Haalt Anton de Kom na de canon van Nederland ook de literaire canon?
100 jaar Ulysses ook herdacht in Groningen

Bij een interview met Jane Leusink

Jane Leusink
Ik sprak in de Prinsenhof in Groningen af met dichteres Jane Leusink voor een gesprek over haar nieuwe dichtbundel, Kraanvogels. Het is haar zesde bundel, dit keer bij uitgeverij Nobelman. We zagen elkaar op een mooie locatie met goede bediening en een slechte akoestiek.

Ter voorbereiding had ik, uiteraard, de bundel gelezen. Dat viel aanvankelijk nog niet mee, op de eerste plaats omdat-ie op de redactie was zoekgeraakt of kwijtgemaakt. Het mag een wonder heten dat ik alsnog een exemplaar te pakken kreeg.

Weer thuis probeerde ik mij de poëzie van Leusink eigen te maken, antwoord te krijgen op vragen die krantenlezers soms stellen alvorens ze zich willen laten overhalen om ook poëzie te lezen. Zoals: waar gaat het over? Zoals: van welke taal bedient de dichter zich? Zoals: vanuit welk perspectief en op welke wijze moeten de gedichten gelezen worden? En ook: welke beelden worden gebruikt, wat is het dat de dichter nastreeft?

Om te beginnen bladerde ik wat in Kraanvogels, ik las hier en daar een strofe, probeerde af en toe een heel gedicht, daarna een complete afdeling, bekeek de motto’s (twee van Sebald, een van Brecht), las de Aantekeningen en de Verantwoording, las de tekst op het achterplat, bekeek de flappen. En las daarna de bundel van a tot z. Soms hardop.

Toen ik daarmee klaar was, probeerde ik de nieuwe kennis samen te vatten. Ik moest er duidelijk nog inkomen. Langer over nadenken. De gedichten nog een keer lezen. Ter ondersteuning dook ik in ons krantenarchief. Daar kwam ik de naam van Leusink meermaals tegen. Ik had haar als winnaar van de C. Buddingh’-prijs in 2003 geïnterviewd en acht jaar later, bij het verschijnen van Tot alles goed strak staat nog een keer.

In De Prinsenhof bleek Leusink dit vergeten. Maar ze kende mij nog wel, van de krant waarschijnlijk, of anders uit ‘het wereldje’, wellicht ook van de sociale media, wat weer een ander wereldje is, de wereld zit vol wereldjes. We hoefden geen ijs te breken, we hoefden er niet omheen te draaien. We konden meteen beginnen. Ik pakte mijn vragenlijst en notities erbij, schakelde mijn opnameapparaatje in en Leusink stak van wal.

Na een uur verscheen een fotograaf aan ons tafeltje. Hoewel zijn komst was aangekondigd, schrok Leusink ervan. Hij zou toch aan het einde van het gesprek…? En we zijn pas halverwege. Na het uitwisselen van anekdotes over wat er allemaal mis kan gaan als iemand moet gefotografeerd, Leusink leek zichzelf moed in te spreken, besloten we tot een gesprekspauze zodat zij en de fotograaf ergens aan de slag konden.

Bij het stilzetten van mijn opname, ontdekte ik dat dit reeds was gedaan. Door wie? Niet door een inkomend bericht op mijn telefoon, want die had ik vliegtuigstand gezet. En waarom na zeventien minuten al, toen het gesprek nog goed en wel op gang moest komen? Een lichte paniek brak uit. Wat had Leusink allemaal verteld? Ik had er aandachtig naar geluisterd, ik had geprobeerd het te begrijpen, maar had ik het ook onthouden? Goed onthouden?

Bij terugkeer van het fotomoment vertelde ik Leusink dat er iets mis was gegaan. En dat ik een aantal kernachtige vragen wilde stellen, om de boel te repareren. Ze keek me meewarig aan. Zei dat het haar sowieso ondoenlijk leek om op basis van achterliggend gesprek een stuk te maken. Ze had het zelf ook wel eens moeten doen, met een bandopname. Gek was ze ervan geworden. Ik schakelde mijn apparaatje opnieuw in.

Na zo’n drie kwartier besloten we er een eind aan te maken, aan ons gesprek. Er zou nog veel meer gezegd kunnen worden, maar dat kon wachten tot een volgende keer. Voor nu was het genoeg, meer zelfs dan uitgeschreven op een ouderwetse krantenpagina zou passen. Veel meer dan een krantenlezer over poëzie, Kraanvogels en Jane Leusink zou willen weten, vermoedelijk. Om onze ontmoeting netjes af te ronden, vroeg ik haar tot slot of ze haar bundel wilde signeren.

Dat wilde Leusink wel. Terwijl zij haar pen pakte en haar bundel opensloeg, nam ik mijn opnameapparaatje ter hand. Opnieuw was de opname reeds door iets of iemand stilgezet. Dit keer al na zes minuten. De automatisering, die wil wat. Parafraseren is ook een kunst.