Schrijven = denken = leven

1 Gerard Stout Trouw
Een van mijn favoriete in Drenthe woonachtige schrijvers stond afgelopen zaterdag in dagblad Trouw. Zeer prominent over zes kolom in de bijlage 'De verdieping', met een foto van Reyer Boxem. Gerard Stout uit Peize had zich laten interviewen door Bert Nijmeijer – die komt uit Hoogeveen, maar woont in Groningen, net als Boxem.

Dat ik deze plaatsen prominent noem, heeft ermee te maken dat Stout zich in het verleden regelmatig een regionaal schrijver heeft genoemd. In veel van zijn boeken, en ik heb er nogal wat gelezen, is Drenthe het decor. Met name Zuidoost-Drenthe speelt in zijn boeken een belangrijke rol, ook omdat Stout daar geboren is.

In het interview gaat het veel over de fascinatie van Stout voor de Duitse avonturier en schrijver Johann Gottfried Seume (1763 – 1810). Stout vertaalde en bewerkte diens Wandeling naar Syracuse en Mijn leven. Daarna zette hij zich aan Mein Sommer uit 1805.

Het interview gaat echter vooral over wat schrijven voor een mens kan betekenen. Bij Stout, zo vat ik het samen, staat het gelijk aan denken. En denken staat vervolgens gelijk aan leven. Waar je dat doet, in Peize of New York, in Erica of Amsterdam, maakt niet uit.

De genoemde boeken heb ik nog niet gelezen. Wegens andere bezigheden heb ik mijn vinger niet durven opsteken. Daarbij: er zijn ook andere schrijvers die boeken schrijven. Dat zijn overigens, om niet te zeggen ‘vreemd genoeg’, meestal geen schrijvers die in Drenthe wonen.

Mijn laatste van Stout is overigens het 860 bladzijden tellende Eyoum. Chicken Curry Madras uit 2023, een werkelijk overweldigend boek dat zich niet laat samenvatten en waarin naar mijn mening alles zit – en staat – wat hem als schrijver uitzonderlijk maakt. Van harte aanbevolen.

Dat geldt ook het inleidende stuk in Trouw. Zie ook deze link en daarna vooral deze link.


Is 'De jongen die van de wereld hield' zelfplagiaat? Eigenlijk wel, aldus Tjibbe Veldkamp

2 Tjibbe Veldkamp Jaap Friso
Ik wil hier een van de hoogtepunten onder de aandacht brengen van festival Zomerzinnen, afgelopen zondag in Frederiksoord. Dat hoogtepunt betreft het optreden van jeugdboekenschrijver Tjibbe Veldkamp.

In De Proef, een voormalige tuinbouwschool, werd Veldkamp door de zeldzaam goed geïnformeerde Jaap Friso bevraagd over zijn werk als prentenboekenmaker (zie foto) en vooral over De jongen die van de wereld hield. Friso wees erop dat Veldkamp twintig jaar geleden al een boek had geschreven met hetzelfde verhaal als in zijn veelbekroonde boek.

Hier ben ik, heet dat boek. Friso had een exemplaar meegenomen. Gekocht via Boekwinkeltjes nadat een luisteraar van De grote vriendelijke podcast op het bestaan had gewezen. “Heb je plagiaat op jezelf gepleegd”, wilde Friso weten. “Eigenlijk wel”, antwoordde Veldkamp die sprak van een dieptepunt in zijn leven als schrijver.

1 Hier ben ik Tjibbe Veldkamp

Daarop vertelde Veldkamp over een telefoontje van ‘een enthousiast persoon’. Die hield hem voor dat hij tienduizend euro kon verdienen. “Dan moet je meteen ophangen, want dan zit er een addertje onder het gras”, hoorde ik hem zeggen. Maar ophangen deed hij niet. “Want ik hoefde alleen maar een boek te schrijven van zo’n honderd bladzijden. En het moest in zes weken af.”

(Ineens schoot mij te binnen dat Veldkamp op de avond van de uitreiking van het Beste Groninger Boek iets dergelijks had verteld. Toen, in Forum Groningen, deed hij voorkomen alsof dat nooit tot een boek had geleid. Omdat het hem niet lukte zijn verhaal binnen zo'n kort bestek te vertellen.)

