Over vrouwen in de nieuwe Nederlandstalige literaire canon

HellaHaasse
Geamuseerd volg ik ‘het debat’ dat is voortgevloeid uit de bekendmaking van de nieuwe Nederlandstalige literaire canon, afgelopen weekend. Zoals te verwachten viel, gaat het vaak over het geringe aantal vrouwen.

Mijn eerste gedachten daarbij: als het anders had gemoeten, dan hadden meer mensen een andere voorkeur kenbaar moeten maken. Waarom hebben zij dat niet gedaan? Wat weerhield hen? Waarom mopperen op mensen die wel de moeite hebben genomen om de enquête in te vullen? Nu is het wat het is.

In dit verband een citaat uit de column van Aleid Truijens in de Volkskrant van dinsdag:

'Toch weer veel dode, witte mannen', concludeert Toef Jaeger in NRC Handelsblad. Ze heeft gelijk, al lijkt me 'dood' een goed criterium met het oog op de eeuwigheid; over de eigen tijd is het lastig oordelen.

De opmars van gecanoniseerde vrouwen is traag. De top-100 telt maar 24 vrouwen (in 2002 11). Weliswaar staat er nu één vrouw in de top-10 van schrijvers die het vaakst genoemd werden: Hella S. Haasse, op nummer 8 (in 2002 op 26), maar in de top-10 van 'belangrijkste auteurs' staan alleen mannen; Haasse staat daar op plaats 24. In de top-10 gekozen door mannen staat niet één vrouw.’

Truijens gooit hier nogal wat lijstjes op een hoop. Als we alleen naar de lijst met honderd literaire werken kijken, lijken er dit keer meer dan twintig titels door een vrouw geschreven. Dat aantal kan hoger zijn, want van sommige titels is onbekend of ze door een vrouw zijn geschreven, zoals Mariken van Nieumeghen. Het aantal kan ook lager zijn, want wat geeft de samenstellers van de canon het recht om het geslacht van auteurs* vast te stellen?

Ik sluit mij aan bij wat Anton Prins dinsdag in NRC schrijft. (De tweede titel, Handelsblad is een tijd geleden geschrapt, over taalverarming gesproken.) Prins stelt terecht dat niet de etnische of geslachtelijke identiteit van de schrijver, maar de werken zelf het ijkpunt behoren te zijn.

Hij (of misschien zij of die) schrijft dat het niet meer dan logisch is dat in een Noord-Europees land als Nederland meer blanke schrijvers in de canon zijn opgenomen en dat het gezien de historische rolverdeling tussen mannen en vrouwen ook niet bijzonder opmerkelijk is dat er gemiddeld minder vrouwen in de canon staan.

‘Wellicht dat Nederland nu in etnische zin diverser is dan voorheen, en dat sinds de vorige eeuw vrouwen steeds meer vrijheden hebben verworven die voorheen alleen de heren beschoren waren; vroeger was dit anders en hoewel er wellicht nog altijd ondergeschoven kindjes zijn in de literatuur uit het verleden, is de wens meer ‘dode witte mannen’ in de canon de deur te willen wijzen im Ganzen irreëel.’

Het is waar, dé canon bestaat niet. Wat wel bestaat is permanente twijfel. Hieronder titels van werken in de canon die vermoedelijk door een vrouw zijn geschreven. Dit met de nadrukkelijke aanbeveling deze titels vooral te lezen:

  • Oeroeg – Hella S. Haasse
  • Het Achterhuis – Anne Frank
  • De historie van mejuffrouw Sara Burgerhart – Betje Wolff & Aagje Deken
  • Heren van de thee – Hella S. Haasse
  • De Avond Is Ongemak – Marieke Lucas Rijneveld*
  • Het Bittere kruid – Marga Minco
  • Eva – Carry van Bruggen
  • De wetten – Connie Palmen
  • Eenzaam avontuur : roman – Anna Blaman
  • Het woud der verwachting : het leven van Charles van Orléans – Hella S. Haasse
  • De tweeling – Tessa de Loo
  • De tienduizend dingen – Maria Dermout
  • Pluk van de Petteflet – Annie M.G. Schmidt
  • Vallen Is Als Vliegen – Manon Uphoff
  • Mijn lieve gunsteling – Marieke Lucas Rijneveld*
  • Kruistocht in spijkerbroek – Thea Beckman
  • Een revolverschot – Virginie Loveling
  • Het smelt – Lize Spit
  • Parken en woestijnen – M. Vasalis
  • De brief voor de koning – Tonke Dragt
  • Hoe duur was de suiker – Cynthia McLeod

Leest 'Bijna op de radio' van Nico Dijkshoorn

Bijna op de radio Nico Dijkshoorn1
Voor een bespreking in Dagblad van het Noorden en Leeuwarder Courant lees ik de nieuwe roman van Nico Dijkshoorn, Bijna op de radio. Ik heb een zwak voor Dijkshoorn. Dat is ontstaan in de tijd dat hij als P. Kouwes gedichten publiceerde waarvan ik lange tijd niet wist of het wel gedichten waren. Hij deed dat zo consequent en in zo’n hoog tempo, schrijven en publiceren, waarop ik besloot, ook om er maar van af te zijn, er zijn belangrijker zaken op de wereld, dat het inderdaad gedichten waren.

