Zomerzinnen en vragen aan Erik Harteveld

Erik Harteveld
Komende vrijdag mag ik tijdens Zomerzinnen, de literaire component van Festivalderaa in Schipborg en omstreken, Erik Harteveld interviewen. Dit naar aanleiding van zijn onlangs verschenen novelle Het verloren kind, een bejubeld boekje geproduceerd door uitgeverij AFdH.

Zo beschreven lijkt het een klusje van niks, maar ondertussen… Harteveld heeft nogal een reputatie. Niet dat het een onaardige man is, beslist niet. Het is meer dat hij zo eigenzinnig en non-conformistisch kan zijn, dat een publiek gesprek kan ontsporen.

Dat is leuk voor het publiek, maar voor een interviewer iets om te vrezen. Het kan zomaar dat hij de regie overneemt, of dat hij ter plekke in de huid kruipt van iemand die wil ontregelen. Daar zit je dan met je A3 met handgeschreven vragen op basis van een knipselmap met krantenstukken aangevreten door zilvervisjes.

Ter voorbereiding op het gesprek probeer ik alles wat Harteveld heeft geschreven te herlezen: Hoss is dood, De wraak van Tale Kwant, zijn bijdragen aan de bloemlezingen van De dichtclub en de DvhN-column Sjarlefrans, Zwiers mechanisatie (met Sophie Timmer), Koude oorlog aan de IJssel (met A.L. Snijders), Veur de ewigheid. Vrouw Koetje vertelt, Von Nijlande bis zum Weltall, zijn toespraken, zijn bibliofiele uitgaven.

Terwijl ik naar zijn albums met de Kobstubbers luister en een dvd met absurdistische sketches voor RTV Drenthe bekijk, herlees ik ook De eeuwig zoemende vliegenstrip, zijn dichtbundel, die ik zo goed vind dat ik er ooit tien exemplaren van heb gekocht, tegen een halfzacht prijsje, om er soms een weg te kunnen geven, aan mensen op wie ik indruk wil maken. En als ik daar klaar mee ben, begin opnieuw aan Het verloren kind.

Waar ik nu bang voor ben – of beter: ook bang voor ben – is dat ik straks zoveel van Erik Harteveld heb gelezen en gezien dat in mijn hoofd geen  ruimte meer is voor intelligente vragen. Of alleen nog voor vragen die weliswaar intelligent bedoeld zijn, maar heel anders overkomen. Om te beginnen op Erik Harteveld en andere aanwezigen.

Wat is zijn favoriete kleur? Heeft hij ook een sterrenbeeld? Welke inlichtingen verzamelde hij als officier in het leger? Waar komt de foto met het hobbelpaard in Het verloren kind vandaan? Is muziek de hoogste kunst? Wat is de oplossing van het wereldraadsel? Heeft Martijje de mooiste zangstem van Drenthe? Waar staan de letters AFdH voor? Heeft Harteveld wel eens terecht een literaire prijs gewonnen?

Wie wil weten hoe dit afloopt, verwijs ik naar de plek waar Harteveld vrijdag zal verschijnen: Heideway, in het natuurgebied naast hotel-restaurant De Zeegser Duinen aan de Schipborgerweg 8 te Zeegse. Als onderdeel van Festivalderaa staan op die locatie tot en met zondag meerdere literaire optredens gepland.

De optreedlocatie is aangegeven met borden en toegankelijk via het natuurgebied naast en oostelijk van het Fletcher-hotel. Tickets zijn met kortingsmogelijkheid verkrijgbaar via deze website.


Je overrompeld en achtergesteld voelen

Anita Larkens
Ik interviewde Anita Larkens uit Bedum over Geboortelot, een in de negentiende eeuw spelende historische roman over arbeidersvrouwen die er niet in slagen vooruit te komen in het leven. Larkens schreef haar roman, die deels gebaseerd is op de levensverhalen van haar voorouders, uit ergernis.

 “Omdat er boeken zijn vol geschreven over herenboeren en notabelen, maar nauwelijks iets over arbeiders”, vertelde ze. “En dan hebben mijn voorouders ook nog eens geleefd in Fivelingo, een streek in Groningen waar je sowieso nooit over leest. Dat irriteert mij.”

Na afloop spraken we door over de achterstelling. “Friezen voelen zich vaak achtergesteld, maar Groningers nog meer”, sprak ik. “En dan is er ook nog een competitie in het Noorden, vooral tussen Groningers en Friezen, waarbij de Drenten zich stil houden. Die moeten vervolgens van hun bestuurders wat meer trots zijn.”