Nu vertelde Veldkamp dat hij het op een rekenen had gezet. “Drie bladzijden op een dag – een makkie. Ik vond dat geld heel belangrijk. Want geld is schrijftijd. Met tienduizend euro kan ik maanden schrijven. Dus ik heb die opdracht aangenomen. Ik heb er niet veel over nagedacht, daar had ik de tijd niet voor. Ik begon met typen. Maar zo schrijf je geen boek, ik althans niet.”

Het boek in opdracht, Hier ben ik, werd een drama. “Achteraf bedacht ik dat het begin-idee over een man en een vrouw en een kind dat wil leven best goed was. Dat maakte het pijnlijk. Had ik een keer een goed idee… Ik had zo gefaald. Het zat mij zo dwars dat ik het wilde rechtzetten. Het idee waarin ik geloofde moest een mooi boek opleveren.”

Aldus geschiedde.

En toen moesten Rob van Essen en Frank Westerman nog geïnterviewd worden.


Rechten voor het dier of plichten voor de mens. Frank Westerman vertelt erover tijdens Zomerzinnen

Frank Westerman op de Witte Swaen Foto Cartrinus van der Veen Mediahuis Noord
Komende zondag mag ik tijdens festival Zomerzinnen in Frederiksoord Frank Westerman interviewen. Aanleiding is de publicatie van zijn boek Zeven dieren bijten terug, waarin hij aan de hand van zeven dieren die een rol hebben gespeeld in de ijzingwekkende ontdekkingsreizen van Willem Barentsz (1550 - 1597) lezers een spiegel wil voorhouden. Zeven dieren bijten terug gaat over hoe mensen naar dieren keken en kijken én over vreemd menselijk gedrag.

Het boek van Westerman zit vol merkwaardige voorbeelden van dat gedrag. Hij schrijft bijvoorbeeld over het Palingoproer dat eind negentiende eeuw ontstond toen het trekken van palingen als volksvermaak werd verboden, maar ook over hoe de mens de trek van de paling heeft verstoord door de bouw van de Afsluitdijk, waar nu weer miljoenen worden geïnvesteerd om die trek weer wel mogelijk te maken.

Hij schrijft over de Amsterdamse dragqueen Belinda Methol die tijdens het kamperen op Spitsbergen door een ijsbeer uit zijn tentje wordt gesleurd en daarna om het leven komt. Maar ook over hoe uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat de ijsberenpopulatie van Spitsbergen door de klimaatopwarming groeiende is en met gemak driehonderd kilometer kan zwemmen en daardoor als bloeddorstig knuffeldier niet in het gedrang is, maar oprukt.

Hij schrijft over elanden die vanuit Noorwegen de grens met Rusland oversteken, want wat is een grens voor een dier? In het land van aankomst worden ze gegijzeld door Russen, die vervolgens losgeld eisen. Maar hij schrijft ook over Russen die Syrische vluchtelingen op fietsjes de grens naar het vrije Europa laten oversteken, als politiek drukmiddel, wat een ander woord is voor intimidatie.

En hij schrijft over zijn bedenkingen bij de Ambassade van de Noordzee, een club vermoedelijk goed bedoelende mensen die onder meer rechten willen geven aan onbeschermd leven op en onder de zeespiegel. Westerman heeft daar bedenkingen bij. Hij vreest een verder juridisering van het leven, zonder bevredigende uitkomst, maar na afloop wel een vette rekening van  advocaten en adviseurs. Rechten voor het dier? Nee, zegt Westerman. Beter is: meer plichten voor de mensen.

Zondag dus. In Frederiksoord. Zie voor alle praktische informatie deze link.

(Eerder interviewde ik Westerman over zijn boek voor Dagblad van het Noorden en Leeuwarder Courant. Zie daarvoor deze link. Catrinus van der Veen maakte daar destijds bovenstaande foto bij.)


Kent de door Auke Hulst gecreëerde Slochter Vrijstaat wel kritische media?

