen en geconcentreerd studeren niets begrijpelijks over verteld kan worden. Je komt er niet in en ook niet uit.

Het ingewikkelde is dat soms ook briljant geschreven boeken zich niet in een signalement laten vangen. Sterker, dat ook over heel goede boeken na complete lezing soms niets zinnigs verteld kan worden. Je komt er wel in en wilt er niet meer uit. In het geval van het briljant geschreven boek is dat een genade. In het geval van het slecht geschreven boek is het een straf. In beide gevallen is het niet iets om aan een machine over te laten.


Mindere dichters zijn allercharmantst

– “Die goede Basil. Ik heb hem de gehele week nog niet gezien. Het is niets lief van me, want hij heeft me mijn portret gezonden in een prachtige lijst, door hemzelf ontworpen, en hoewel ik wel een beetje jaloers ben van dat portret, dat een hele maand jonger is dan ik, moet ik bekennen, dat het mij toch aangenaam aandoet ... Misschien is het toch maar beter, dat jij hem schrijft. Ik zie hem liever niet alleen. Hij zegt dingen, die mij hinderen. Hij geeft me altijd goede raad.”

Lord Henry glimlachte. “De mensen houden ervan juist dat weg te geven, wat ze zelf het meest nodig hebben. Ik noem dat overmaat van edelmoedigheid.”

– “O, Basil is een goede vent, maar voor mij heeft hij iets van een Filistijn. Sinds ik jou ken, Harry, heb ik dat uitgevonden.”

“Mijn beste jongen, Basil legt al het moois, dat hij heeft, in zijn werk. Bijgevolg blijft er niets over voor het leven dan zijn vooroordelen, zijn principes en zijn verstand. De enige artiesten, die ik gekend heb met persoonlijke charmes, waren slechte artiesten. Goede artiesten bestaan alleen in hetgeen zij voortbrengen, en zijn dus bijgevolg alleronbeduidenst als mens. Een groot dichter, een werkelijk groot dichter is het meest prozaïsche van alle schepsels. Maar mindere dichters zijn allercharmantst. Hoe slechter hun rijm is, hoe schilderachtiger, zij er zelf uitzien. Alleen het feit een boek uitgegeven te hebben met sonnetten van de tweede soort, maakt een man onweerstaanbaar. Hij leeft de poëzie, die hij niet uiten kan; anderen uiten de poëzie, die zij niet tot werkelijkheid durven maken.”

Oscar Wilde, Het portret van Dorian Gray – hoofdstuk 4


100 jaar Ulysses ook herdacht in Groningen

Ulysses (1922) James Joyce
Groningen is toegevoegd aan het internationale programma waarmee wordt herdacht dat honderd jaar geleden de roman Ulysses van James Joyce is verschenen.

Dat vloeit voort uit een bijdrage van Noorderlicht, dat zich tegenwoordig platform voor hedendaagse waarneming noemt. Noorderlicht gaat een opdracht verstrekken aan een schrijver die episode dertien uit Ulysses zal omzetten naar een hedendaagse setting. Ook zullen twee jonge kunstenaars het hoofdstuk op hun eigen manier verbeelden.

Ulysses vertelt over een dag uit het leven van twee mannen en een vrouw in Dublin, Stephen Dedalus,  Leopold Bloom en Molly Bloom. In episode dertien is sprake van een confrontatie tussen Leopold Bloom en een manklopende jonge vrouw. Noorderlicht grijpt dit deel aan om aandacht te schenken aan sociale inclusie, diversiteit en gendergelijkheid.

Financier van het project is de Europese Unie. Naast Noorderlicht nemen nog zeventien andere Europese culturele organisaties Ulysses op een vergelijkbare manier onder handen. Bedoeling is dat met ingang van september steeds in een stad een hoofdstuk wordt gepresenteerd. Athene bijt het spits af eind september. Groningen is in 2023 aan de beurt. Het einde is voorzien in 2024 in Dublin.

Zie ook dit bericht.