Mijn zwak nam iets af toen hij onder zijn eigen naam met zijn grijnzende kop de buis begon te verschijnen. Niet dat hij daar iets aan kon doen, behalve wegblijven, hij zou gek zijn, want het leverde hem een groot publiek op en veel optredens vermoedelijk. Welke schrijver wil dat niet? Ik herinner mij zo’n optreden tijdens het Open Dicht Festival in de bossen van Schoonoord, waar het grote publiek ineens heel klein bleek te zijn. Welkom in Drenthe.

Ik heb daar nog een foto van. Ik plaats hem hierbij. Toen ik 'm eerder plaatste, kreeg ik terstond mail van Dijkshoorn, of hij een kopie mocht hebben. Zelfspot. Het pleitte enorm voor hem. Later heb ik hem een keer geïnterviewd, telefonisch. Het bleek geen man die graag moeilijk doet.

NicoDijkshoornSchoonoord1
Dijkshoorn debuteerde in 2009 als romancier met De tranen van Kuif den Dolder, over een mythische voetballer uit Uffelte. Daarna las ik van hem wat op mijn pad kwam. Dat was best veel, los van de columns, want die ging ik uit de weg. Met name zijn romans In zijn nabijheid en Ooit gelukkig fascineerden mij zeer. Wereldschokkende literatuur maakt hij weliswaar niet, maar ik las en lees het steeds met bewondering en vooral veel plezier.

Dat geldt ook Bijna op de radio, een boek in het verlengde van De tranen van Kuif den Dolder, maar dan over een bandje dat het nooit heeft gemaakt. De vorm is vertrouwd: de drummer, bassist en zanger-gitarist van de band Tire Pressure vertellen aan een anonieme interviewer hoe het volgens hen komt dat ze geen succes hebben geboekt. Brokjes kale interview zonder beschrijvingen zijn het. Soms worden de uitspraken aangevuld door ooggetuigen, zoals concertgangers en mensen met wie de band vruchteloos heeft samengewerkt.

Op bladzijde 131 gaat het ineens over de avonturen in Drenthe:

SIKKO: Ja. De Amer. Home of the gore gehaktbal. Dat was een dingetje. Alle andere muzikanten die wij kenden hadden het over de gehaktbal van De Amer. Als je ’s nachts bij een benzinestation een andere band tegenkwam dan stond je binnen vier minuten over die gehaktballen te lullen. Lyrisch waren ze. Ik vroeg af en toe wat, voor de vorm. ‘Zijn ze handgekneed?’ Een gehaktbal uit De Amer eten en dan sterven, dat was eigenlijk het idee. Toen wij er speelden hing die hele kroeg vol met foto’s van Cuby. Wist je meteen waar hij aan was overleden.

PETER: Kruidnagel. Het had niets met gehakt te maken. Twee kilo kruidnagels, daar samen met je kinderen een week op je blote voeten doorheen banjeren, balletjes van kneden en dan voor vier gulden per stuk verkopen.

SIKKO: Ze kookten ze, in water. Als de bal boven kwam drijven, was-ie gaar. Ik weet alles over die kutballen. Ze raakten er niet over uitgeluld. Dat is later nog in een liedje van Peter terechtgekomen. ‘Gray Balls Of Fire’, met zinnen als ‘Spicing it up with herbnails, take your balls into my mouth’.

PETER: Met die burgemeester dachten we het wel te hebben gehad, qua couleur locale-gekte, maar die gek houdt op en geeft het woord aan Johan Derksen. Wij stonden nog steeds doodstil op het podium. In mijn herinnering heeft Derksen drie kwartier over Cuby and the Blizzards staan vertellen. Hij droeg ook de oude trui van Cuby, die hij aan had toen hij ‘Window Of My Eyes’ zong. Dat was volgens Johan dan het beste wat ooit in Nederland was gemaakt. Kreeg je, toen al, weer die hele riedel dat muziek pas muziek was als je ergens in Drenthe ging staan zingen dat je die ochtend weer wakker was geworden. Laten we gewoon even eerlijk zijn: Cuby zong zo slecht Engels dat het op Hongaars leek. Ik heb heel lang gedacht dat Cuby verwekt was tussen de paprika’s en de ossenstaarten, ergens achter in een Hongaars restaurant.’

