Op komst: Egbert Streuer in het Drents Museum
Schaatsschilderijen – Gosse Koopmans

Over optredende dichters en poëzie op het podium

 Carmien Michels
In poëzietijdschrift Awater staat een interview met Dichter des Vaderlands Tsead Bruinja. Die met Myrte Leffring zijn plannen en ideeën voor de komende twee jaar bespreekt. Ik citeer een citaat uit een alinea:

"Ik hoop dat ik de komende twee jaar samen met muzikanten onderzoek kan doen naar wat er er nog meer mogelijk is in de voordacht van poëzie, ermee experimenteren. Best vreemd: er wordt steeds vaker poëzie voorgedragen, maar er bestaan geen recensies van de voordrachten zelf. Ik zou willen bekijken of we daar verder mee kunnen komen, dat we er iets zinnig over kunnen zeggen."

Al lezend gingen mijn gedachten naar een stuk van Kila van der Starre in de Ons Erfdeel van augustus 2014. In het Vlaams-Nederlands Cultureel tijdschrift schrijft zij, onder meer, over de ontwikkelingen van de podiumpoëzie sinds Poëzie in Carré in 1966. Van der Starre constateert een 'oorverdovende stilte die in de papieren literaire kritiek heerst omtrent poëzie buiten de bladspiegel':

"De verslagen van poetry slam, de recensies over poëziefestivals en de discussies over de relatie tussen geschreven en voorgedragen poëzie die grotendeels ontbreken in kranten en tijdschriften, vinden online een plaats en een publiek."

Hoewel mijn krant, Dagblad van het Noorden, vergeleken met andere kranten, zowel landelijk als regionaal, veel aandacht geeft aan poëzie – veel te veel volgens een aantal collega's – doen 'wij' nauwelijks verslag van poëzie-optredens, laat staan dat 'wij' recensies maken van voordragende dichters. Dat heeft te maken met een gebrek aan criteria. Waar moet je een voordragende dichter op beoordelen?

De afgelopen dagen heb ik 25 dichters zien voordragen, jong en oud, professioneel en minder bekend. Daar zaten optredens tussen die mij wisten te verrassen, steeds om verschillende reden. De ene keer was het omdat ik de dichter nooit eerder had zien optreden. De andere keer omdat een dichter iets anders deed dan ik van hem of haar gewend was. Dan weer had het te maken met de gekozen gedichten. Dan weer met een 'act' die volgens die dichter bij de gedichten hoorde. Dan weer met de lach van anderen. Dan weer met de ontroering in mij.

Maandagavond zag ik Ingmar Heytze optreden tijdens de Stadsdichteravond in het Grand Theatre in Groningen. Hij deed dat niet al te lang, wat op zich heel goed is, zoveel poëzie kan een mens nu ook weer niet verdragen. Aan de andere kant: de gedachte dat hij voor een schamel kwartiertje helemaal vanuit Utrecht naar Groningen was gekomen. Entree maken. Handen schudden. Opzitten. Uit beleefdheid mee applaudisseren. Opkomen. Voordragen. Buigen. Afgaan. En weer wegwezen. Het zal je beroep maar zijn.

Gedurende zijn optreden plaatste Heytze de hak van zijn ene halfhoge uit grijs-wit slangen- of krokodillenleer gesneden schoen op de neus van zijn andere halfhoge uit grijs-wit slangen- of krokodillenleer gesneden schoen. Ik kon dat goed zien, want ik zat vooraan. Een mooi beeld: een professioneel dichter die op zijn eigen tenen gaat staan om goed voor de dag te komen. Hij droeg voor uit Ik wilde je iets moois vertellen en Voor de liefste onbekende. Er werd flink gelachen en geapplaudisseerd.

Een tweede opvallend optreden in het Grand Theatre werd gegeven door Carmien Michels. Ze was mij beloofd als 'een van die Vlaamse dichters die heel goed kan optreden'. Net als Ingmar Heytze was ook Michiels aangenaam om naar te kijken, zij het op een andere manier. Ze ging bijvoorbeeld op haar hakken staan. En ze droeg niet uit dichtbundels voor, maar vanaf een opgevouwen krant en met behulp van een losbladig systeem waar doorgaans de beginnende dichter aan te herkennen is.

Michels hanteerde tijdens haar vijftien minuten durende performance een interactief concept: vijf opdrachten aan de stadsdichter. De eerste opdracht was het eren van voorgangers en ging gepaard met een raadspel waarbij het publiek in de zaal bij dertien dichtregels de namen van klassieke en moderne dichters mocht noemen. Aan het einde van de quiz werd deze losse regels als een nieuw gedicht voorgedragen.

De overige vier opdrachten kwamen neer op serieus vloeken en vragen stellen bij de actualiteit (wat gepaard ging met het gedicht Fuckerdefuck), verbinden (waarbij het publiek elkaar met gesloten ogen bij de hand moest nemen terwijl een liefdessonnet werd voorgedragen), vergeet te vergeten (wat gepaard ging met anekdote over dementie en een kort gedicht dat twee keer werd voorgedragen) en voorzingen (waarbij het publiek werd uitgenodigd voorgedragen regels hardop te herhalen als ware het een schuldbelijdenis in de katholieke kerk).

Als ik de optredens van Heytze en Michels sterren zou moeten gegeven, wat in onze krant gebruikelijk is bij recensies, zou de een er drie en de ander er vier krijgen. Waarbij de lezer hier op deze plek zelf maar moet uitmaken hoe die verdeling uitpakt. Want was het ene optreden werkelijk 'beter' dan het ander? En waar zat dat dan in? In de interactiviteit? In de presentatie? In het voorkomen van de dichter? In zijn of haar of schoenen? In de gedichten? In de verstaanbaarheid? In de lach? Het applaus? Het licht? Het geluid? Wat is goed? Wat is beter?

Ik weet het niet. Maar zou het graag van een deskundig iemand vernemen.