Alexander Nieuwenhuis, Koen Schouwenburg en Mirjam van Hengel in De Literaire Hemel

Literaire Hemel-Foto_Marcel_Jurian-De_Jong
Alexander Nieuwenhuis, Koen Schouwenburg en Mirjam van Hengel zijn vrijdag 10 februari te gast in De Literaire Hemel in Amen.

Journalist, essayist en wildernisgids Nieuwenhuis komt vertellen over Winterthur, een roman rond de vraag hoe om te gaan met de dreigende klimaatramp. Wordt de mensheid gered door de wetenschap, die alle klimaatproblemen al jaren geleden heeft voorzien, of is een nog andere omgang mogelijk?

Koen Schouwenburg, geboren in Assen en woonachtig in Groningen, debuteerde kort geleden als romanschrijver met Waar zijn de dagen voor. Zijn hoofdpersoon, Daan, blikt in afwachting van de terugkeer van zijn grote liefde terug op jaren van angst en paniek terwijl hij zich verschuilt in een bunker met boeken.

Biograaf Mirjam van Hengel kroop onder de huid van Dola de Jong, die 20 jaar geleden overleed. De Jong schreef kinderboeken, romans, columns en recensies. Van Hengel verdiepte zich in de omstandigheden die haar schrijverschap bepaalden: haar tragische jeugd, het trauma van de Holocaust, haar moeilijke positie als schrijvende vrouw en als nieuwkomer in New York.

De schrijvers worden geïnterviewd door Annette Timmer en Joep van Ruiten. Charlotte de Wolff speelt piano. Aanvang 20.15 uur. Kaarten inclusief twee consumpties á 18,50 euro verkrijgbaar via www.literairehemel.nl


In de kast ‘Over literatuur’

Van der Velde A-kerkhof1
Voor mijn aankopen ter gelegenheid van de Poëzieweek bracht ik een bezoek aan boekhandel Van der Velde aan het A-kerkhof in Groningen. Een mooie winkel, mede vanwege de verdieping met tweedehandsboeken. Ook daar nam ik een kijkje.

Gelukkig trof ik goed gezelschap in de kast met het opschrift ‘Over literatuur’. Gelukkig zag ik een goed gelezen exemplaar. 


Tentoonstelling en lezing over C.O. Jellema in de bibliotheek van Leens

C.O. Jellema in 1991. Foto Wladimir van der Burgh
Ter gelegenheid van de Poëzieweek en naar aanleiding van het verschijnen van de biografie Aan rozen denk ik in de winter opent vrijdag in de bibliotheek van Leens een tentoonstelling over de dichter en essayist C.O. Jellema (1936 – 2003).

Citaat uit een uitnodiging die werd toegestuurd door Stichting Behoud Bibliotheek de Marne: “De tentoonstelling toont nieuw, aansprekend beeld- en tekstmateriaal, waaronder gedichten, bijzondere uitgaven en videomateriaal, dat zowel liefhebbers van Jellema’s werk, als degenen die graag met deze bijzondere dichter willen kennismaken, zal interesseren.”

Jellema bracht de laatste veertien jaar van zijn leven door in Leens, waar hij met zijn partner Klaas Noordhuis het monumentale Leenster landhuis “Oosterhouw” bewoonde. In genoemde biografie laat Gerben Wynia zien dat hij er de rust en tevredenheid vond die hij gedurende zijn leven zocht.

De tentoonstelling, die te zien zal zijn tot en met 31 maart, wordt geopend door burgemeester Henk Jan Bolding van de gemeente Het Hogeland. Na de opening houdt biograaf Gerben Wynia een lezing.  Zie ook deze link.