Nu weer verder lezen.


Een boek ter bestrijding van de ontlezing (2)

Cover_JoepvanRuitenJe zou mij op de hoogte houden over dat boek van jou. Is er nog nieuws?

- Nieuws, nieuws. Dat boek van mij is wel belangrijk, maar toch ook weer niet zo belangrijk dat ik er nieuws van wil maken. Dat moet je als schrijver niet willen, nieuws maken. Dat is meer iets voor journalisten. De tekst, de autonome inhoud, die moet het doen.

Laat ik het dan anders formuleren: Hoe gaat het?

- Wel goed, denk ik. Zeker weten doe je dat nooit, ik althans niet. Ik word altijd een beetje verlegen als mensen vragen hoe het gaat. Want hoe gaat het nu echt? Wat betreft het boek, dat gaat goed. Ik heb het manuscript teruggekregen met een aantal voorgestelde correcties en suggesties. Ik vreesde het ergste, maar het valt alleszins mee. Ze zijn heel beleefd en vriendelijk bij uitgeverij kleine Uil.

Slechts twee dingen zeker: alles schrappen, en opnieuw beginnen.

- Ja, leuk, grappig. Nee. Iets eruit, tikfoutjes vooral. Twee stukken eruit, drie erbij. Als ik dat zou willen. ‘Want het is jouw boek,’ zei de redacteur op de toon van iemand die zijn handen liever niet ziet branden. Daarop ben ik er opnieuw voor gaan zitten. Het was nog een behoorlijke klus. Geeft niets. Als ik het anders had gewild, had ik beter kunnen aankloppen bij zo’n uitgeverij waar ze geblinddoekt op de printknop drukken en er een kaft omheen plakken die al opkrult terwijl jij nog met lezen moet beginnen. Ik ben door naar de volgende ronde, geloof ik.

Vorige keer maakte je je zorgen over de papierschaarste. Hoe staat het daarmee?

- Ik hoor er weinig over, maar het zal er vast nog zijn, misschien komt het weer terug. Ik heb er een andere zorg bij: de crisis. Kunnen mensen straks mijn boek nog wel kopen? Het kan zomaar dat ze het geld voor iets anders nodig hebben.

Voor de energierekening bedoel je? Het kabinet heeft plannen bekendgemaakt om die kosten te dempen.

- Dat is waar, dat is een kleine geruststelling. Zelf had ik gedacht dat als mensen een boek kopen, mijn boek, dat ze op tijd naar bed kunnen. Lekker lezen onder de dekentjes. Dat is goedkoper en aangenamer dan op de bank bij 15 graden naar een talkshow op de buis kijken of je zorgen wegzuipen in een bruinig café dat door gebrek aan personeel niet langer wordt schoongemaakt. Leerzamer ook. Win-win.

Goed bedacht.

- Dank je. Waar ik nu voor vrees, is een te zachte winter.


Leest ‘Etty Hillesum. Het verhaal van haar leven’

Etty Hillesum
Ik lees voor Dagblad van het Noorden en vermoedelijk ook de Leeuwarder Courant, dat laatste weet je nooit, soms wijken Friezen op het laatste moment van gezamenlijke plannen af, al gaat het de laatste tijd beter, de biografie Etty Hillesum. Het verhaal van haar leven. Schrijver is Judith Koelemeijer. Volgens het nawoord heeft ze tien jaar aan haar boek gewerkt. De presentatie is vandaag, dinsdag 20 september.

Dat ik de biografie van Etty Hillesum van belang vind voor de lezers van mijn krant(en) heeft deels te maken met het gegeven dat zij een paar jaar van haar leven in Winschoten heeft doorgebracht. Geen bepalende jaren, weet ik. Ze was vier jaar toen ze als dochter van een leraar klassieke talen in Winschoten arriveerde. Ze was elf jaar toen het gezin naar Deventer verhuisde waar vader conrector kon worden.

Dat Koelemeijer over de Oost-Groninger jaren schrijft, heeft ermee te maken dat het verblijf iets zegt over het karakter van haar vader. Louis Hillesum was een man die zichzelf probeerde op te werken via het onderwijs. ‘Een carrière als leraar betekende veel verhuizen, gestaag dienstjaren opbouwen, streven naar een steeds hogere jaarwedde, en als bekroning hopelijk de gooi naar het (con)rectorschap,’ schrijft ze.

De vader van Etty Hillesum was een job-hopper. Na anderhalf jaar in Tiel solliciteerde hij naar de baan van conrector aan het gymnasium van Winschoten. Het Winschoter gymnasium had volgens Koelemeijer op dat moment een slechte naam. Het totale aantal leerlingen was met 31 tot een dieptepunt gedaald, en het voortbestaan van de school had in de voorgaande jaren in de gemeenteraad herhaaldelijk ter discussie gestaan.