Bij een interview met Jane Leusink

Jane Leusink
Ik sprak in de Prinsenhof in Groningen af met dichteres Jane Leusink voor een gesprek over haar nieuwe dichtbundel, Kraanvogels. Het is haar zesde bundel, dit keer bij uitgeverij Nobelman. We zagen elkaar op een mooie locatie met goede bediening en een slechte akoestiek.

Ter voorbereiding had ik, uiteraard, de bundel gelezen. Dat viel aanvankelijk nog niet mee, op de eerste plaats omdat-ie op de redactie was zoekgeraakt of kwijtgemaakt. Het mag een wonder heten dat ik alsnog een exemplaar te pakken kreeg.

Weer thuis probeerde ik mij de poëzie van Leusink eigen te maken, antwoord te krijgen op vragen die krantenlezers soms stellen alvorens ze zich willen laten overhalen om ook poëzie te lezen. Zoals: waar gaat het over? Zoals: van welke taal bedient de dichter zich? Zoals: vanuit welk perspectief en op welke wijze moeten de gedichten gelezen worden? En ook: welke beelden worden gebruikt, wat is het dat de dichter nastreeft?

Om te beginnen bladerde ik wat in Kraanvogels, ik las hier en daar een strofe, probeerde af en toe een heel gedicht, daarna een complete afdeling, bekeek de motto’s (twee van Sebald, een van Brecht), las de Aantekeningen en de Verantwoording, las de tekst op het achterplat, bekeek de flappen. En las daarna de bundel van a tot z. Soms hardop.

Toen ik daarmee klaar was, probeerde ik de nieuwe kennis samen te vatten. Ik moest er duidelijk nog inkomen. Langer over nadenken. De gedichten nog een keer lezen. Ter ondersteuning dook ik in ons krantenarchief. Daar kwam ik de naam van Leusink meermaals tegen. Ik had haar als winnaar van de C. Buddingh’-prijs in 2003 geïnterviewd en acht jaar later, bij het verschijnen van Tot alles goed strak staat nog een keer.

In De Prinsenhof bleek Leusink dit vergeten. Maar ze kende mij nog wel, van de krant waarschijnlijk, of anders uit ‘het wereldje’, wellicht ook van de sociale media, wat weer een ander wereldje is, de wereld zit vol wereldjes. We hoefden geen ijs te breken, we hoefden er niet omheen te draaien. We konden meteen beginnen. Ik pakte mijn vragenlijst en notities erbij, schakelde mijn opnameapparaatje in en Leusink stak van wal.

Na een uur verscheen een fotograaf aan ons tafeltje. Hoewel zijn komst was aangekondigd, schrok Leusink ervan. Hij zou toch aan het einde van het gesprek…? En we zijn pas halverwege. Na het uitwisselen van anekdotes over wat er allemaal mis kan gaan als iemand moet gefotografeerd, Leusink leek zichzelf moed in te spreken, besloten we tot een gesprekspauze zodat zij en de fotograaf ergens aan de slag konden.

Bij het stilzetten van mijn opname, ontdekte ik dat dit reeds was gedaan. Door wie? Niet door een inkomend bericht op mijn telefoon, want die had ik vliegtuigstand gezet. En waarom na zeventien minuten al, toen het gesprek nog goed en wel op gang moest komen? Een lichte paniek brak uit. Wat had Leusink allemaal verteld? Ik had er aandachtig naar geluisterd, ik had geprobeerd het te begrijpen, maar had ik het ook onthouden? Goed onthouden?

Bij terugkeer van het fotomoment vertelde ik Leusink dat er iets mis was gegaan. En dat ik een aantal kernachtige vragen wilde stellen, om de boel te repareren. Ze keek me meewarig aan. Zei dat het haar sowieso ondoenlijk leek om op basis van achterliggend gesprek een stuk te maken. Ze had het zelf ook wel eens moeten doen, met een bandopname. Gek was ze ervan geworden. Ik schakelde mijn apparaatje opnieuw in.