Praten over de staat van de poëzie in Kunstplaza Schurer te Assen

Logo-PW-2023

Ingezonden mededeling van het Departement voor Filosofie en Kunst in Assen, kortweg DeFKa:

“Op woensdagmiddag 1 februari bekijkt DeFKa de wereld vanaf de 5e verdieping van Vanderveen in Kunstplaza Schurer op een poëtische manier. Indachtig het thema ‘Vriendschap’ met daarbij lettend op de woorden van Lieke Marsman: ‘In hemelsnaam meer kunstenaars in de politiek, hoe fijn zou dat zijn’ en ‘Eén van de belangrijkste dingen die poëzie mij geleerd heeft is niks doen’. Of Maxim Februari: ‘Onze dichters zijn van oudsher het best op vloeibaarheid voorbereid’.

We gaan het erover hebben: over De Staat van de Poëzie, met medewerking van Awater. Zij die willen participeren zijn welkom. Plaats/tijd: woensdag 1 februari, 14.00-16.00 uur, in Kunstplaza Schurer/Vanderveen.”

Wie in de stemming wil komen voor deze bijeenkomst, kan zich voorbereiden door een exemplaar van tijdschrift Awater te kopen, een extra dikke editie voor slechts 10 euro. En het stuk ‘Over de poëzie-enquête van Awater en Poëziekrant’ van Evi Aarens lezen op Neerlandistiek.


De appelboom van Rutger Kopland is nu een bureau (en te zien tijdens Poetry per tutti)

Rutger Kopland bureau

Ik kwam thuis, het was
een uur of acht en zeldzaam
zacht voor de tijd van het jaar,
de tuinbank stond klaar
onder de appelboom

Zo begin het gedicht Onder de appelboom uit de bundel Onder het vee (1966) van Rutger Kopland. Die appelboom stond na het overlijden van ‘Kopland’ in de tuin van een van zijn dochters. Tot hij omwaaide en naar meubelmaker Peter van Eijsden in Haren is gebracht om er een bureau van te maken.

Vandaag is de appelboom van Kopland in Forum Groningen te bewonderen tijdens Poetry per tutti, een avond met gedichten en dichters. Aanvang 19.30 uur. Na afloop verhuist het bureau naar de dochter.

Voor het volledige gedicht klik hier. Voor meer over Poetry per tutti klik daar.


Bevriend raken met een dichter aan de vooravond van de Poëzieweek

Er Staat Te Gebeuren
Vooruitlopend op de Poëzieweek, die donderdag begint met Gedichtendag, interviewde ik voor Dagblad van het Noorden de ‘rebels neo-klassieke’ dichter Hester Knibbe. Ik wilde het met haar hebben over het Poëziegeschenk Er staat te gebeuren, maar ik wilde ook met haar praten over vriendschap, dit jaar het thema van de week.

Knibbe schreef het geschenk samen met Miriam Van hee, sinds een ontmoeting op Poetry International in 1985 een goede vriendin van haar. Aanvankelijk zou ik ook Van hee spreken, maar deze moest vanwege familieomstandigheden op het laatste moment verstek laten gaan.

Het interview was nog niet begonnen toen Knibbe vroeg of ze de uitgeschreven tekst vooraf mocht lezen. “Niet om jou te controleren, maar ik weet dat ik af en toe heel ongelukkig kan formuleren in het wilde weg en als ik dat dan teruglees, is dat geen pretje”, vertelde ze.

Ik schoot in de lach, vooral om dat van die dichter die heel ongelukkig kan formuleren, en zegde toe de tekst voor te leggen. Wat volgde was een ontspannen gesprek waarin we, in mijn beleving, openhartig spraken over poëzie en vriendschap, over hoe gedichten vrienden voor het leven kunnen worden en wat vriendschap kan betekenen.

Hoe maak je vrienden, vroeg ik Knibbe aan het einde. Dagblad van het Noorden wil graag een praktische krant zijn.

“Ik ben niet op zoek naar vriendschappen. Ze ontstaan spontaan”, antwoordde ze. “Miriam dicht daar in het geschenk heel mooi over. Zij dicht ook over hoe je ze moet onderhouden, want dat moet ook, zeker naarmate je ouder wordt. Op uitnodigingen ingaan, mensen uitnodigingen, mensen die het nodig hebben extra aandacht geven, zelf aandacht willen ontvangen. Openstaan, hartelijk zijn, vertrouwen.”