Ze schrijft ook dit:

‘Vooral in Winschoten en Deventer werd er vreselijk geroddeld over mevrouw Hillesum, die zo raar Nederlands sprak, met een rollende r, en in wier huis het een chaos was. Ze had ‘’n hoeshòln van Jan Stain’, fluisterden de huisvrouwen op z’n Gronings in het noorden.’

Hierbij is het goed om te weten dat de moeder van oorsprong uit Rusland kwam en dochter Etty een moeizame verhouding met haar had. De temperamentvolle moeder vluchtte ooit voor barre omstandigheden en pogroms door verkleed als soldaat op de trein naar het Westen te stappen. Een van de knappe staaltjes in de biografie is dat Koelemeijer erin is geslaagd deze Russische wortels van de familie bloot te leggen.

Die Russische komaf wordt later nog een keer belangrijk als de moeder vanuit Amsterdam op de trein naar Westerbork dreigt te worden gezet. Ze probeert dit te voorkomen door de Duitsers te wijzen op haar papieren waarin wel staat dat ze uit Rusland komt, maar niet dat ze joods is. Vader Louis en dochter Etty hebben zich er dan al bij neergelegd dat ze joods zijn en hun lot moeten ondergaan. Moeder komt binnen het gezin min of meer alleen te staan.

Nog even terug naar Winschoten. Hoewel er geen – voor de biografie – cruciale gebeurtenissen hebben plaatsgevonden, vond Koelemeijer het toch nodig om naar Groningen te reizen en het huis te bezoeken.  

‘De familie Hillesum woonde in Winschoten in een ruime, pas opgeleverde tweeondereenkapwoning aan de Oranjestraat 2. Het huis had een zolder, die je via een steile trap kon bereiken. Een lange, smalle ruimte onder het puntdak; alleen in het midden kon je er rechtop staan. In de schuine zolderwand bevond zich een raampje met een uitzetijzer, zodat je het kon opendoen om te luchten. Honderd jaar na dato zit dat raampje er nog steeds.’

Nu weer verder lezen.


Een boek ter bestrijding van de ontlezing

Najaarsfolder Uitgeverij Kleine Uil
Ik lees in de najaarsbrochure van uitgeverij kleine Uil dat jij met een boek komt.

– Ik zag het ook. Ik schrok zelfs een beetje. Ik bedoel, ik weet er natuurlijk van, ze doen bij kleine Uil niets tegen mijn zin, dit keer, maar, ja, ehh, het is even wennen. Ik heb alleen nog maar een manuscript ingeleverd. Misschien zien ze bij nader inzien alsnog van af.

In een brochure wordt toch geen boek aangekondigd dat niet komt?

– Dat zou je inderdaad zeggen. Maar toen die brochure gemaakt werd, had ik nog niets ingeleverd. Dus… En stel dat de redacteur ziek wordt. Of dat het papier ineens nog schaarser wordt. Of de hemel naar beneden komt. Ik bedoel, er kan vanalles misgaan. Zo sta ik er in.

Je zeurt. Wat wordt het voor een boek?

– Als het verschijnt, wordt het een boek ter bestrijding van de ontlezing. Het wordt een boek met verhalen, beschouwingen en stukjes van mijn hand. Zelf geschreven. In zekere zin autobiografisch. Met motto’s en kleurenfoto’s. Volgens de flaptekst wordt ‘gebruikmakend van verschillende journalistieke en literaire genres verteld over afkomst en identiteit, leegte en vervulling, kunst en cultuur, boeken en beelden’.

Toe maar.

– Ja, het is een hele mond vol, en goed geformuleerd. Ze kunnen er wat van bij kleine Uil. Het klinkt misschien overdreven, maar het is niet gelogen.

Op de foto kijk je een beetje bozig. Zo ken ik je helemaal niet.

– Dat zeiden ze hier thuis ook. Aan de andere kant: ik heb niet eerder met een foto in een brochure van een uitgeverij gestaan. Terwijl er toch wel eerder boeken van mijn hand zijn verschenen. Misschien hoort het zo, anders was het niet gebeurd. Het is allemaal nieuw voor mij. Het gaat niet om de foto, het gaat vooral om het boek. Kijken mag, maar lezen moet. 

Wanneer verschijnt het?

– In november. Als de wereld dan nog bestaat. Ik hou je op de hoogte.