1 Slochter Vrijstaat
Zaterdag woonde ik in het gehucht Woudbloem het Grote Midzomer Slochter Vrijstaat Festival bij. Ik was getuige van een uitzonderlijk evenement, georganiseerd door Leanne Nobel en Erik Wong van stichting Hoop voor Hoog Hammen.

Het bijzondere zat – en zit – erin dat het festival is voortgekomen uit het vorig jaar gepresenteerde boek In de Slochter Vrijstaat van de door Auke Hulst verwekte schrijver Jutta Koolhof. Nu, inmiddels drie dagen later, breek ik nog steeds het hoofd erover of eerder een festival is ontstaan uit een Nederlandstalig literair werk. Wie het weet, mag het zeggen. Berichten graag per mail.

(Diezelfde zaterdag verbaasde ik mij er met terugwerkende kracht ook over dat het boek In de Slochter Vrijstaat eerder dit jaar niet op de eindlijst met kandidaten voor Beste Groninger Boek is gezet. Niets ten nadele van de titels die wél op de shortlist zijn beland, en zeker ook niets ten nadele van de winnaar, het boek van Hulst had er beslist bij gemoeten.)

3 Slochter Vrijstaat

In Woudbloem werd het bedenksel van een autonome, welvarende en zelfvoorzienende staat aan de rand van wat ooit Nederland was, doodleuk uitgebreid. De fictie bewoog om te beginnen richting realiteit middels het zingen van een volkslied, een gesprek tussen ‘president’ Adriaan Hoogendoorn en 'schrijfster' Jutta Koolhof en de opening van een tentoonstelling getiteld Het fotorolletje van Jutta Koolhof.

Aansluitend waren er bus- en wandeltochten door de vrijstaat en ’s avonds bood het programma muziekoptredens van onder anderen Erwin de Vries en Never been to Berlin. Met name de bustocht was vermakelijk, mede door gids Johan Fluks, die de gelegenheid aangreep om Groningstalige liedjes te zingen waarvan ik er een herkende als Moeke, doar staait 'n vrijer oan de deur (fikedom, fikedom, fikederidom).

Hulst, zonder wie deze bonte wereld nooit had kunnen bestaan, onthulde ter hoogte van het gehucht Denemarken, aan de rand van Nationaal Park Slochter Vrijstaat, dat lezers van zijn roman Kinderen van het Ruige Land soms een poging doen te achterhalen hoe het vreemde uit zijn boek er in het echt uitziet. De huidige bewoner, die niet voor niets achteraf is gaan wonen, is daar weinig blij mee.

2 Slochter Vrijstaat
Terug in Woudbloem werd het boek van nog een hoofdstuk voorzien: een voordracht waarin Ineke Noordhoff als nieuw benoemde minister van Economische Zaken van de Vrijstaat haar beleid presenteerde. Samengevat komt het erop neer dat bewoners straks allemaal een basisinkomen van 1000 euro ontvangen, meer is niet nodig in het Koeweit op de klei. Voorts kondigde Noordhoff aan dat de winning van gas niet langer door een multinationaal, maar door de eigen Slochter Aardgas Maatschappij (SAM) ter hand wordt genomen. 

Aansluitend was er een persconferentie vol ontwijkende antwoorden van zowel minister Noordhoff als president Hoogendoorn. Kortom, het oogde allemaal zeer overtuigend en echt.

Wat mij tijdens de persconferentie opviel was het, laat ik zeggen, aarzelende functioneren van de lokale pers. Wat er aan vragen werd gesteld kwam van media buiten de Vrijstaat, zoals de Hornhuizer Courant, van mensen die in door Vrijstaters het verguisde Nederland wonen, of van individuen zonder medium, uitgever of perskaart van de Nederlandse Vereniging van Journalisten.

De Slochter Vrijstaat mag dan op dit moment over alles beschikken wat een vrij mens begeert, van eigen kritische media, die 24/7 het volk bestoken met berichten en onthullingen lijkt vooralsnog geen sprake. Een puntje van aandacht voor de nog te benoemen minister van Onderwijs, Cultuur, Wetenschap en Media. Waarmee ik wil beweren dat de Vrijstaat er goed aan doet tegengeluiden ruim baan te geven middels het 0 procent BTW-tarief.