Zouden wij vrienden kunnen worden, vroeg ik.

“Best”, zei Knibbe.

Het eerste contact is gelegd, stelde ik vast. Wanneer merken we dat het verder gaat?

“Als we elkaar opnieuw ontmoeten”, zei Knibbe, die komende vrijdag in Groningen optreedt tijdens Poetry per tutti, samen met Van hee.

Daarna spraken we nog wat verder en tot slot herhaalde ze haar verzoek om het interview vooraf te mogen lezen. Geen probleem, antwoordde ik.

Daags na het toezenden van het stuk, reageerde ze. Met dank en de opmerking dat ze er weinig op aan te merken had. Slechts een paar correcties. En de suggestie om aan het slot de passage over het vriendschapsverzoek te verwijderen. Ze wist niet dat het nog bij het interview hoorde, schreef ze. Ze dacht dat ik mijn vraag tijdens ons gesprek als grap had bedoeld.

“Dat zegt genoeg over de ongedwongenheid waarmee jij een gesprek kunt voeren, dus het is een compliment.” Als ik er voor koos het slot te handhaven, wilde ze graag haar antwoord veranderd zien in ‘misschien’.

Lees dinsdag (en andere dagen) Dagblad van het Noorden. Op papier en online.


De laatste Poze, bij het verdwijnen van een belangrijke uitgeverij in Drenthe

Tijdschrift Poze 21
De postbode bracht zaterdag een pakket met Poze, het magazine-achtige tijdschrift van uitgeverij Ter Verpoozing uit Peize. ‘Deze Poze is een grabbelton met oud en nieuw werk’, schrijft samensteller, hoofdredacteur en uitgever Gerard Stout in een voorwoord. In de tweede alinea meldt Stout dat hij zowel met het tijdschrift als de uitgeverij stopt. ‘Diverse ongemakken helpen me de koers te verleggen’, schrijft hij monter.

Hoewel ik het ‘nieuws’ al veel eerder heb vernomen, uit eerste bron en daarna via Sophie Timmer van RTV Drenthe, komt het bericht wederom rauw binnen. Ter Verpoozing mag dan geen bekende, commercieel succesvolle uitgeverij zijn, het is in wereld die Drenthe heet een van de meest belangrijke. In mijn persoonlijke wereld zelfs belangrijker dan Koninklijke Van Gorcum en Het Drentse Boek samen.

Ik vermoed dat ik de meeste titels uit het fonds van Ter Verpoozing in handen heb gehad. Een groot aantal heb ik ingezien en een flink aantal zelfs gelezen en vervolgens beschreven. Wat ik van die boeken heb opgestoken, onthouden en geleerd, laat zich niet samenvatten. Laat ik zeggen dat het zeer veel is, ook al kan ik dat niet altijd bewijzen en in praktijk brengen.

De laatste Poze, nummer 21, is in bijna alle opzichten een terugblik. Wie meer wil weten van leven en werk van Gerard Stout kan in het tijdschrift beginnen en daarna contact met hem opnemen. Mogelijk volgt er een gesprek, grote kans dat het een goed gesprek wordt. Voor wie dat iets te ver gaat, is er het vooruitzicht van een nieuwe roman, getiteld Eyoum. Afgaand op wat Stout erover schrijft, wordt het een veelbelovend boek.