Over de Dagblad van het Noorden Streektaalprijzen

Erwin de Vries Streektaalprijs
Nog iets naar aanleiding van het zomernummer van het Drents letterkundig tiedschrift Roet. In het redactioneel, Veur de leesder, wordt mopperend teruggeblikt op de uitreiking van de Dagblad van het Noorden Streektaalprijs:

‘Het liekt ons een hiele prestatie van de jury um tot een winnaar te kommen aj ziet welke boeken genomineerd wordt. Der mot keuzen worden oet poëzie, romans, een vertaoling, een kookboek en een tiedschrift. Al dit wark valt binnen ien en dezölfde categorie. Kom daor maor ies oet. Niet te doen dus.

Oetiendelijk wun Roelof Keen met het Drentstaolige kookboek Koken met Keen, umdat het ‘de streektaal op een mooie manier toegankelijk maakt voor iedereen.’ Dizze motivatie rop de vroag op waar het nou oeteindelijke um giet bij die Streektaalpries. Giet het um de literaire kwaliteit van een boek of bundel of is streektaolpromotie het belangriekste doel? Dat is volstrekt ondudelijk.’

Met dat laatste scoort de redactie van Roet beslist een punt. Ook ik, lid van de redactie van Dagblad van het Noorden, vind het lastig te achterhalen wat nu precies het regelement is van de DvhN Streektaalprijs. Het zal vermoedelijk ergens in Groningen in een lade liggen. Als ik er weer eens kom, zal ik navraag doen bij het redactiesecretariaat.

In de tussentijd doe ik, een van de initiatiefnemers van de prijs, een greep in mijn geheugen. De Dagblad van het Noorden Streektaalprijs is eind 2005 in het leven geroepen ter bekroning van ‘het beste streektaalproduct van het afgelopen jaar.’ Daarbij is destijds geen strak onderscheid gemaakt tussen de productsoorten. Het kunnen zowel boeken, albums en dvd’s zijn, maar ook theater en festivals. Meestal zijn het boeken en albums, voorheen cd’s.

Aanvankelijk werd met streektaal het Drents en het Gronings bedoeld. Later is daar het Stellingwerfs aan toegevoegd, dit vanuit het idee dat de krant met de prijs culturele en kunstzinnige uitingen wil stimuleren, bekronen en belonen in streektalen die worden gebruikt in het verspreidingsgebied van het Dagblad van het Noorden.

De moeilijkheid zit in het woord ‘beste streektaalproduct’. Zelf ben ik van mening dat de prijs moet gaan naar ‘iets’ dat je ook zou aanbevelen bij mensen die geen Drents, Gronings en Stellingwerfs kunnen lezen of verstaan, iets waar langere tijd plezier aan kan worden beleefd of bewondering naar mag uitgaan. Kijk eens wat ze voor fraais hebben gemaakt.

Echter, wat onder beste wordt verstaan is aan een ‘deskundige jury’. Blijkbaar vonden Eric van Oosterhout, Fieke Gosselaar, Geesjen Doddema, Jannie Kuipers en Jan Wierenga de laatste keer het kookboek Koken met Keen het beste. Dat kan, ik heb dat boek niet gelezen. Het zal mij echter verbazen als in het zoekgeraakte reglement staat dat het winnende boek literair of letterkundig moét zijn.

In het eerste jaar van het bestaan werd de prijs in slechts een categorie uitgereikt. Henk Nijkeuter won in 2006 met De dichter en de wichter, een deels in het Nederlands en deels in het Drents geschreven monografie annex bloemlezing over Hans Heyting. Een jaar later ging de prijs naar twee bloemlezingen met respectievelijk Drentse en Groningse poëzie, beiden uitgegeven door kleine Uil. Sinds 2008 worden ook prijzen uitgereikt voor streektaalmuziek.

Als de DvhN Streektaalprijzen blijven bestaan, ik weet het niet, ik ga er niet over, kan het zomaar zijn dat-ie vroeg of laat een keer naar het Drents letterkundig tiedschrift Roet gaat. Als ik de redactie van Roet was, zou ik van het komende harfstnummer een speciale editie maken die genomineerd kan worden. Gebonden en fraai vormgegeven. Of nog beter: als e-zine en download met gezongen of ingesproken bijdragen.

Hieronder, ook ter inspiratie, de eerdere winnaars, waarbij het genoemde jaar het jaar van uitreiking is:

2022

Antwoord – Erwin de Vries (muziek). Foto boven.

Koken met Keen – Roelof Keen (boeken)

2021

Geen uitreiking. Wel een Dagblad van het Noorden-oeuvreprijs voor Jan Germ op basis van zijn verdiensten op het gebied van de streektaal.