Larkens moest erom lachen. Daarna beaamde ze dat Groningers zich achtergesteld voelen. Ze herkende het bij zichzelf. ,,Ik heb het als schrijver het gevoel dat ik mij dubbel moet bewijzen, een extra stap moet zetten. Bij mijn vorige uitgever had ik vaak het gevoel dat ik meer moest geven.” – Larkens schreef eerder thrillers voor The Crime Company in Laren. Nu zit ze bij De meent in Rotterdam.

Ineens schoot mij een interview binnen met Peter Middendorp. Die vertelde in NRC vertelde dat hij zich bij De Bezige Bij op borrels met Harry Mulisch en Remco Campert een buitenstaander voelde, een boertje van buut’n. Omringd door mensen die uitstralen dat ze handiger, slimmer en sneller zijn, kun je je overrompeld voelen, vertelde Middendorp.

Larkens had het stuk gelezen. Ze herkende zichzelf. “Iedereen zegt altijd dat zoiets niet hoeft, je hoeft je niet minderwaardig te voelen als je in het Westen bent. En dat weet ik ook wel, toch doe ik het.”


Over het schrijven van boeksignalementen

Het is gezien
Omdat er meer boeken op de redactie worden bezorgd dan voor de krant gerecenseerd kunnen worden, hebben ook Dagblad van het Noorden en Leeuwarder Courant een signalementenrubriek ingesteld. De titel van de rubriek is ontleend aan het slot van De avonden: Het is gezien, het is niet onopgemerkt gebleven.

Komende vrijdag gaat in die rubriek, zoals wel vaker, de aandacht uit naar boeken met een band met het verspreidingsgebied van de twee Mediahuis Noord-kranten. In de juiste alfabetische volgorde betreft dat Drenthe, Friesland en Groningen.

(Dat is dus anders zoals vaak in de Leeuwarder Courant staat ‘Friesland, Groningen en Drenthe’. Het is ook anders dan in de Groninger editie van Dagblad van het Noorden: ‘Groningen, Friesland en Drenthe’. Wie zo’n volgorde hanteert, onthult iets over zijn of haar waardering voor een van deze provincies. Dit geheel terzijde en daarom tussen haakjes.)

Boeken die een plek krijgen in Het is gezien, het is niet onopgemerkt gebleven worden nu eens niet van kaft tot kaft gelezen. Want dat is gelet op de beschikbare tijd ondoenlijk. Zouden we dat wel doen, dan blijft er nauwelijks tijd over voor het lezen van te recenseren boeken. Waardoor mogelijk vele auteurs en uitgevers worden teleurgesteld. De betalende lezers klagen nooit ergens over.

Bij het maken van een signalement komt het erop aan het betreffende boek zo te beschrijven dat door de lezers een globaal beeld van de inhoud gevormd kan worden. Die beschrijving dient neutraal te zijn, vooral omdat op basis van dwarslezen alleen geen oordeel geveld kan worden. Een signalement krijgt bij Dagblad van het Noorden en Leeuwarder Courant dan ook geen sterren. Die worden alleen geplaatst bij recensies, zie het als keurmerk.

Bij matig tot goed geschreven boeken is het globaal beschrijven en neutraal weergeven van de inhoud doorgaans geen probleem. Bij boeken van, laat ik het zacht uitdrukken, mindere kwaliteit ligt het anders. Soms verschijnen er titels waar na een uur grondig grasduinen, aandachtig dwarslezen en geconcentreerd studeren niets begrijpelijks over verteld kan worden. Je komt er niet in en ook niet uit.

Het ingewikkelde is dat soms ook briljant geschreven boeken zich niet in een signalement laten vangen. Sterker, dat ook over heel goede boeken na complete lezing soms niets zinnigs verteld kan worden. Je komt er wel in en wilt er niet meer uit. In het geval van het briljant geschreven boek is dat een genade. In het geval van het slecht geschreven boek is het een straf. In beide gevallen is het niet iets om aan een machine over te laten.


100 jaar Ulysses ook herdacht in Groningen

Ulysses (1922) James Joyce
Groningen is toegevoegd aan het internationale programma waarmee wordt herdacht dat honderd jaar geleden de roman Ulysses van James Joyce is verschenen.

Dat vloeit voort uit een bijdrage van Noorderlicht, dat zich tegenwoordig platform voor hedendaagse waarneming noemt. Noorderlicht gaat een opdracht verstrekken aan een schrijver die episode dertien uit Ulysses zal omzetten naar een hedendaagse setting. Ook zullen twee jonge kunstenaars het hoofdstuk op hun eigen manier verbeelden.

