De invloed van Gerrit Krol
Belangstelling

Het vermeend rijke verleden en heden van de Veenkoloniën

Veen is rijkdom
Met interesse en ergernis las ik zaterdag in Dagblad van het Noorden het stuk waarin Jan Schlimbach met historicus Willem Foorthuis op reportage gaat door de Veenkoloniën. Kop boven het stuk ‘Veen is rijkdom, geen armoede’.

In het artikel probeert Foorthuis het beeld van de Veenkoloniën als gebied vol armoede omver te trekken. “Als het gaat over het veen is het altijd; het was niks, het is niks en het zal niks worden. Een hele bevolkingsgroep en een gebied dat een rijke historie kent wordt ten onrechte gestigmatiseerd. Onze regio heeft het probleem dat het geen geheugen heeft. Rond het veen hangt een raar verhaal. Het klopt niet”, zegt hij.

Vervolgens zingt Foorthuis de lof van een uitzonderlijke ontwikkeling: hoe sinds de Middeleeuwen het veen van het Boertangermoeras via een ingenieus systeem is afgegraven, waarna een bijzonder landschap met bijbehorende cultuur is ontstaan. Het overgebleven erfgoed zou een Unesco-status waard zijn. Daar is het Foorthuis om te doen, een positieve status, met veel aandacht voor al het goede dat de vervening heeft opgeleverd.

Weg met het aanhoudende gezeur over armoede.

Nu ben ik niet voor gezeur, maar al lezend komt het mij voor dat Foorthuis de geschiedenis van de Veenkoloniën overdreven rooskleurig voorstelt. En historicus onwaardig. Het is waar, ooit was het hier ondoordringbaar. Geen wegen, hooguit een paar doodlopende paden over zangruggen, verder vooral verraderlijk drassig. Betreden op eigen risico. Wie de weg niet wist en een verkeerde stap zette, verzoop in het veen.

Zie nu eens. Het veen is verdwenen, opgestookt in kachels. Wat achterbleef is een naar Nederlandse begrippen zeldzame ruimte met hier en daar een paar huizen, veelal lintbebouwing langs kanalen. De mensen die nu in de Veenkoloniën wonen stammen voor een groot deel af van de gravers, aangevuld met latere import gelokt door de industrialisatie van na 1945. Niks mis mee. Velen wonen nu in vrijstaande huizen. Kom daar maar eens om in de grote steden.

Als we de enthousiaste Foorthuis mogen geloven, zijn de Veenkoloniën zo’n beetje het best bewaarde geheim van Nederland. Rijk verleden, rijk heden. Er is volgens de historicus slechts een probleem: te weinig mensen weten het. Zelfs de inwoners weten het niet. Met als gevolg dat in Oude Pekela sinds 2014 een plaggenhut staat, als eerbetoon aan de armoede van weleer. Een misverstand, weet Foorthuis. Omdat er nooit een plaggenhut in Oude Pekela heeft gestaan.

Het toeval wil dat Daniël Lohues in zijn column van afgelopen zaterdag ook al over plaggenhutten schrijft:

‘‘s Avonds zaten ze in plaggenhutten bij een turfvuurtje zwijgend gekookte smurrie te eten. Op tijd slapen. Op tijd weer op. Boekweitpannenkoeken. Spekvet. Werken. Als het dooi was tenminste. In de winter was er geen werk. Dan kocht men, op de pof, boekweit, spek, olie voor de lamp en sterke foezel voor in de borst, in de winkel van de veenbaas. Als de winter voorbij was, werkte men zich weer het schompes om de schulden af te betalen die ze in de winter opgelopen hadden. Elk jaar weer opnieuw. Ze zaten vast in het zuigende veen.’

Foorthuis en Lohues roepen een discussie van jaren her in herinnering, destijds tussen Michiel Gerding en Wim Visscher, twee historici met elk een eigen kijk op de geschiedenis van de Veenkoloniën en dus ook op plaggenhutten. Volgens Gerding moest het verhaal over de armoede in de koloniën niet groter worden gemaakt dan nodig. Volgens Visscher was onvoldoende onderzoek naar die armoede gedaan om te veronderstellen dat het allemaal best meeviel.

Foorthuis behoort tot de school van Gerding, voor zover zo’n school bestaat. Hij is van mening dat de armoede waar Lohues in navolging van Visscher aan refereert niet representatief is voor de gehele geschiedenis. Want ontstaan na een korte nabloei van de veenindustrie. Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog ging het mirakels in het nog niet afgegraven deel van de Veenkoloniën, door een gebrek aan steenkool. Toen de steenkoolwinning na 1918 weer op gang kwam en daarna crisis van de jaren twintig begon, stortte alles weer in.

Met andere woorden: de geschiedenis van de Veenkoloniën is niet zwart-wit. Er is een tijd geweest dat de vervening veel geld heeft opgebracht, al is het de vraag hoeveel mensen daarvan hebben geprofiteerd. Daarnaast is er ook een tijd geweest dat het heel slecht ging, waarbij het de vraag is hoeveel mensen daar onder hebben geleden. Veel rijken en weinig armen, of veel armen en weinig rijken.

De waarheid zal ergens in het midden liggen, dat doet de waarheid vaker. De waarheid kiest nooit een kant. Juist daarom lijkt het mij onjuist om de geschiedenis van de Veenkoloniën als een groot jubelverhaal te hervertellen, zoals Foorthuis wil. Als het juiste verhaal verteld moet worden, dan graag ook het hele verhaal. Anders blijkt het een raar, niet kloppend verhaal.

Dus niet alleen de successtories van W.A. Scholten, F. Clock, A.G. Wildervank, J. Uniken en L. Grevijlink, maar ook over de ellende van alle mensen die naamloos in een keet na het eten van een bakkie prut zijn gestorven.

En dan meteen graag ook antwoord op meer hedendaagse vragen. Zoals waarom anno 2022 zo weinig mensen in Veenkoloniën wonen. Wat vreemd is als het leven daar zo geweldig is. Waarom opvallend veel mensen in de Veenkoloniën stemmen op politieke partijen die in de oppositie zitten. Wat vreemd is als zij ja niks te klagen hebben. En waarom de universiteit Groningen al jaren onderzoek doet naar armoede en gezondheidsproblemen in de Veenkoloniën. Wat vreemd is voor zo'n paradijs op aarde.

En dan ook maar meteen antwoord op de vraag waar al het geld is gebleven dat met de vervening is verdiend. In Erica ligt het niet. Zou het in de stad zijn beland?