2020

De wolf is trug – Jan Henk de Groot (muziek)

Maagie in het ies – Marga Zwiggelaar (boeken)

2019

Raif – Marlene Bakker (muziek)

De paddenvanger – Anne Doornbos (boeken)

Sikkom Kult –­ Irene Wilkens (publieksprijs, muziek)

2018

Lena – Leny Hamminga (boeken)

De Menalda Vetes – Theatergroep Waark (theater)

Daor stiet je fiets – Harm en Roelof (publieksprijs, muziek)

2017

De noodzoak – Erwin de Vries (muziek)

Roelie de Weerd – Waorum geleuft gieniene mij nou? (boeken)

2016

Evenwicht  – Martijje (muziek)

Een vrouw van ivoor – Johan Veenstra (boeken)

2015

Weerom – Jan Henk de Groot (muziek)

Veenbraand – Suze Sanders (boeken)

2014

De Bosklopper-tapes – Bert Hadders en de Nozems (muziek)

Weerzain – Chris Kiel (boeken)

2013

Dubbel glas – Jan Glas (boeken)

Drèents Liedtiesfestival  – Huus van de Taol / RTV Drenthe (muziek)

2012

Moest lezen – Sietze van der Hoek (boeken)

Drentse Bluesopera – Peergroup (theater)

2011

Hotel an ‘t spoor – Martin Koster (boeken)

Wiede leegte mit daipte – Stichting Landschap Oldambt (film)

2010     

Allennig III –Daniël Lohues (muziek)

Et geheim van de wiend – Johan Veenstra (boeken)

2009

Allennig II – Daniël Lohues (muziek)

In paradisum – Gerard Stout (boeken)

2008     

Straks is t weer janken – Harry Niehof (muziek) 

Rilke, Sieben Niedersaksisch – uitgeverij AfdH (boeken)

2007

Bloemlezingen 100 mooiste Drentse en Groningse gedichten – Uitgeverij kleine Uil (boeken)

2006

De dichter en de wichter – Henk Nijkeuter (boeken)


Roet brengt ‘Nedersaksisch oet d’Achterhoek.’

Na edities met werk van Groningstalige en Overijsselse schrijvers en dichters staat het zomernummer van het Drents letterkundig tiedschrift Roet in het teken van het Nedersaksisch oet d’Achterhoek.

Op voorspraak van gastredacteur Hans Mellendijk heeft de Roet-redactie voor het themanummer werk geselecteerd van Derk Jan ten Hoopen, Annemarie Damveld, Joop Hekkelman, Ina Brethouwer, Sebastiaan Roes, Ineke Berentschot, Bert Scheuter, Hans Keuper, André van Gessel, Else Klomps, Lucy Legeland en Jack Weijkamp.

Mellendijk zelf bijt het spits af met een interview en een ruraal klankgedicht getiteld Old geluud uut ’t zicht van ’t oor. Ik moest even wennen aan het Achterhoeks als schrijf- en leestaal, maar al doende leert men en na een beetje inspanning is het ook voor een lenig lezende leek prima te volgen.

Old geluud uut 't zicht van 't oor Hans Mellendijk

Uit een begeleidend persbericht valt op te maken dat er hierna nog een nummer met een Nedersaksische variant volgt, dan in het Stellingwerfs. De editie Achterhoek is te bestellen via deze link.


Pop-up bankkantoor tussen de boeken

IMG_0743
Sinds enige tijd hebben we hier geen bibliotheek meer. Dat wil zeggen: er zijn in de gemeente Emmen nog wel gebouwen waar je boeken kunt lenen en terugbrengen, maar de ruimte in die gebouwen wordt meer en meer voor andere doeleinden gebruikt. De andere doeleinden zijn zo dominant dat tot een naamsverandering is besloten.

De bibliotheek heet sinds april Facet. Volgens de directeur-bestuurder slaat de nieuwe naam op ‘de veelzijdigheid van Emmen en haar inwoners en het brede aanbod van nieuwe diensten’. De bibliotheekvlag dekt de lading niet langer, helemaal sinds een fusie met de resten van een kunstencentrum dat is overgebleven na een faillissement.

Een blik in een taalgids had duidelijk kunnen maken dat in een dergelijk geval het meervoud van Facet een betere keuze was geweest. Misschien zijn de taalgidsen afgeschreven, maar het past in een lijn. Steeds meer openbare bibliotheken gaan op in grotere gehelen en verdwalen in gebouwen waar het aantal boeken afneemt. Forum in Groningen, Rozet in Arnhem, DNK in Assen, Stadkamer in Zwolle, LocHal in Tilburg – allemaal centra waar lezen ondergeschikt is aan beleven.

Bij het aanbod aan nieuwe diensten moet onder meer gedacht worden aan ‘mensen een stapje verder helpen met de basisvaardigheden die ze nodig hebben in de maatschappij, zoals digitale vaardigheden’. Hoe belangrijk dat laatste is, werd duidelijk toen de bibliotheken tijdens de coronapademie door de overheid werden aangewezen als essentiële dienstverleners.