Op zoek naar winnaars van de Dagblad van het Noorden Streektaalprijzen

202204104987
Ter voorbereiding op de mogelijke uitreiking van de Dagblad van het Noorden Streektaalprijzen probeer ik in kaart te brengen wat afgelopen jaar zoal aan 'streektaalproducten' is verschenen. Nu kan het zijn dat ik niet goed zoek, en daarbij is het jaar nog niet om, maar de oogst valt mij tot dusver kwantitatief tegen:

Letteren

  • Aagje Blink – Verleuren (Het Drentse Boek)
  • Ria Westerhuis – Dwaalstroom (Het Drentse Boek)
  • Andries Middelbos –  Knooien in ’t duuster (Het Drentse Boek)
  • Leny Hamminga – De hunzeman (Het Drentse Boek)
  • Jenny Anna Linde – Golden vissies (Het Drentse Boek)
  • Gerard Stout – Episode 18 (Ter Verpoozing)
  • Fre Schreiber – Dolle Jonker (fcschreiber@hetnet.nl)
  • Ingeborg Nienhuis – Hoeze Toenbaauw (Uitgeverij Vliedorp)
  • Hans Katerberg – Het boek van de psalms (Huus van de Taol)
  • Jennie Lambers–Niers – Ezechiël & Daniël (Huus van de Taol)
  • Alex Vissering – Vogelwies (vissering@wxs.nl)
  • Renko Sipkes/Eppo Scheltens – Kind oet t loeg (fcschreiber@hetnet.nl)

Muziek en anders

Alex Vissering – Vogeltjesman (vissering@wxs.nl)

Mijn verwachtingen zijn altijd te hoog, ik weet het, ik raad het iedereen af. Dit keer waren ze extra hoog, omdat ik het afgelopen jaar het ene na het andere boek zag verschijnen. Cijfers kan en wil ik niet overleggen, maar naar mijn beleving is er meer gepubliceerd dan ooit. Vooral Nederlandstalig, als gevolg van het coronatijdperk, vermoedelijk.

Als het gaat om het Drents, het Gronings en het Stellingwerfs, de Nedersaksische varianten die binnen het verspreidingsgebied van mijn krant worden gebruikt, merk ik niets van een coronapiek. Eerder krijg ik de indruk dat er veel Nedersaksische auteurs op het Nederlands zijn overgestapt. Of doodgegaan, dat behoort tot de mogelijkheden tijdens een pandemie.

De gevolgen van de vleermuispest zijn zeker merkbaar in de muziek. Tot dusver heb ik nauwelijks tot geen albums met Nedersaksische zang kunnen vinden. En dan heb ik het niet over cd’s, maar over een samenhangende reeks muziekstukken die via streamingsdiensten verspreid kunnen worden. Het lijkt erop dat bijna niemand tijdens corona een geluidsstudio heeft geboekt om een potje Nedersaksisch te gaan zingen. Dat is begrijpelijk, maar vooral jammer.

Dit alles mag, nee, moet gelezen worden als een oproep. Wie een streektaaltitel onder de aandacht van de deskundige jury onder leiding van Eric van Oosterhout wil brengen, wordt bij deze van harte uitgenodigd dat te doen en zijn, haar of diens gedroomde winnaar aan te geven via streektaalprijs.dvhn@mediahuisnoord.nl. Aanmelden kan tot 1 februari.

Voor een eerdere verzuchting en een overzicht met vorige winnaars zie dit bericht. Voor het reglement zie daar. Op de foto hierboven Tonko Ufkes, Johan Veenstra, Martien Koster en Dagblad van het Noorden-hoofredacteur Evert van Dijk tijdens de prijsuitreiking vorig jaar in Roden. 


Over de Veenkoloniale ervaring en wat Vincent van Gogh nog altijd in Drenthe losmaakt

Elizabeth Stoit en Gerrit Kamstra1
Ik reisde naar het provinciehuis in Assen voor een gesprek over de plannen rond de herdenking van de komst van Vincent van Gogh naar Drenthe, in september 2023 140 jaar geleden. En werd daar verrast door topambtenaar Gerrit Kamstra van de provincie die in mijn aanwezigheid een cadeau overhandigde aan Elizabeth Stoit van Marketing Drenthe.