Volgend jaar is er weer een Midzomer Slochter Vrijstaat Festival. Tot die tijd mogen bezorgers van Dagblad van het Noorden het gebied zonder pasje betreden, daar ga ik van uit. 


Denkend aan de nieuwe winnaar van de Anton Wachterprijs

Anton Wachterprijs
Zaterdag 22 juni, ook wel bekend als morgen, wordt in Harlingen de Anton Wachterprijs uitgereikt voor het beste Nederlandstalige prozadebuut van de afgelopen twee jaar. Omdat ik nog enigszins in de jurymodus verkeerde, las ik voor Dagblad van het Noorden en Leeuwarder Courant de zes genomineerden en sprak in dit stuk mijn voorkeur uit.

Vervolgens probeerde ik bij de organisatie het juryrapport los te praten. Om onder embargo een bericht in elkaar te kunnen zetten, want zaterdag ben ik de hele dag slingerend op pad om iets van de literaire evenementen in Noord-Nederland mee te krijgen. Er zijn er drie: Het Grote Midzomer Slochter Vrijstaat Festival in Woudbloem, het tweedaagse festival En daar achter in Warffum en het Literair Festival in Harlingen. Dat laatste evenement begint overigens na de receptie van de prijsuitreiking.

Maar nee, het rapport kreeg ik niet, hoe ik ook smeekte en met mijn perspas zwaaide. De organisatie zelf had het immers ook niet mogen inzien van juryvoorzitter Geart de Vries, werd mij verteld. Want de vorige keer, toen de winnaar wel vooraf bekend was gemaakt, leidde dat tot een verontrustende mediastilte bij de nationale pers. Gerbrand Bakker had daar achteraf schande van gesproken.

Vandaar dat dit keer is gekozen de spanning zoveel mogelijk op te voeren. Voor extra pret zijn alle genomineerden naar Harlingen gelokt om die spanning in aanwezigheid van het publiek aan den lijve te voelen en uit te stralen: Fien Veldman (Xerox), Dieuwertje Mertens (Moeders. Heiligen), Martien van Achtmaal (Het objectief), Gijs Wilbrink (De beesten), Tiemen Hiemstra (W.) en Rinske Bouwman (Een soort eelt).

Om 14.10 uur leest Geart de Vries zijn rapport voor. Aansluitend reikt de burgemeester van Harlingen, Ina Sjerps, mooie naam is dat voor iemand met een ceremoniële functie, de prijs uit.

Ik kijk op dat moment in Woudbloem hoe Auke Hulst samen met Jutta Koolhoven op de bus stapt voor een rondrit door de fictieve Vrijstaat Slochteren en denk dat tegen de tijd dat ik in Harlingen arriveer Gijs Wilbrink al dronken is.


Leest ‘Mijn hospita’ van Gerrit Kleis

Mijn hospita (2024) Gerrit Kleis
Een dikke maand geleden werd de 84-jarige Gerrit Kleis tot zijn verrassing benoemd tot stadshistoricus van Coevorden. De verrassing zat in het gegeven dat Kleis, over wie ik ooit dit bericht plaatste, al jaren stadshistoricus van Coevorden ís.

Nu is er een nieuwe verrassing. Artistiek Bureau heeft een boekje gemaakt waarin diezelfde Kleis herinneringen ophaalt aan Annet Eikeboom, de vrouw die halverwege de jaren zestig zijn hospita was toen hij in Amsterdam Nederlandse taal en letterkunde studeerde en later leraar werd aan onder meer het Barlaeus Gymnasium.

Een boekje over de hospita van een man die zijn dagen slijt in Zuidoost-Drenthe, wie zit daar op te wachten? Een enkeling, 250 mensen, hoop ik. Want zo groot is de oplage van Mijn hospita.