Ulysses vertelt over een dag uit het leven van twee mannen en een vrouw in Dublin, Stephen Dedalus,  Leopold Bloom en Molly Bloom. In episode dertien is sprake van een confrontatie tussen Leopold Bloom en een manklopende jonge vrouw. Noorderlicht grijpt dit deel aan om aandacht te schenken aan sociale inclusie, diversiteit en gendergelijkheid.

Financier van het project is de Europese Unie. Naast Noorderlicht nemen nog zeventien andere Europese culturele organisaties Ulysses op een vergelijkbare manier onder handen. Bedoeling is dat met ingang van september steeds in een stad een hoofdstuk wordt gepresenteerd. Athene bijt het spits af eind september. Groningen is in 2023 aan de beurt. Het einde is voorzien in 2024 in Dublin.

Zie ook dit bericht.


Bij een interview met Jane Leusink

Jane Leusink
Ik sprak in de Prinsenhof in Groningen af met dichteres Jane Leusink voor een gesprek over haar nieuwe dichtbundel, Kraanvogels. Het is haar zesde bundel, dit keer bij uitgeverij Nobelman. We zagen elkaar op een mooie locatie met goede bediening en een slechte akoestiek.

Ter voorbereiding had ik, uiteraard, de bundel gelezen. Dat viel aanvankelijk nog niet mee, op de eerste plaats omdat-ie op de redactie was zoekgeraakt of kwijtgemaakt. Het mag een wonder heten dat ik alsnog een exemplaar te pakken kreeg.

Weer thuis probeerde ik mij de poëzie van Leusink eigen te maken, antwoord te krijgen op vragen die krantenlezers soms stellen alvorens ze zich willen laten overhalen om ook poëzie te lezen. Zoals: waar gaat het over? Zoals: van welke taal bedient de dichter zich? Zoals: vanuit welk perspectief en op welke wijze moeten de gedichten gelezen worden? En ook: welke beelden worden gebruikt, wat is het dat de dichter nastreeft?

Om te beginnen bladerde ik wat in Kraanvogels, ik las hier en daar een strofe, probeerde af en toe een heel gedicht, daarna een complete afdeling, bekeek de motto’s (twee van Sebald, een van Brecht), las de Aantekeningen en de Verantwoording, las de tekst op het achterplat, bekeek de flappen. En las daarna de bundel van a tot z. Soms hardop.

Toen ik daarmee klaar was, probeerde ik de nieuwe kennis samen te vatten. Ik moest er duidelijk nog inkomen. Langer over nadenken. De gedichten nog een keer lezen. Ter ondersteuning dook ik in ons krantenarchief. Daar kwam ik de naam van Leusink meermaals tegen. Ik had haar als winnaar van de C. Buddingh’-prijs in 2003 geïnterviewd en acht jaar later, bij het verschijnen van Tot alles goed strak staat nog een keer.

In De Prinsenhof bleek Leusink dit vergeten. Maar ze kende mij nog wel, van de krant waarschijnlijk, of anders uit ‘het wereldje’, wellicht ook van de sociale media, wat weer een ander wereldje is, de wereld zit vol wereldjes. We hoefden geen ijs te breken, we hoefden er niet omheen te draaien. We konden meteen beginnen. Ik pakte mijn vragenlijst en notities erbij, schakelde mijn opnameapparaatje in en Leusink stak van wal.

Na een uur verscheen een fotograaf aan ons tafeltje. Hoewel zijn komst was aangekondigd, schrok Leusink ervan. Hij zou toch aan het einde van het gesprek…? En we zijn pas halverwege. Na het uitwisselen van anekdotes over wat er allemaal mis kan gaan als iemand moet gefotografeerd, Leusink leek zichzelf moed in te spreken, besloten we tot een gesprekspauze zodat zij en de fotograaf ergens aan de slag konden.

Bij het stilzetten van mijn opname, ontdekte ik dat dit reeds was gedaan. Door wie? Niet door een inkomend bericht op mijn telefoon, want die had ik vliegtuigstand gezet. En waarom na zeventien minuten al, toen het gesprek nog goed en wel op gang moest komen? Een lichte paniek brak uit. Wat had Leusink allemaal verteld? Ik had er aandachtig naar geluisterd, ik had geprobeerd het te begrijpen, maar had ik het ook onthouden? Goed onthouden?