Terwijl diezelfde bibliotheken eerder tijdens de lockdown hun deuren voor publiek moesten sluiten, werden ze omgekat tot Informatiepunten Digitale Overheid (IDO) en kregen ze ineens een uitzonderingspositie. Niet omdat ze het naar kunst en cultuur hongerige publiek van boeken konden voorzien, ze mochten een taakje van de steeds verder terugtredende maar digitaal verslaafde overheid vervullen.

Vorige week ontving ik een verlaat persbericht van Facet. Het had betrekking op de nieuwste ontwikkeling bij Facet in Klazienaveen, voorheen de bibliotheekvestiging aldaar. Ik citeer:

‘Sinds 1 juli jl. heeft de Rabobank zijn intrede genomen in Facet Klazienaveen.

Klanten van de Rabobank kunnen zonder afspraak voor alle bank gerelateerde zaken terecht bij het pop-up kantoor op de maandag-, woensdag-, en donderdagmiddag tussen 13.30 en 17.00 uur. Een pinautomaat is helaas niet aanwezig. Hiervoor dient u naar een Geldmaat te gaan, welke u o.a. kunt vinden bij Boekwinkel Omlo en de Praxis in Klazienaveen.

De komende periode zal de ruimte waar de Rabobank zich nu bevindt, optimaliseren binnen Facet Klazienaveen.’

Een goede lezer weet genoeg.


Bij een interview met Jante Wortel

Jante Wortel signeert
Pratend over haar debuutroman Weerlicht, waarin Jante Wortel vertelt over een meisje met een stoornis en een neiging tot zelfdestructie, ging het op een gegeven moment over waarom iemand autobiografisch wil schrijven en dat vervolgens publiceren. ,,Ik denk dat het een drang is om gezien te worden”, antwoordde Wortel, ,,om bevestiging te krijgen, om uitzonderlijk te willen zijn.”

Eerder had ze verteld over haar deelname aan Kunstbende en Write Now en de bekroning met de Drentse Talentprijs Cultuur. ,,Die prijzen vormden een bevestiging dat wat ik deed talentvol was. Het verhoogde de druk, maar ik zou het lastiger vinden als ik middelmatig ben”, zei ze. “Een zesje is net niks. Als ik iets doe, wil ik het goed doen.”

Meer dan middelmatig, vatte ik samen.

,,Het is niet dat ik dit verhaal koos om uitzonderlijk te zien”, sprak Wortel. ,,Het is meer dat ik dacht: Als ik dit vertel, is dat weliswaar heel eng, maar het zou bijzonder kúnnen zijn. Het is ook voor mij spannend als het op het randje zit. Durf ik dit wel te schrijven? Durf ik dit wel te publiceren? Dan staat er iets op het spel.”

Daarna trok ik de vergelijking waarvan ik mij had voorgenomen die te trekken: dat Lea, het  hoofdpersonage in Weerlicht, mij deed denken aan de hoofdpersonen in Eline Vere en Van de koelen meren des doods. Of ze zich daar iets bij kon voorstellen, wilde ik weten. Want in die romans, hoewel ouder, worstelen vrouwen ook met zichzelf. Honderd, honderdvijftig jaar geleden zouden we zeggen dat Lea hysterisch is.

,,Ergens heeft ze wel iets geks, iets hysterisch”, beaamde Wortel. ,,Maar Weerlicht is toch meer een verhaal over coming of age. Lea is vijftien jaar. Op het kantelpunt in de roman, als er iets gebeurt met de caravan, stapt ze naar voren. Juist omdat anderen niets doen, niet weten wat ze moeten doen.”

Weerlicht is een roman over controle, meer dan dat het een roman is over een eetstoornis. We spraken over het gevaar dat in ‘de media’ veel aandacht uitgaat naar die eetstoornis, ook omdat er veel media-aandacht is voor eetstoornissen. Ook spraken we over hoe het is om over zo’n roman geïnterviewd te worden.

Wortel bleek het eng te vinden. ,,Omdat ik eigenlijk heel goed zou moet weten wat ik hier over moet vertellen. Maar ja, je kunt dat niet vooraf uitdenken. Ik heb geen controle over wat wordt gevraagd. Wat vertel ik over mezelf? Wat vertel ik over het boek? Het is allemaal nog zo nieuw. Ik vind het niet erg als Weerlicht als een eetstoornisboek wordt neergezet, maar ik hoop dat het meer wordt dan dat.”

Daarna vroeg ik haar om ze haar boek voor mij wilde signeren.