Het boekje is voorbeeldig in elkaar gezet, onder redactie en eindredactie van de zeldzame precieze Nick ter Wal. Die als baas van Artistiek Bureau ontwerper Martien Frijns inschakelde, de druk liet doen in Werkendam en het bindwerk liet verzorgen in Zaltbommel. Ik zou nog meer details kunnen opsommen, bij een mooi boek komt veel kijken, maar ik wil niet in de hoek van de bibliofielen belanden, de nerds van de papieren wereld.

Kleis was ooit zo’n nerd. Eind jaren zestig schafte hij een eigen pers aan. Halverwege de jaren zeventig zette hij als ‘drukker in de marge’ Sub Signo Libelli op met uitgaven in kleine oplagen van onder anderen Hans Warren, Gerrit Komrij, Boudewijn Büch en Louis Couperus. Zie verder dit interview van Nick ter Wal uit 2013.

In de wereld van Kleis, en Ter Wal, draait het om details. Zo kan het gebeuren dat de lezer op de eerste bladzijden van Mijn hospita wordt getrakteerd op een ongelofelijk nauwgezette beschrijving van de kamer die Kleis in de jaren zestig bij Annet Eikeboom huurde. De detaillering is functioneel. Kleis wil, denk ik, ermee benadrukken dat Eikeboom een belangrijke rol in zijn leven heeft gespeeld.

Wat mij nog meer bevalt, is hoe hij daarna over het leven van zijn hospita schrijft. Dat ze een zeer moderne vrouw was, wat niet altijd vanzelfsprekend is geweest. En vooral hoe ze zich staande wist te houden, ondanks relaties met de grote liefdes van haar leven, de atheïst en antimilitarist Anton Constandse en daarna de anarchist Hans Eikeboom. Twee activisten, zouden we nu zeggen. Twee narcisten misschien ook.

Haar echte naam was Johanna van Kerkvoorde (1896 - 1984), dochter van een gevallen vrouw uit Steenwijk die haar kind afstond aan een echtpaar dat via Appelscha in Enschede belandde. Johanna slaagde erin aan de gruwel van de Twentse textielindustrie te ontsnappen en werd uiteindelijk kinderjuf in Den Haag waar ze de vrijdenker Constandse leerde kennen.

Wat zeer fascinerend is aan Mijn hospita is de schijnbare achteloze wijze waarop Kleis laat zien hoe een vrouw uit ‘de lagere klasse’ haar waardigheid weet te handhaven, ook als ze vele illusies armer de eindjes aan elkaar knopend op latere leeftijd in Amsterdam toiletjuffrouw wordt. Waarom ken ik niemand die toiletjuffrouw is, bedacht ik mij. En zelfs: had ik maar zo’n toiletjuffrouw gekend.

Dat laatste zegt veel over het effect dat Kleis met Mijn hospita weet te sorteren. Bij mij althans. Stadshistoricus van Coevorden zijn is een eer. Mooie boekjes maken en postuum mensen in de marge eren doet daar niet voor onder.

Nu weer verder lezen.


Dit is ook Polen, een fotoboek van U.G. van der Korput

Dit is ook Polen
In maart dit jaar verscheen bij uitgeverij De Harmonie een vervolg op Net niet verschenen boeken van Gummbah, effectief getiteld Net niet verschenen boeken. Appendix. Omdat dit boek naar mijn mening te weinig is opgemerkt, vooral door anderen, wil ik het vandaag opnieuw onder de aandacht brengen.

Met het oog op het begin van het Europees Kampioenschap voetbal in Duitsland, waarbij onze Mannschaft komende zondag in Hamburg mag aantreden tegen Die Mannschaft van Polen is de keuze gevallen op bladzijde 34 en 35. Als de keuze was gevallen op bladzijde 36 en 37 had hierboven een spread gestaan met links de cover van de dichtbundel Draaimolen naar de hel van Bibi Leder en rechts het titelgedicht.


Leest ‘Gedeelde verhalen’ van Lisa Kuitert

Gedeelde verhalen Lisa Kuitert
Omdat ik het afgelopen jaar veel fictie moest/mocht lezen, schoot de non-fictie erbij in. In een poging een beetje bij te lezen, ben ik begonnen aan Gedeelde verhalen van Lisa Kuitert over de bijna 150 jaar omspannende geschiedenis van uitgeefconcern Veen Bosch & Keuning. Dat lezen gaat met sprongen, van voor naar achter en weer terug.