Bij terugkeer van het fotomoment vertelde ik Leusink dat er iets mis was gegaan. En dat ik een aantal kernachtige vragen wilde stellen, om de boel te repareren. Ze keek me meewarig aan. Zei dat het haar sowieso ondoenlijk leek om op basis van achterliggend gesprek een stuk te maken. Ze had het zelf ook wel eens moeten doen, met een bandopname. Gek was ze ervan geworden. Ik schakelde mijn apparaatje opnieuw in.

Na zo’n drie kwartier besloten we er een eind aan te maken, aan ons gesprek. Er zou nog veel meer gezegd kunnen worden, maar dat kon wachten tot een volgende keer. Voor nu was het genoeg, meer zelfs dan uitgeschreven op een ouderwetse krantenpagina zou passen. Veel meer dan een krantenlezer over poëzie, Kraanvogels en Jane Leusink zou willen weten, vermoedelijk. Om onze ontmoeting netjes af te ronden, vroeg ik haar tot slot of ze haar bundel wilde signeren.

Dat wilde Leusink wel. Terwijl zij haar pen pakte en haar bundel opensloeg, nam ik mijn opnameapparaatje ter hand. Opnieuw was de opname reeds door iets of iemand stilgezet. Dit keer al na zes minuten. De automatisering, die wil wat. Parafraseren is ook een kunst.


Haalt Anton de Kom na de canon van Nederland ook de literaire canon?

Anton de Kom
Via de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde ontving ik een verzoek om de Canonenquête 2022 in te vullen. “Welke boeken doen er écht toe? Praat mee over de Nederlandstalige literaire canon. Deze enquête van dertien vragen kost je ongeveer 10 minuten.”

Dat werden er dus meer, zowel wat betreft vragen als minuten. Want ik mocht ook mijn geslacht en leeftijd in vullen, en mijn hoogste laatst voltooide opleiding en een vraag beantwoorden over mijn werkzaamheden en aanvinken of ik op de hoogte gehouden wilde worden. Wellicht volgt er nog een onderzoekje naar hoe ik het invullen heb ervaren.

Wat de meeste tijd vergde, was het bedenken welke titels en auteurs ík tot de canon vind behoren. Daarbij stelde ik mezelf weer eens teleur.

Veel verder dan de gebruikelijke namen – Multatuli, Nescio, Wolff & Deken en een aantal schrijvers die anoniem wensten te blijven – kwam ik niet. Of toch: eentje. Ik futselde er een auteur van jeugdboeken tussen. Dat was voor mijn beurt, want de vraag of kinder- en jeugdliteratuur een plek verdient in een Nederlandstalige literaire canon kwam pas later aan de orde.

In de uitnodiging werd gemeld dat ‘eens in de zoveel tijd de discussie oplaait over de Nederlandstalige literaire canon’. En ook of ‘iedereen zijn klassieken hoort te kennen’ en of ‘het noodzakelijk is dat middelbare scholieren de belangrijkste Nederlandstalige literaire teksten lezen’. Deze vragen zouden in 2002 zijn beantwoord middels een canonenquête van stichting DBNL. De uitkomst daarvan was alsvolgt:

  1. Multatuli, Max Havelaar (1860)
  2. [anoniem, Willem] Van den vos Reynaerde (13de eeuw)
  3. Gerard Reve, De avonden (1947)
  4. Joost van den Vondel, Gysbreght van Aemstel (1637)
  5. W.F. Hermans, De donkere kamer van Damocles (1958)
  6. Nicolaas Beets (Hildebrand), Camera obscura (1839)
  7. [anoniem] Beatrijs (midden 13de eeuw)
  8. [anoniem] Karel ende Elegast (einde 12de eeuw)
  9. W.F. Hermans, Nooit meer slapen (1966)
  10. P.C. Hooft, Lyriek [w.o. liederen, sonnetten]

De nieuwe uitkomst, die in oktober wordt gepresenteerd in de Week van het Nederlands, zal iets anders zijn. Dat leid ik af van provocaties als ‘Ook niet-geschreven teksten (spoken word, liedjes) kunnen onderdeel zijn van de canon’, ‘Een Nederlandstalige literaire canon moet streven naar genderdiversiteit’ en ‘Auteurs van verschillende culturele achtergronden moeten vertegenwoordigd zijn in de canon’.

Wat zal blijven, is de discussie in hoeverre de canon moet leiden tot een verplichte leeslijst voor scholieren en hoeveel titels die lijst moet tellen. Grote kans zelfs dat die discussie meer aandacht genereert dan dat lezers zullen grijpen naar een boek van, zeg, de antikoloniale schrijver, activist en verzetsheld Anton de Kom. Die het vorig jaar al tot de canon schopte, een andere canon.