Na zo’n drie kwartier besloten we er een eind aan te maken, aan ons gesprek. Er zou nog veel meer gezegd kunnen worden, maar dat kon wachten tot een volgende keer. Voor nu was het genoeg, meer zelfs dan uitgeschreven op een ouderwetse krantenpagina zou passen. Veel meer dan een krantenlezer over poëzie, Kraanvogels en Jane Leusink zou willen weten, vermoedelijk. Om onze ontmoeting netjes af te ronden, vroeg ik haar tot slot of ze haar bundel wilde signeren.

Dat wilde Leusink wel. Terwijl zij haar pen pakte en haar bundel opensloeg, nam ik mijn opnameapparaatje ter hand. Opnieuw was de opname reeds door iets of iemand stilgezet. Dit keer al na zes minuten. De automatisering, die wil wat. Parafraseren is ook een kunst.


Haalt Anton de Kom na de canon van Nederland ook de literaire canon?

Anton de Kom
Via de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde ontving ik een verzoek om de Canonenquête 2022 in te vullen. “Welke boeken doen er écht toe? Praat mee over de Nederlandstalige literaire canon. Deze enquête van dertien vragen kost je ongeveer 10 minuten.”

Dat werden er dus meer, zowel wat betreft vragen als minuten. Want ik mocht ook mijn geslacht en leeftijd in vullen, en mijn hoogste laatst voltooide opleiding en een vraag beantwoorden over mijn werkzaamheden en aanvinken of ik op de hoogte gehouden wilde worden. Wellicht volgt er nog een onderzoekje naar hoe ik het invullen heb ervaren.

Wat de meeste tijd vergde, was het bedenken welke titels en auteurs ík tot de canon vind behoren. Daarbij stelde ik mezelf weer eens teleur.

Veel verder dan de gebruikelijke namen – Multatuli, Nescio, Wolff & Deken en een aantal schrijvers die anoniem wensten te blijven – kwam ik niet. Of toch: eentje. Ik futselde er een auteur van jeugdboeken tussen. Dat was voor mijn beurt, want de vraag of kinder- en jeugdliteratuur een plek verdient in een Nederlandstalige literaire canon kwam pas later aan de orde.

In de uitnodiging werd gemeld dat ‘eens in de zoveel tijd de discussie oplaait over de Nederlandstalige literaire canon’. En ook of ‘iedereen zijn klassieken hoort te kennen’ en of ‘het noodzakelijk is dat middelbare scholieren de belangrijkste Nederlandstalige literaire teksten lezen’. Deze vragen zouden in 2002 zijn beantwoord middels een canonenquête van stichting DBNL. De uitkomst daarvan was alsvolgt:

  1. Multatuli, Max Havelaar (1860)
  2. [anoniem, Willem] Van den vos Reynaerde (13de eeuw)
  3. Gerard Reve, De avonden (1947)
  4. Joost van den Vondel, Gysbreght van Aemstel (1637)
  5. W.F. Hermans, De donkere kamer van Damocles (1958)
  6. Nicolaas Beets (Hildebrand), Camera obscura (1839)
  7. [anoniem] Beatrijs (midden 13de eeuw)
  8. [anoniem] Karel ende Elegast (einde 12de eeuw)
  9. W.F. Hermans, Nooit meer slapen (1966)
  10. P.C. Hooft, Lyriek [w.o. liederen, sonnetten]

De nieuwe uitkomst, die in oktober wordt gepresenteerd in de Week van het Nederlands, zal iets anders zijn. Dat leid ik af van provocaties als ‘Ook niet-geschreven teksten (spoken word, liedjes) kunnen onderdeel zijn van de canon’, ‘Een Nederlandstalige literaire canon moet streven naar genderdiversiteit’ en ‘Auteurs van verschillende culturele achtergronden moeten vertegenwoordigd zijn in de canon’.

Wat zal blijven, is de discussie in hoeverre de canon moet leiden tot een verplichte leeslijst voor scholieren en hoeveel titels die lijst moet tellen. Grote kans zelfs dat die discussie meer aandacht genereert dan dat lezers zullen grijpen naar een boek van, zeg, de antikoloniale schrijver, activist en verzetsheld Anton de Kom. Die het vorig jaar al tot de canon schopte, een andere canon.