Zo’n vijftien jaar geleden voelde ik mij enigszins verwant aan VBK, zoals het concern afgekort heet. Het boekenbedrijf was in 2005 een fusie aangegaan met de NDC Mediagroep, uitgever van Dagblad van het Noorden en Leeuwarder Courant, mijn kranten.

Een of misschien twee jaar later, kregen we in de centrale hal van het krantenbedrijf aan de Lubeckweg in Groningen, een cassette met het verzameld werk van Gerard Reve uitgereikt, een uitgave van L.J. Veen. Als lijmmiddel vermoedelijk, al kan het ook een poging zijn geweest de ramsj voor te zijn.

Afgaand op het papier was de cassette ergens gedrukt in Tsjechië, zeker niet in de drukkerijen van Groningen of Leeuwarden. In entree naar die hal prijkten inmiddels aan de wand grote portretten van de VBK-succesauteurs als Nicci French, Nelleke Noordervliet en Geert Mak. Aan de Sixmastraat in Leeuwarden (foto) hangen ze nog, als is daar recentelijk een verbouwing begonnen.

NDC VBK Sixmastraat Leeuwarden
Een enkele keer had ik last van de fusie. Bijvoorbeeld als ik door een marketingmedewerker van één van vele uitgeverijen onder de VBK-paraplu erop werd gewezen dat het ook in mijn belang zou zijn als aandacht werd geschonken aan een VBK-titel. Hoezo? Wie schoot er iets mee op als ik zou schrijven dat schrijver zus of zo een belabberd boek had geschreven?

Of die keer in 2010 dat ik van mijn chef het verzoek ontving Renate Dorrestein te interviewen over haar roman De Leesclub, omdat ‘we’ daar een actie mee zouden doen, iets met een boottocht. De Leesclub was een uitgave van het NDC/VBK-onderdeel Contact dat twee jaar laten zou opgaan in Atlas Contact.

Ik reisde naar Wassenaar en voerde met Dorrestein een gesprek over onder meer het nadrukkelijk noemen van het whiskymerk The Famous Grouse in De Leesclub. Datzelfde merk was sponsor van voornoemde boottocht. Aan mij de taak lezers op het idee te brengen De Leesclub te kopen en zich aan te melden voor de tocht middels een kadertje onderaan mijn artikel.

Tijdens het gesprek ging het ook over de keer dat Dorrestein vrouwenglijmiddel Lubricare had opgevoerd in haar roman Mijn zoon heeft een seksleven en ik lees mijn moeder Roodkapje voor. Duizend euro had ze ervoor gekregen. Een schijntje voor een boek waar uiteindelijk honderdvijftigduizend exemplaren van zijn verkocht.

Met de vermenging van literatuur, commercie en journalistiek was niets mis, concludeerde Dorrestein. Zolang het maar duidelijk is en voor iedereen zichtbaar op tafel ligt. Ik schreef het allemaal zo transparant mogelijk op.

Lisa Kuitert staat in het vlot geschreven Gedeelde verhalen uitvoerig stil bij de fusie. En dus ook bij de oorzaak van het mislukken. Dat had zeker te maken met de aankoop van schoolboekenuitgeverij Thieme Meulenhoff voor heel veel geld, juist in een tijd dat het onderwijs op grote schaal begon te digitaliseren en de kredietcrisis uitbrak.

In 2012 werden NDC en VBK opgesplitst. “Er is geen synergie tussen boeken, kranten en educatieve uitgaven,” concludeerde directeur Wiet de Bruijn. De kranten bleven achter met een flinke schuld die het schrappen van banen noodzakelijk maakte.

Blijkbaar had ik mijn werk niet goed gedaan.