Lamlendig, twee dagen na Het kleine gebeuren

Het Kleine Grote Gebeuren 2022
Ik kreeg de vraag hoe ik Het kleine gebeuren heb beleefd, de ingedikte editie van Het grote gebeuren, afgelopen zaterdag in Forum Groningen. Ik antwoordde dat ik op een enthousiast weerzien met schrijvers had gehoopt, maar na afloop van het feest voor lezers en schrijvers teleurgesteld naar huis was gegaan. Zou ik iets onder de leden hebben?

Wat misschien speelde, was de afwezigheid van Charlotte Beerda, welbeschouwd de enige naam op het affiche die mij vooraf nieuwsgierig had gemaakt. De andere gasten – Gerbrand Bakker, Hanna Bervoets, Auke Hulst – zag ik vaker optreden. Weinig nieuws onder de zon. Beerda bleek geveld voor corona. Hoe ziek ze was, met koorts en rillingen, vertelde interviewer Jellie Brouwer er niet bij.

Wat ook meespeelde, was dat de genodigde schrijvers weinig plezier leken te beleven aan het weerzien met publiek, wegens coronabeperkende maatregelen zo'n vijftig man. Gerbrand Bakker vertelde om te beginnen desgevraagd nog steeds met depressiviteit te worstelen. "Wat er vandaag gebeurt, is eigenlijk veel te veel. Ik moet één ding doen op een dag. Dit gesprek had het voor mij moeten zijn."

Interviewer nummer twee, Emy Koopman, wilde van Hanna Bervoets weten of deze het nog steeds eng vindt een boek uit te brengen. Dat bleek het geval. Aan schrijven beleeft Bervoets veel plezier, maar aan het gedoe eromheen steeds minder. "Vijf jaar geleden zou ik nooit hebben gedacht dat dit uit mijn mond zou komen: 'Alweer een interview'."

Auke Hulst vertelde op zijn beurt over een 'complete disconnect' tussen het leven dat een schrijver met een boek heeft en het leven dat het boek daarna gaat leiden. "De ergste periode is het moment vlak voordat ik het inlever en de drie maanden nadat het is uitgekomen, de periode waarin je er geen controle meer over hebt. En het stomme is, dat als het heel goed gaat, dat je het niet echt gelooft."

Heel openhartig allemaal. Maar als je maanden achtereen vanuit 'de culturele sector' hebt horen roepen hoe erg het is dat 'zij wel' open mogen en 'wij niet' en hoe onrechtvaardig dat is, en 'niet uit te leggen', dan is vijftien euro voor zoveel oprechtheid iets te veel van het goede.

Bovenstaande wil niet zeggen dat er zaterdagavond 'niets aan' was. Gedurende twee uur werd er zoveel gezegd, aangeraakt en vervolgens genuanceerd dat het welbeschouwd onmogelijk is de complete avond op deze plek recht te doen. Vandaar dat alle betrokkenen, de uitgenodigde schrijvers voorop, door mij tekort worden gedaan.

Bakker maakte een behoorlijk montere indruk en was bij vlagen zelfs grappig. Vooral toen hij onthulde dat het motto voorin zijn nieuwe roman De kapperszoon, het titellied van de tv-kinderserie Beertje Colargol, is opgenomen als sneer naar schrijvers die motto's opnemen van Ludwig Wittgenstein, Sylvia Plath et cetera.

Op weg naar huis wilde ik van mijn medeganger weten wat zij interessant had gevonden aan Het kleine gebeuren. Ze vatte daarop samen wat door Bervoets en Hulst was gezegd over de populariteit van science fiction onder Nederlandse schrijvers in Nederland op dit moment. Hulst toonde zich, ietwat beschroomd, beroofd van zijn niche en merkte voorzichtig op 'dat schrijvers een zekere kennis moeten hebben van wat er al is om niet alle open deuren in te trappen'.

Hanna Bervoets had stilgestaan bij de ondergeschikte positie van science fiction, toekomstverhalen en speculatieve fictie in het Nederlandse boekenvak. "In Nederland heb je literatuur en je hebt genreboeken. Genreboeken worden niet besproken – dat heeft te maken met het onderscheid tussen hoge en lage literatuur. Science fiction zijn genreboeken = lagere literatuur."  

Mij was van de avond vooral het antwoord van Bakker bijgebleven op de vraag 'of hij iemand is geworden door een boek te schrijven'. "Misschien was het ooit mijn doel, maar ik heb inmiddels gemerkt dat het voor mij zo niet werkt", had hij geantwoord. Met daarna een grote relativering van de literatuur: "We hebben het er bij ons thuis wel eens over als er weer een boek van mij uitkomt: Er komt weer een boek! En dan verschijnen de volgende dag nog tien andere boeken."