Uitgepakt bleek het om een boek te gaan. Nu weet ik niet-toevallig dat op bladzijde 18 van dat boek, uitgegeven door kleine Uil, in het essay Hier is ja niks het volgende over Vincent van Gogh in Drenthe wordt geschreven:

'Aan het einde van de zomer in 1883 reisde Vincent van Gogh naar Drenthe. Anders dan zijn schildervriend Anthon van Rappard, die hem op het schilderachtige van Drenthe had gewezen, trok hij niet naar Assen om vandaaruit verder te reizen. Van Gogh stapte uit op het station van Hoogeveen met de bedoeling dieper het land in te gaan, ‘met de turfschuiten mee richting de Pruissische grens en ’t Zwarte Meer’.

Op 2 oktober reisde hij met een trekschuit naar Nieuw-Amsterdam, ‘den achterhoek van Drenthe’. Voor zijn broer Theo beschreef zijn eerste indrukken: ‘Wat een rust, wat een breedte, wat een kalmte in deze natuur, men voelt het pas als men mijlen en mijlen Michels tusschen zich en het gewone heeft.’ Wat Van Gogh met ‘Michels’ bedoelde is mij niet bekend. Wat hem beviel kan ik navoelen en bedenken.

In zijn Drentse brieven beschrijft Van Gogh wat ik een Veenkoloniale ervaring wil noemen, een sensatie halverwege geluk, ontzag en overweldiging. Aanvankelijk is hij nieuwsgierig en gretig. Hij heeft iets in zijn hoofd en als dat overeenkomt met wat hij ziet, wordt hij extatisch. ‘Het is hier zoo gansch en al dat wat ik mooi vind. Dat wil zeggen ’t Is hier vrede’, schrijft hij. En meteen daar achteraan: ‘Ik vind nog iets anders mooi dat is het drama, het is overal.’

Het woord koloniën komt in de brieven van Van Gogh niet voor. Het veengebied slingerde hem heen en weer. Hij zocht en vond mogelijkheden om zich als beginnend schilder naar eigen inzicht en overtuiging te ontwikkelen. Tegelijkertijd werd hij afgeremd. Contact met de plaatselijke bevolking was er nauwelijks, vermoedelijk kon hij ze niet verstaan. Daarnaast was sprake van geld- en materiaalgebrek. Alleen in Hoogeveen waren verfspullen te krijgen, in zeer beperkte mate.

Toen Van Gogh in Zuidoost-Drenthe arriveerde, liep de zomer ten einde. Naarmate hij er langer bleef, naderde de winter. Nergens in Nederland is de tegenstelling tussen zomer en winter zo groot als in de Veenkoloniën. Op 11 november noteert Van Gogh dat het in Nieuw-Amsterdam sneeuwt in de vorm van hagelstenen. Hij besluit zijn brief met ‘Drenthe is zóó mooi, zoo zeer pakt het me algeheel in en voldoet mij absoluut dat ik, indien niet vooral tijd hier kon zijn, ik liever ’t maar niet gezien had.’

Op 1 december zinspeelt hij op een tijdelijke terugkeer naar het ouderlijk huis in Nuenen, vermoedelijk uit geldgebrek. ‘Er is voor mij in Drenthe zeker een werkkring, maar ik moet van het begin af liefst het nog eenigszins anders kunnen opvatten, en ietwat meer vastigheid hebben in mijn finantiën.” En ook: “En hoe harder ik werk, hoe meer ik in 't nauw raak. We zijn nu op een punt dat ik zeg: momenteel kan ik niet voort.’

Op 6 december volgt ineens vanuit Brabant een verslag van de reis naar huis. ‘Op een stormachtigen namiddag met regen, met sneeuw. Deze wandeling heeft mij veel opgemonterd, of liever mijn gevoel was zóó in sympathie met die natuur, dat het mij meer calmeerde dan iets anders. Ik dacht dat het weerzien van thuis misschien mij juister inzicht kon geven in kwesties van wat ik doen moet. Drenthe is superbe, maar het er uithouden hangt van veel dingen af, hangt af of men bestand is tegen de eenzaamheid.’

