Mijn antwoorden op de VVD-vragen over Into Nature
Poëzie: een ziekte die je met idioten deelt

Treed in het licht Nico Uppelschoten!

Nico Uppelschoten
De vergadering van de Statencommissie financiën, cultuur, bestuur en economie in Drenthe, woensdag, bleek zeer interessant. De bijdrage van Statenlid Nico Uppelschoten over de subsidiëring van Into Nature had zelfs een ontroerend effect, op mij althans.

Het begon ermee dat Uppelschoten het ontbreken van een onafhankelijke evaluatie van Into Nature hekelde. "De organisatie evalueert zichzelf en komt tot de conclusie dat het fantastisch is", hoorde ik hem zeggen. "De aanbevelingen die ze doen, zijn alleen maar programmatisch en procesverbeteringen, maar geen enkele opmerking over de kwaliteit van het getoonde."

Ik ging er even goed voor zitten. Hier leek een politicus aan het woord die zijn waardeoordeel over kunst ging uitspreken. Verfrissend! Doorgaans wordt zoiets als not done beschouwd, altijd met een verwijzing naar een uitspraak van Johan Rudolph Thorbecke in 1862: 'De regering is geen oordelaar van wetenschap en kunst.' Maar waarom is het not done?

Terwijl ik mijn gedachten probeerde te ordenen, sprak Uppelschoten voort. "Al een aantal jaren willen wij over de inhoud van Into Nature praten, want kwaliteit is ook een verantwoordelijkheid van de politiek. Wij horen ook iets te vinden van wat plaatsvindt. En dan willen wij zeggen: wij vinden het niks."

Uppelschoten sprak op de toon of instructie van, hoe zal ik het zeggen, de leider van de PVV in de Tweede Kamer. "Dit project is als de Nieuwe kleren van de keizer. We moeten het allemaal fantastisch vinden. En het is niks. De natuur zelf is al mooi genoeg. De dingen die er neergezet worden en voor kunst doorgaan, zijn een belediging voor het gebied. Het heeft volgens ons niets met kunst te maken. Veel gepruts. Bezigheidstherapie. Veel grote woorden en gekoketteer."

Op dit punt aangekomen werd hij onderbroken door de voorzitter van de vergadering, Siemen Vegter. Interrupties door de Statenleden Renate Zuiker en Anry Kleine-Deters volgden. Ze lieten weten dat Uppelschoten wat hen betreft met zijn 'minachting voor de sector een grens was overgegaan'. Het woord 'gepruts' moest worden teruggenomen. Dat weigerde Uppelschoten.

"Ik heb niks gezegd over de sector, ik heb het over het project Into Nature. Sterker, wij zouden willen voorstellen het geld voor de sector beschikbaar te houden, voor de cultuurzzp'ers", vervolgde hij. "Ik heb de tentoonstelling uitvoerig bekeken. Het heeft voor mij geen enkele associatie met kunst. Ik zie wel dat heel veel mensen heel veel tijd en heel liefdevol heel bijzondere dingetjes gemaakt hebben, maar het heeft niks met kunst te maken."

Voorzitter Vegter, die een herhaling van zette vreesde, rondde af met een blik op de klok en een verwijzing naar een dichtregel: "Dit was uw aller-individueelste expressie van uw aller-individueelste emotie."

Hehe Into Nature 2021

Ineens meende ik een antwoord te hebben gevonden op de vraag waarom de regering geen oordelaar van wetenschap en kunst behoort te zijn. Het zou zomaar kunnen dat sommige politici niet weten wat kunst is of kan zijn.

Ik liet de betekenis van het betoog van Uppelschoten op mij inwerken. Terwijl allerlei bezoekers aan Into Nature – 9000 betalend, 16000 niet-betalend – van mening zijn dat zij afgelopen zomer hedendaagse beeldende kunst in het Bargerveen hebben gezien, hebben zij volgens Uppelschoten in werkelijkheid naar een naakte keizer en beledigingen van de natuur gekeken. Zij keken, in zijn woorden, naar 'niks'.

Ik schrok ervan. Ook omdat ik zelf, afgelopen zomer, meerdere malen naar Into Nature ben geweest. Een aantal keer als cultuurjournalist, een aantal keer als liefhebber van kunst in de openbare ruimte. Ik heb er gefietst, gewandeld, gekeken, nagedacht, gediscussieerd. Ik heb mij verwonderd, verbaasd, geërgerd, gestoord. Ik heb 'iets' ervaren. Maar als ik Statenlid Uppelschoten moet geloven was het om 'niks'.

Terwijl de vergadering voortging, dacht ik verder na. Uppelschoten is niet tegen de cultuursector, analyseerde ik. Hij is niet tegen mensen die met kunst geld proberen te verdienen. Hij is, afgaand op zijn woorden, tegen een bepaalde vorm van kunst. Tegen kunst in de natuur.

Waarom het een wel en het ander niet, vroeg ik mij af. Waarom een schilderij waarop Drenthe is afgebeeld als een idylle wel waarderen en een installatie waarbij een treintje onzichtbaar door het Drentse landschap glijdt afwijzen?

Zou het kunnen dat Uppelschoten niet heeft meegekregen dat de kunst zich ontwikkelt? Dat kunstenaars na eeuwenlang hunebedden bouwen in de natuur  besloten dat landschap te gaan schilderen. En dat ze na eeuwenlang schilderen daarna op het idee kwamen iets anders te maken, dit keer niet met verf en een kwast, maar met hout en een hamer?

Zou het kunnen dat Uppelschoten een bepaalde ontwikkeling in de kunst heeft gemist? Gelet op de staat van het cultuuronderwijs in Nederland en het wegbezuinigingen van kunstencentra mogen we niet uitsluiten dat zijn kennis ergens is blijven steken. Wat toch vervelend en pijnlijk is als je later als politicus in Drenthe over dat onderwerp wilt oordelen.

Er schoot mij een beeld te binnen van een man die achter gesloten gordijnen leeft. Op een dag schrikt die man in de vroege ochtend wakker van een geluid. Hij stapt zijn bed uit, draait de lichtknop om, trekt zijn broek aan en steekt zijn hoofd buiten de deur. Daar ziet hij in de schemer de zon opkomen. Hij schrikt van de felheid en toenemende warmte. Wat een geschitter en hitte, zegt de man knipperend met de ogen. En het wordt steeds erger. Hoe kan dat? Ik ken het niet, mompelt hij. Ik begrijp het niet. Dus is het niks.

Afwijzen wat je niet kent, het is een merkwaardige reflex. Stel dat kinderen zo reageren als ze op school arriveren. Lezen? Rekenen? Sorry, dat ken ik niet. Dat is niks. Meester en juffen? Andere jongens en meisjes? Sorry, die ken ik niet. Dat is niks. Mensen met een hoofddoekje? Een ander geloof? Een andere geaardheid? Dat is niks.

De behandeling van het agendapunt naderde het einde. Nelleke Vedelaar, de gedeputeerde kreeg het woord. Statenlid Willemien Meeuwissen mocht nog iets zeggen. Voorzitter Vegter sloot af.

Ik kreeg medelijden met Nico Uppelschoten. Niemand had hem verteld dat je niet bang hoeft te zijn voor kunst in de natuur en de wereld buiten de grot. Niemand was op het idee hem uit te nodigen voor bijscholing. Niemand vertelde hem over het bestaan van Willem Kloos.

Heel jammer. Treurig ook.