Eerst Govert Buijs, daarna Joke Hermsen naar Assen

Waarom werken we zo hard Govert BuijsGovert Buijs geeft 14 februari, vandaag dus, in Podium Zuidhaege in Assen een lezing getiteld Waarom werken we zo hard? Op weg naar een economie van de vreugde. Buijs is politiek filosoof en hoogleraar maatschappelijke en economische vernieuwing aan de Vrije Universiteit in Amsterdam.

Citaat uit een persbericht van filosofisch café De Verdieping, organisator van de bijeenkomst:

"De economie van de vrije markt staat, of we het willen of niet, centraal in ons leven. Toch beginnen de nadelige effecten ervan – zoals burn-outs, de groeiende kloof tussen arm en rijk en klimaatverandering – ons steeds harder te raken. Als alternatief stelt Govert Buijs ‘een economie van de vreugde’ voor, een wereld waarin de economie de mens dient in plaats van andersom."

Aanvang is 19.30. Entree tien euro; jongeren vijf euro. Aanmelden via deverdieping2011@gmail.com

#

Een paar dagen later, donderdag 17 februari, geeft Joke Hermsen in kunstruimte Campis, ook in Assen, een lezing getiteld Ogenblik en eeuwigheid. Meer tijd voor de kunst. Hermsen is schrijfster en filosofe en geeft lezingen en interviews over maatschappelijke onderwerpen.

Citaat uit een persbericht van het onlangs geopende podium voor hedendaagse kunst:

"We leven vandaag de dag op gespannen voet met de tijd, en die doet onrust, angst en onzekerheid toenemen. Een heden dat ons te nauw omsluit, laat geen ruimte meer voor verbeelding. Hermsen laat zien wat de rol van kunst hierin kan zijn, en neemt je mee in het moment tussen ogenblik en eeuwigheid."

Aanvang ook hier 19.30 uur. Entree 5 euro.


Draaisma (2x),Truijens, Bakker, Weeda en anderen  

De ivoren cel_ Herinneren en vergeten in Privé-Domein (2022) Douwe DraaismaTer voorbereiding op een interview lees ik De ivoren cel, een boek van Douwe Draaisma uit de Privé Domein-reeks. Het interview vindt vrijdag plaats in De Literaire Hemel, echter niet in café De Amer, want daar gelden nog strenge coronabeperkingen, maar in de bibliotheek van Rolde. Er zal nauwelijks publiek bij aanwezig zijn, vanwege de pandemie. In plaats daarvan snorren de camera's, zoals dat heet. Zaterdag komt het interview online. Zie dan deze link.

Zie dan ook een gesprek met Herman Sandman en Louis van Kelckhoven over de columns van Nanne Tepper en een interview van Annette Timmer met Aleid Truijens over de kortgeleden gepubliceerde biografie van Hella Haasse. Ik hoop dat Timmer vraagt hoe het kan dat over de levens van Hermans en Reve ieder twee kloeke delen zijn geschreven, terwijl voor de grootste Nederlandse schrijfster van de vorige eeuw 'slechts' 600 bladzijden zijn uitgetrokken. Papierschaarste?

Onlangs ontving ik een uitnodiging om Onder De Vulkaan bij te wonen, het slimme neefje van De Literaire Hemel, maar dan in Groningen, waar Coen Peppelenbos en Roos Custers tussen de virusstormen door in het Grand Theatre een schrijver, beeldend kunstenaar en wetenschapper plachten te interviewen. Toen ik de naam Douwe Draaisma op hun affiche zag staan, dacht: 'Mooi, ga ik daar heen, ter voorbereiding op mijn gesprek.'

De uitnodiging beter bekeken, zag ik echter dat Onder De Vulkaan twee dagen na De Literaire Hemel plaatsvindt. Draaisma heb ik dan al gesproken en gehoord. Blijft alleen over de nieuwsgierigheid naar de vragen die Custers en/of Peppelenbos hem stellen. En wat de twee andere gasten te vertellen hebben: schrijver Lisa Weeda en fotograaf Koos Breukel. Dit alles zondag 13 februari live in het Grand vanaf 15.00 uur.

Dat 'de boel' weer op gang begint te komen, blijkt ook zaterdag als in Forum Groningen een kleine editie van Het Grote Gebeuren wordt gehouden, het festival voor schrijvers en lezers. Het aantal plaatsen is (nog) beperkt, maar het programma liegt er niet om: Gerbrand Bakker, Hanna Bervoets, Auke Hulst, Emy Koopman en Charlotte Beerda. Aanvang is 19.30 uur en het einde 21.30 uur. De kaartverkoop is inmiddels begonnen, of misschien alweer voorbij. Zie hier.

