Op komst: Aurora Festival
Poze 20, over (beeldende) kunst die koud laat

Leest Weerlicht van Jante Wortel

Weerlicht Jante Wortel
Ter voorbereiding op een interview, deo volente, lees ik Weerlicht van Jante Wortel (Assen, 1996). Op de achterzijde van het boek staat de volgende aanprijzing: ‘Weerlicht is een moedige debuutroman over de verstikkende dynamiek van een gezin en de vraag hoe je iemand kunt helpen die zichzelf dwangmatig kapotmaakt.’

De naam van Jante Wortel dook in 2015 voor het eerst op in Dagblad van het Noorden nadat ze met een kortverhaal de finale van Kunstbende had gewonnen. Een jaar later haalde ze twee keer de krant, eerst als winnaar van de Groningse voorronde van Write Now, daarna als winnaar van de Drentse Talentprijs Cultuur. In 2017 werd aangekondigd dat haar debuut bij Das Mag zou verschijnen.

Volgens die uitgeverij hebben na haar afstuderen als student creative writing bij ArtEZ in Arnhem ‘meerdere uitgevers om haar handtekening gevochten’, maar hield Wortel de boot af. Daar had ik graag de beelden van gezien: zo’n kluwen smekende en stoeiende uitgevers tegenover een jonge auteur met afgewend gelaat. Niet nu, dames en heren. Kalm aan. Gedraag je. Geen drukte. Niet nu.

In een persbericht meldt Das Mag dat Wortel vanwege de druk die bij een contract komt kijken niet meteen wilde tekenen. 'En in alle eerlijkheid heeft Jante die uiteindelijk toch gevoeld. Maar ze bleef gestaag doorgaan, gooide de tekst overhoop, begon opnieuw, experimenteerde, durfde de tijd te nemen voor het persoonlijke boek dat ze aan het schrijven was. Tot het moment dat ze volmondig durfde te zeggen: nu ben ik tevreden.'

Ik ben halverwege Weerlicht en vind het een fascinerend boek. Niet eerder las ik zo’n indringende roman over een meisje met een eetstoornis. Dat meisje, Lea, reist met haar ouders, haar broer en een caravan door Noorwegen waar een broer van de moeder woont. Het is een, zacht gezegd, nogal tobberig gezin. Moeder zeult een zuurstoftank mee, de zoon heeft moeite in het gareel te blijven, vader is van het controlerende soort en gaat steeds strakker staan.

Wat heel goed is, is hoe Wortel over het innerlijk leven van de dochter schrijft. Lea wordt neergezet als een in zichzelf gekeerde 15-jarige die ver heen is. Stukje bij beetje komen we erachter hoe het zo heeft kunnen komen en wat ze eraan gedaan heeft om weer ‘normaal’ te worden. Ligt het aan haar, ligt het aan het gezin? Is het de wereld, is het leven? Waar komt de ellende vandaan? Is er sprake van ‘het lot’?

Ik heb net over de zoveelste druppel in de volle emmer gelezen. Vanwege een tegenligger moet de auto met de caravan in de regen op een smalle weg worden gekeerd. Vader en zoon stappen uit. Moeder houdt haar hart en zuurstoftank vast. Dochter ziet hoe het misgaat. Wortel zet de bijbehorende stress en paniek indrukwekkend neer. Gezellig is de vakantie allang niet meer. Nooit geweest eigenlijk. En we zijn pas halverwege.    

Al een paar keer dwaalden mijn gedachten af naar Van de koele meren des doods van Frederik van Eeden en Eline Vere van Louis Couperus. Zou er een overeenkomst zijn tussen de gedeprimeerde vrouwen aan het einde van de negentiende eeuw en de meisjes met stoornissen van nu? Misschien dat Wortel het kan vertellen. Misschien doen ze bij de afdeling creative writing van ArtEZ niet aan literatuurgeschiedenis.

Nu weer verder lezen.