Het betreffende boek Woest & ledig verscheen 11 november. (En ligt nu in de winkel, fluistert de verkoper in mij.) Dankzij lezer Annette Timmer, die Van Gogh-kenner Hans Luijten consulteerde, weet ik inmiddels dat Van Gogh met 'Michels' vermoedelijk de Franse kunstenaar Georges Michel (1763-1843) bedoelde.


Bartje vijftig jaar later, dankzij Tom Meijers straks te zien bij RTV Drenthe

Bartje (Jan Krol) en zien moe (Jantje Weurding)
Post van RTV Drenthe, mijn favoriete regionale omroep. Het bericht vraagt aandacht voor de documentaire Bartje: De Reünie van Tom Meijers die vrijdag 30 december op televisie wordt uitgezonden. Dat is mooi voor het carbid schieten aan.

Ik citeer volgens de methode van persbureau Knip & Plak:

“Wie Bartje zegt, zegt automatisch ook 'ik bid niet veur bruune bonen'. Dit jaar is het 50 jaar geleden dat de iconische Drentse tv-serie voor het eerst op de nationale beeldbuis te zien was. Het verhaal vertelt het leven van de familie Bartels, een arm Drents landarbeidersgezin. Om het 50-jarig tv-jubileum van Bartje te vieren, maakte RTV Drenthe-verslaggever Tom Meijers een documentaire over de serie. De documentaire is op vrijdag 30 december te zien op TV Drenthe.

Bartje neemt ons mee naar precies honderd jaar geleden. Het verhaal van Anne de Vries - die het schreef in de winter van 1934-1935 - speelt zich af in 1922. In 1972 komt er een televisieserie van het boek. Bartje wordt 'wereldberoemd in Nederland' en groeit uit tot hét symbool van Drenthe.

Bartje Bartels werd gespeeld door Jan Krol. Hij vat het moraal van het verhaal in de documentaire als volgt samen: 'Hoe een jongen op het Drentse platteland volwassen wordt en zijn idealen niet verliest.' Het gezin wordt door een streek van Bartje en zijn broer 'stotter' Arie uiteindelijk uit huis gezet, waardoor zij verhuizen naar het 'Armhoes' en vader zijn baan bij de boer verliest. ‘Je ziet Bartje opgroeien van jong gluuperdie naar volwassen kerel, die samen met vriendin en geit de wijde wereld in gaat’, zegt Krol.

‘Deze aflevering heet 'Bartje: De Reünie’, zegt Meijers lachend. De vader van een oude schoolvriend van Meijers is Hans Jalving, die in de serie Bartjes broer Arie speelde. ‘Ik vroeg hem begin dit jaar of het niet een leuk idee was om vijftig jaar na dato de acteurs weer bij elkaar te brengen, voor een reünie. Tot mijn grote verbazing zei hij dat er al een reünie gepland stond, die afgelopen 14 mei heeft plaatsgevonden. Daar hebben we de documentaire om laten draaien.’

De documentaire volgt de weg van Jan Krol en Jaap Schadenberg - die respectievelijk de jonge en oude versie van Bartje speelden - Hans Jalving en Ina Dekker (Lammechien), in aanloop naar de reünie. ‘Voorafgaand hebben we interviews opgenomen met deze vier hoofdrolspelers. Ook hebben we natuurlijk tijdens de reünie gefilmd.’

De documentaire is een mix van oude Bartje-beelden, de interviews en de reünie. ‘In voorbereiding op de draaidagen heb ik natuurlijk de hele serie weer teruggekeken', zegt Meijers, die met zijn 28 jaar de populariteit van de serie in de jaren zeventig niet bewust heeft meegemaakt.

Maar ook beseft Meijers dat we de serie in de tijdgeest van toen moeten zien. Qua verhaal, maar ook zeker qua manier van tv maken. ‘Het is wel écht slow television. Af en toe dacht ik: 'Waar zit ik naar te kijken?'. Maar als Jan vervolgens de moraal van het verhaal uitlegt, dan is dat spot on. En dan blijft dat ook hangen.’”