Op komst: Het mooie kinderboekenfestival
Schrijven over publiciteit om de publiciteit

Leest 'In poëzie en oorlog' van Bas Kwakman

Ik lees voor de cultuurbijlage van Dagblad van het Noorden en Leeuwarder Courant het boek In poëzie en oorlog waarin vertrekkend directeur Bas Kwakman zijn licht laat schijnen over vijftig jaar festival Poetry International. Ik ben nog nooit naar Poetry geweest, dat weerhoudt mij er niet van te denken dat het een belangrijk literatuurfestival is en het belet mij evenmin veel plezier te beleven aan het boek van Kwakman.

Bas Kwakman in Poezie en oorlog
Op de achterkant van In poëzie en oorlog lees ik het volgende: 'Dit boek vertelt op onorthodoxe wijze de geschiedenis van het Poetry International Festival in Rotterdam, dat in 1970 in anarchie werd geboren en inmiddels – vijftig jaar later – wereldwijd een van de belangrijkste ontmoetingsplaatsen voor dichters en poëzieliefhebbers is geworden.'

1970. Dan bestaat het festival dus pas 49 jaar.

Op bladzijde 70 brengt Kwakman een bezoek aan Adriaan van der Staay, voormalig directeur van de Rotterdamse Kunststichting. Die naar eigen zeggen uit de festivalgeschiedenis is geschreven terwijl hij in 1969, om uit te testen of Rotterdam wel een poëziestad is, Hugo Claus, Simon Vinkenoog en Jules Deelder in een klein theater liet optreden en zoveel aanloop kreeg dat hij geluidboxen op straat moest zetten om de wachtenden te plezieren. Een jaar later, in 1970, krijgt Van der Staay De Doelen tot zijn beschikking voor het allereerste Poetry International Festival.

Zo komt Kwakman bij de vijftig terecht.

Het leesplezier zit ook in de hotseklotserige opzet van het boek, waardoor het niet uitmaakt of een lezer voor of achterin begint. Ik ben achterin begonnen en weet dus al dat Bart Droog door Kwakman als 'de eeuwige vijand in de struiken' wordt gezien, omdat hij, Droog, in de tijd dat de Dichters des Vaderlands in dit vaderland nog gekozen werden, keer op keer Poetry als onhandige medeorganisator van de verkiezingen te kijk zette.

Het plezier zit vooral in het lezen van een hoofdstuk als nummer 40, getiteld De lucht van poëzie. Waarin een ontmoeting wordt beschreven tussen Lars Gustafsson en Robert Dijkgraaf:

'De heren vergelijken poëzie en wiskunde. Ze zijn het erover eens dat poëzie en wiskunde uitstekend voor zichzelf kunnen zorgen – beide oeroud, exclusief en onmiskenbaar een essentieel onderdeel van de cultuur. Beide bereid tot het uitvoeren van bij elke taak – van het invullen van een belastingformulier tot het meten van het heelal en alles daar tussenin. Beide bewonderd om hun schoonheid.'

Twee bladzijden verder komt Gustafsson nog een keer aan het woord:

'Je wordt 's morgens om 05.00 uur vroeg wakker met een briljant idee. Je gaat een gedicht schrijven. Je schrijft een regel. En dan nog een regel. En nog een. Dan neem je een regel weg, met als consequentie dat je nog een regel weg moet nemen. Nu zie je dat het onmogelijk wordt als je ook niet een derde regel weghaalt. Dat gaat zo door. Rond een uur of zeven merk je dat het gedicht je heeft verlaten. Waar blijft dat gedicht? Waar kwam het vandaan en in welke vreemde duisternis verdwijnt het?'