Tot zover de reclameboodschappen. Nu weer verder lezen in De ivoren cel. Ondertitel: Herinneren en vergeten in Privé Domein. Waar was ik ook maar weer gebleven?


Leest 'Hier huizen draken' van Marie Claus

Hier huizen draken Marie Claus
Ik moest er even om zeuren – zouden ze het vergeten zijn? – maar uiteindelijk stuurde uitgeverij Lebowski mij de dichtbundel Hier huizen draken van Marie Claus. Als pdf. Die ik kan uitprinten.

Waarom wilde ik dat ding graag lezen? Voor een bespreking, om te beginnen. Omdat Claus er een van ons is, zoals dat bij ons op de redactie heet. Want woonachtig in Groningen. Eerst als stadsdichter, later als docent aan onder meer de Schrijversvakschool. Haar vorige dichtbundel, De begrafenis van de mannen uit 2016, scoorde liefst vijf sterren in onze krant.

In ons archief zocht ik de recensie van toen op. In het stuk prijst Eppie Dam de interesse van Claus voor 'de oorspronkelijke en onaangepaste geest'. Hij prijst ook haar zelfspot, haar hilarische humor en haar talent voor drama en het absurde: 'Ze vilt en fileert, ontleedt en ontmaskert, en alles met een droog soort venijn waar het vileine aan ontbreekt.'

Probeer daar maar eens overheen te komen.

Wat opvalt, is dat ze zich geen Anneke meer noemt maar Marie. Waarom zou dat zijn? Wat is er in haar of aan haar veranderd? De website van haar uitgeverij biedt geen uitkomst. Wel een promotekst over haar bundel, altijd handig voor wie graag op weg geholpen wordt:

'Was will das Weib, vraagt Marie Claus zich af in haar nieuwe bundel Hier huizen draken. Een plek op het podium, in het landschap en in de schoolboeken. Een gesprek over de tijden waarin die plek er niet was, over de huidige tijd waarin die plek er nog steeds veel te vaak niet is, over haar woede en verdriet over die gang van zaken.

Hier huizen draken is het verslag van haar reis naar de rand van de kaart, naar daar waar het licht van de rede hapert en de intuïtie het moet overnemen. Ze vertelt over de verwoesting die ze onderweg aantreft: luie instituten, verscheurde landschappen, gedecimeerde en op drift geraakte volkeren.

Met de geconcentreerde aandacht van een weefster zoekt ze naar een taal die haar rouw en irritatie kan verbeelden zonder dat ze zich voegt naar de logica die deze versnippering mogelijk heeft gemaakt.'

Wat van het bovenstaande vooral blijft hangen, of binnenkomt, is de zinsnede 'reis naar de rand van de kaart, naar daar waar het licht van de rede hapert en de intuïtie het moet overnemen'. Dat is niet zonder consequenties. Als een dichter de ratio achter zich laat en zich overgeeft aan intuïtie kan dat leiden tot een irrationale taal. Die niet altijd goed te volgen is. Althans voor lezers die zich niet zo makkelijk durven over te geven.

Het kan verklaren waarom sommige gedichten, misschien zelfs wel veel gedichten, iets onnavolgbaars hebben. Neem Tot nu toe gaat alles goed, het gedicht waarin de bundeltitel Hier huizen draken in voorkomt.

In de eerste regel figureren naast die draken twee dieren: een wolf en een lam. De ik vreest het ergste, zou willen ingrijpen, wil God over de wolf spelen, maar besluit het nog even aan te zien. Misschien ziet de wolf het lam als iets waar hij recht op heeft, weifelt God, die blijkbaar mens is geworden. Als dat zo is 'zal ik hem beoordelen en veroordelen/ Ik zal hem zeggen dat hij het verdient te sterven/ terwijl ik eigenlijk niets liever wil dan zeggen dat ik hem ben/ en trillend als het lam mijn hoofd in zijn muil steken.'

Dan ineens lezen we dat wolven bang zijn voor mensen. En even verderop: 'Als wolven het met onze honden gaan doen/ zullen onze honden zich tegen ons keren.' Nu weet ik niet alles van de evolutie, maar honden zijn toch gedomesticeerde wolven? Het wordt nog verwarrender: 'Onze honden zijn niet echt van ons,/ ze horen bij de wolven, wij ook,// dat zijn we vergeten, per ongeluk, met opzet.'