Poze 20, over (beeldende) kunst die koud laat

Erfzonde Poze 20
Dankzij uitgeverij Ter Verpoozing uit Peize ontving ik een exemplaar van het onregelmatig verschijnende tijdschrift Poze. Dit keer betreft het een speciale editie, nummer 20, een book-a-zine met flappen getiteld Il y un dieu des…

In het voorwoord schrijft de samensteller en belangrijkste auteur van het tijdschrift, Gerard Stout, onder meer dit:

‘Vooral bij hedendaagse beeldende kunst raak ik snel verveeld. De afbeelding heeft zelden haakjes om aan me te hechten. De titel en verhalen bij de beelden komen me gezocht voor. Wat is de onderliggende boodschap? Wat wil de kunstenaar of schrijver over de wereld en zichzelf kwijt. Ik ben wel nieuwsgierig, maar vind geen verbinding.

Mijn lichaam reageert niet of nauwelijks op een plaatje of beeld. Mijn geest wringt zich in bochten op zoek naar duiding. Misschien is mijn chromosomenpakket niet voorzien van geschikte antennes, net als sommige mensen onvatbaar zijn voor bepaalde kwalen vanwege het ontbreken van uitsteeksels waar ziektemakers zich aan kunnen hechten. Altijd gerookt en geen kanker. Geen tegenslagen en altijd zeuren.’

Verderop schrijft hij:

‘Van muziek heb ik weinig kaas gegeten. Besprekingen van cd’s, hedendaagse herrie en uitvoeringen van klassieken zijn mogelijk nog cryptischer voor mij dan beeldende kunst. Ik begrijp er niet veel van. Van populaire liedjes, als ik de teksten al kan verstaan, raak ik niet in extase. Ze bieden geen troost, zorgen niet voor deemoedigheid, ootmoedigheid of genade. Enkele Gregoriaanse gezangen bevallen me, van wege de teksten.’

Om zijn ‘ongevoeligheid’ te demonsteren voert Stout in zijn tijdschrift een blinde man op die met de pratende herdershond Kasper vijftien schilderijen en sculpturen gaat bekijken. Wat volgt zijn gesprekken bij plaatjes. De hond beschrijft, de man interpreteert en reageert. De lezer leest en mag er het zijne of hare van denken. Want zo is Stout dan ook weer wel.

Bij een schilderij getiteld Erfzonde, maker mij niet bekend, gaat het gesprek aldus:

‘En Kasper, wat zie je,’, vraag ik. ‘Ik tast in het duister.’

‘Woef, woef, waf. Ik probeer een waardeoordeel achterwege te laten en me te beperken tot een fenomenologische beschrijving van het kleurrijke naïeve tafereel van een keukenstoel met een labyrintische biezen zitting voor een raam. In het venster op de wereld is een kruisbeeld te zien met een spectrale stralenkrans. Primaire kleuren. Een paars gordijn, opengeschoven, hangt aan zeven ringen aan een houten roede.

‘Paars is de boetekleur,’ zeg ik. ‘Kasper…’

‘In de linkerbovenhoek hangt een postzegel met een biddende prelaat. Een kaars op een hoge staander is gedoofd. De frankeringswaarde van de postzegel is 40-45 met een swastika tussen de getallen.’

‘Schuld en boete,’ zeg ik. ‘Misdaad en straf.’

‘Het zijn jouw woorden,’ antwoordt Kasper. ‘Naast de stoel, op een biezenmat met Azteken patroon ligt een kerkboek opengeslagen. Op de linkerpagina Adam met erectie, op de rechterpagina Eva met haar oorsprong open gespreid. Het leeslint is een slang. Wie geknield plaatsneemt voor deze keukenstoel heeft het volle zicht op de schepping. Het leven begint zodra het Boek wordt dichtgeslagen.’

Wat opvalt aan de stukjes in Poze 20 is dat Stout uitstekend kan kijken en weergeven, niet alleen wat hij ziet, maar ook wat hij bij de afbeeldingen denkt. Ik durf zelfs te stellen dat zijn beschouwingen beter leesbaar zijn dan wat ik doorgaans aan interpretaties van beeldende kunst in kranten en tijdschriften aantref. Hij ouwehoert niet, maar beschrijft letterlijk en associeert. Dat roept de vraag op waarom hij meent dat hij ‘niets kan’ met beeldende kunst, muziek en poëzie.

Het antwoord zit, denk ik, in de zelf gestelde taak van het begrijpen. Veel kunst – schilderijen, muziek, gedichten – moet je niet willen begrijpen, maar ondergaan. Dat is voor hoger opgeleiden geen eenvoudige opgave. Het begrijpen kan voor sommigen het meeleven in de weg te staan. Kunst beleven is vaak een kwestie van overgave. Vaak schieten woorden domweg tekort. Vaak is dat beter. Verstandiger.

Vooral in geval van kunst waar geen idee, maar een 'proces' aan ten grondslag ligt. Kunst waarin het draait om de grofstoffelijke trilling en de, eh dinges. Vooral in geval van slechte kunst.  

Zet af dat hoofd.