Wat onder meer goed is aan het boek van Kuitert is dat het laat zien dat de wereld van het uitgeven, vooral de laatste decennia, een wereld is geworden waarin in steeds hoger tempo vissen elkaar schrokkerig opeten. Dat was welbeschouwd al zo toen Lambertus Jacob Veen op 23-jarige leeftijd in 1887 in Amsterdam een uitgeverij begon, L.J. Veen. ‘Om een fonds op te bouwen moest hij beginnen met bestaande titels over te kopen van anderen’, schrijft Kuitert aan het begin van het boek.

Wat begon met het overkopen van titels, veranderde gaandeweg in het overkopen van auteurs, personeel, fondsen en daarna complete bedrijven. Dit voorjaar werd bekend dat VBK in zijn geheel eigendom wordt van de Amerikaanse uitgeefgigant Simon & Schuster. Zelf werd Simon & Schuster in 2023 voor 1,5 miljard euro gekocht door een private-equityfonds.

Aan het slot van Gedeelde verhalen schrijft Kuitert dit:

‘De geschiedenis van het bedrijf laat zien dat het evenwicht tussen kwaliteit en commercie soms kwetsbaar is. Dat de waan van de dag niet altijd een goede raadgever is, en dat fusies en alsmaar groeien rampzalige gevolgen kunnen hebben. Het zijn die lessen van wijsheid uit de geschiedenis waarmee het bedrijf de grote verwachtingen kan gaan waarmaken. Maar als er iets is wat hopelijk zal blijven hangen, dan is het wel dat uitgeven mensenwerk is.’

Nu weer verder lezen.


Het Verdriet van Drenthe keer terug, net als de TaalTheaterNacht in Emmen

Ik zinspeelde erop met dit bericht, er komt een nieuw deel in de essayreeks ‘Het verdriet van Drenthe’. Journalist Marijke de Vries treedt in de voetsporen van onder anderen Willem van Toorn, H.H. ter Balkt, Frank Westerman, Marcel Möring, Mariët Meester en Tomas Ross.

De Vries, opgegroeid in Nieuw-Amsterdam, schreef bijna vier jaar geleden voor dagblad Trouw een essay getiteld: ‘Als jongere liever vandaag dan morgen weg uit je geboortedorp: inzichten van een uitvlieger’. Als de link werkt en DPG heeft er geen betaalmuur omheen gebouwd, is het stuk hier nog na te lezen. De reacties destijds staan hier

Aanleiding voor het schrijven van De Vries is de terugkeer van de TaalTheaterNacht op vrijdag 22 november in Emmen ter viering van het 35-jarig bestaan van Stichting Taalpodium Emmen (STEM). De stichting, tegenwoordig onder meer bekend van het jaarlijkse Nederlands Kampioenschap light verse-dichten, organiseerde in 1990 de eerste en in 2007 de laatste TaalTheaterNacht.

Citaten afkomstig uit een vorig week verstuurd persbericht:

“In nauwe samenwerking met Facet organiseert STEM nu de 19de editie van de TaalTheaternacht. Twee artiesten van deze eerste TaalTheaterNacht komen ook nu, 35 jaar later, naar Emmen om voordrachten te geven: de Drentse schrijver Jan Veenstra en Jean Pierre Rawie, dichter en columnist van het Dagblad van het Noorden.

Het volledige programma, met landelijke, noordelijke en lokale schrijvers, dichters, muziek, kleinkunst, jong talent en meer, wordt direct na de zomer bekend gemaakt. Ook voor jongeren is er een prominente plaats ingeruimd. Op maar liefst 8 podia wordt er een boeiend programma geboden tussen 19.30 en 01.00 uur.

De TaalTheaterNacht vindt plaats op vrijdag 22 november bij Facet, in het centrum van Emmen. Inmiddels is de ticketverkoop gestart via de webshop van Facet. Voor jongeren t/m 21 jaar is het gratis toegankelijk (een ticket is wel noodzakelijk), voor 22 jaar en ouder voor een feestprijsje van slechts € 10,00.’


Opmerkelijkheden bij het overlijden van dichter, schrijver, vertaler en jurylid Willem van Toorn (1935 - 2024)

Willem van Toorn. Foto Ineke HolzhausUitgeverij Querido maakte vrijdagavond via een persbericht bekend dat Willem van Toorn is overleden. Het nieuws was in de uren daarvoor al rond gegaan via sociale media. Toch verraste het mij, om verschillende redenen.

