Organisatoren Retropop overwegen catering
Vincent, een glossy over en bij de Van Gogh-manie

Leest 'Met een bevroren jas en een geleend tientje'

Uitgeverij Van Oorschot stuurde Met een bevroren jas en een geleend tientje van Guus Middag, juist op het moment dat de Vertalersgeluktournee weer door het land trekt. Of daar een doordachte timing aan is voorafgegaan, weet ik niet. Feit is dat de hoofdpersoon van het boek, Thérèse Cornips, bekendheid geniet als vertaalster. In 1966 vertaalde ze In koele bloede van Truman Capote, in 1975 Het lijden van de jonge Werther van Goethe en sinds 1976 vertaalde ze heel veel Marcel Proust.

Therese Conrips
Ergens achterin het boek vertelt Cornips wat zoal komt kijken bij het vertalen in het algemeen en Proust in bijzonder. Het is bepaald geen reclame voor het vak dat tijdens de Vertalersgeluktournee in de schijnwerpers wordt gezet. Op de eerste plaats is het ondankbare arbeid, op de tweede plaats betaalt het slecht en ten derde is de waardering gering. Ter illustratie van het laatste vertelt Cornips het volgende:

"Alles is mode. De wereld gaat af op reputatie: als je reputatie hebt, kun je je de stomste dingen veroorloven; niemand zie het, want de meeste mensen lezen niet echt zelf, en gaan al helemaal niet zelf vertalingen vergelijken. Ik werd jarenlang geprezen omdat ik Proust vertaalde, Proust was belangrijk en dat straalde op mij af. De meeste mensen keken niet echt naar wat er stond. 'Thérèse Cornips heeft het gedaan, dan zal het wel goed zijn'. Tot iemand zei: 'Het is niet goed.' En dan vindt opeens niemand het meer goed."

De indruk kan nu gewekt zijn dat Met een bevroren jas en een geleend tientje een boek is over een verongelijkte vrouw die aan het einde van haar leven – Cornips is van 1926 – teleurgesteld terugkijkt op wat ze gedaan en bereikt heeft. Wat beslist een misvatting is. We hebben hier te maken met een levendige terugblik op het levenslustige leven van een vrouw die altijd haar weg is blijven gaan en daarbij gedurende enige jaren met een aantal mannen opliep onder wie dichter Chris van Geel.

Wat mij bevalt aan dit boek is het opgeroepen beeld van een generatie die na de Tweede Oorlog 'iets' met kunst wilde doen, die zich vooral leek te bekommeren om ideeën en elkaar ­–  in goede en slechte zin – en niet geïnteresseerd leek in geld en materie. De generatie die in de jaren vijftig, zestig en zeventig te midden van sinaasappelkistjes in tochtige woningen er zeer driftig op los leefde totdat de sigaretten, drank en armoede de rekening presenteerde. Het pre-hypotheek tijdperk zeg maar.

Wat mij zeer bevalt, zijn alinea's als deze:

"Een van mijn tekortkomingen is dat ik me helemaal niet kan verdedigen. Ik wou dat ik dat had gekund. Dat was beter geweest. Maar ik ben secundair van aard. Ik denk dat dat iets is waarmee je van jongs af aan bent behept: zo'n defensiesysteem dat niet werkt. Als er een hard geluid is, wend ik me af in plaats het gevaar in het oog te zien. Ik voel met het veiligst als ik me terugtrek. Dat heb ik te vaak gedaan in mijn leven. Deze houding vormt een incongruentie met iets anders in me dat wel helder is: ik kan heel goed een situatie helemaal doorzien. Maar het helpt mezelf niet, ik kan er niet naar handelen. Er is een tegenstelling tussen mijn inzichten en mijn doen en laten."