Claus bedoelt het wellicht minder ingewikkeld dan ik het lees. En nu ik het zo opschrijf, hoor ik ergens een kwartje vallen. De mens zou wel eens een draak, een wolf en een hond kunnen zijn. Drie voor de prijs van één. Maar waarom dan God erbij gesleept? Vanwege zijn mythisch karakter? Net zoals de draak een mythisch wezen is? In religieuze zin zijn ze niet verwant. Het lam daarentegen, symbool van de onschuld, past weer wel in dit wankele beeld.

Als ik bovenstaande opneem in een bespreking voor de krant – maximale lengte om opmaaktechnische reden 400 woorden – blijft er geen ruimte over voor andere observaties. Met als gevolg dat de indruk wordt gewekt dat Hier huizen draken een slechte dichtbundel zou zijn. Drie sterren. Laat ons mild zijn.

En daarmee wordt voorheen Anneke Claus tekort gedaan. Want ze heeft wel degelijk, naar mijn maatstaven, goede gedichten geschreven. Of op zijn minst gedichten met goede stukken.

Humor en talent voor drama en het absurde heeft Claus nog steeds. Neem het openingsgedicht, Brandstapelangst, waarin de ik heks wordt genoemd: 'het was lief bedoeld/ en toch was ik meteen op mijn hoede.' In de volgende strofe lijkt sprake van een misverstand: 'Ik verstond: in treinstel 40445 is iemand van de relativering aanwezig./ Misschien zei hij toch eerder railcatering.'

We hebben hier te maken met wat in het proza een onbetrouwbare verteller wordt genoemd, maar in de poëzie een associatief dichter heet, iemand die van de hak op de tak kan springen en ondertussen naar een eigen stem zoekt. Een stem die het over de werkelijkheid en tegelijkertijd over een sprookje kan hebben.

Iemand, zoals blijkt uit het gedicht Captcha, die door een computer wordt gevraagd te bewijzen een mens te zijn. 'Wat ben je aan het doen?' en 'Hoe zit het met je relatie?' wil Facebook weten. 'Bewijs dat je geen robot bent', sommeert de website. Zo iemand steekt de ene keer een vinger in je oog en zit er de andere keer helemaal naast. Een echt mens, derhalve.  

De zeven gedichten die samen de afdeling Rituelen, jaren nul zijn allemaal goed. Omdat ze de flow van een litanie hebben en een liefdesgeschiedenis lijken te beschrijven die ontspoort. Waarbij de 'je' – die uiteraard een 'ik' is – eenzaam, verward en ziek achterblijft, zichzelf probeert op te richten, wat niet makkelijk is 'in een tijd,/ in een wereld van bordkarton' en succes afhankelijk is van een sympathiek karakter.

#

De makke met poëzierecensies, het moet maar eens gezegd, is dat ze nauwelijks tot nooit recht doen aan de bundel waar de recensie betrekking op heeft. Dat komt, denk ik, doordat poëzie, vooral hedendaagse poëzie, bewust van rationaliteit beweegt richting 'de rand van de kaart'. Naar de plek waar het onbekende zich bevindt, daar waar geen herkenbare taal meer wordt gebezigd.

Als recensent moet je én de dichter proberen te volgen én de achterblijvende lezer bijpraten over de route die de dichter volgt naar haar of zijn onbekende bestemming. En, eenmaal aangekomen, in heldere bewoordingen, nog nahijgend, proberen te omschrijven wat die bestemming is. En ondertussen tast de dichter in het duister: 'Ja, ik weet het ook niet. Ik ben hier ook voor het eerst. Ik vind het mijn moeite waard. Wat vind jij?'

Ooit sprak ik een schrijver over de functie van recensies. Daarbij hield ik hem, het was een man, nog steeds overigens, voor dat ik probeer het boek van een auteur te beoordelen op de doelen die hij of zij zich stelt. Waarop die man zei: 'Dat vind ik helemaal niet interessant. Ik vind het veel interessanter wat jij tijdens het lezen van mijn boek hebt ontdekt. Waarom schrijf je dat niet op?'

#

Na drie keer Hier huizen draken van Marie Claus te hebben gelezen, heb ik het gevoel dat ik vaak tussen de woorden de zinnen niet kan vinden, dat het bos wordt gevormd door bomen met takken ver boven mijn hoofd, dat ik deelgenoot wordt gemaakt van een mysterie waar nauwelijks plaats voor mij is.

Ik begin opnieuw. Ik ben nog niet verslagen. En deze draak evenmin.