Eerste reden is dat ik de dagen daarvoor had doorgebracht lezend in twee boeken die dankzij Van Toorn recent zijn verschenen: Kafka voor beginners en Ik moet u zo ontzettend veel schrijven. Een keuze uit de brieven van Franz Kafka. Twee jaar eerder was het door Van Toorn vertaalde Verzameld proza van Kafka verschenen. Kafka overleed vandaag – 3 juni – 100 jaar geleden.

Tweede reden is dat ik vorige week een interview uitwerkte waarin literatuurhistoricus Henk Nijkeuter onder meer vertelt hoe in Drenthe gereageerd kon (en kan) worden op boeken waarin een (vermeend) verkeerd beeld van Drenthe wordt geschetst. Willem van Toorn publiceerde in 1963 zo’n boek, de roman De toeschouwers.

Om een heel andere reden moest ik eveneens die vorige week denken aan de essay-reeks ‘Het verdriet van Drenthe'. Van Toorn leverde in 1995 een bijdrage aan deze reeks door terug te blikken op de gebeurtenissen na het verschijnen van De toeschouwers, volgens de auteur een somber getoonzette roman die gesitueerd was in een niet nader genoemd Drents dorp.

Hieronder een deel uit dat essay, met dank aan De krant van toen:

‘Geruime tijd na het verschijnen van het boek werd ik laat op een avond gebeld door een zeer kwade man. Hij was directeur van een Drentse VVV en van mening dat ik in mijn boek de provincie Drenthe had beledigd. Ik had dit gewest en zijn bewoners afgeschilderd als achterlijk en primitief.

Ik vroeg geschrokken af hoe iemand in godsnaam een provincie kon beledigen en of hij wellicht van mening was dat Gerard Kornelis van het Reve met zijn boek ’De avonden’ de stad Amsterdam of de provincie Noord-Holland had beledigd. (De vergelijking was niet helemaal uit de lucht gegrepen mijn jeugdwerk was zeker sterk beïnvloed door dat boek.) ’Daar noemt u ook wel een smerig boek’, riep de man nog kwader. En dat hij het er niet bij liet zitten. Ik begreep dat tegen deze woede geen argumenten zouden helpen en legde neer.

Korte tijd later stond er een paginagroot stuk in een veelgelezen landelijk ochtendblad waarin getergde inwoners meldden dat ze zich in het boek herkenden. Iemand wist zelfs het schoolhoofd aan te wijzen - terwijl deze figuur, zijn zelfmoord plegende vrouw en hun dochter toch werkelijk gebaseerd waren op Amsterdamse figuren uit mijn kindertijd. Ik vond het een vervelend relletje.

Natuurlijk had ik indrukken van mijn eigen verblijf in Drenthe in najaar en winter van 1956 gebruikt in het boek. Misschien had ik dat in mijn onervarenheid ook wel te doorzichtig gedaan. Maar even natuurlijk was ik er niet op uit geweest wie dan ook te ’beledigen’.

Ik was in Drenthe beland na een versnelde opleiding tot onderwijzer met een bonus van, als ik me goed herinner, 300 gulden van minister Cals, in die tijd van onderwijzerstekort op het platteland een enorm bedrag. Als je een baantje vond aan een twee- of driemanschooltje ontliep je daarmee de militaire dienst.’

Dankzij Henk Nijkeuter weet ik dat met het niet nader genoemde Drentse dorp door Van Toorn Lheebroek  werd bedoeld.

Alsof dit alles niet genoeg was, werd zaterdagmorgen de winnaar van de Buddingh’-prijs bekendgemaakt: Sytse Jansma met Rozige maanvissen. Ook dat gebeurde via een persbericht, met daarin de melding dat de Buddingh’-prijs sinds 1988 wordt uitgereikt.

De eerste ging naar Elma van Haaren met De reis naar welkom. In de jury zat destijds… Willem van Toorn.