Previous month:
maart 2015
Next month:
mei 2015

De collectie van museum De Buitenplaats

Voor de cultuurbijlage van Dagblad van het Noorden bracht ik een bezoek aan museum De Buitenplaats. Daar is sinds kort de tentoonstelling De Collectie. Een dierbaar bezit te zien, een keuze uit de verzameling die door Jos en Janneke van Groeningen, en later door Geert Pruiksma in Eelde bijeen is gebracht.

De Buitenplaats Pollegorie
Bij binnenkomst kon ik aansluiten bij de rondleiding die Joris Westerink gaf aan museum-vrijwilligers die de komende het publiek zullen begeleiden. Een mazzeltje, heet zoiets: alle informatie op een presenteerblaadje. Ik hoefde maar te luisteren en te onthouden. Een kind kan de was doen, maar schrijven is een ander verhaal.

Tijdens de rondgang hield Westerink onder meer stil bij de bekende namen: Matthijs Röling, Pieter Pander, Clary Mastenbroek, Wout Muller, Kenne Grégoire, Olga Wiese, Reinder Homan, Diederik Kraaijpoel, Rein Pol. Van de laatste hangt het drieluik Pollegorie in het museum, een gigantisch stuk waarop de hoofdrolspelers uit de Noordelijke figuratie een plek hebben gekregen.

Ondertussen was ik vooral benieuwd naar de hand Patty Wageman, sinds september de nieuwe directeur. Onder haar bewind is het verzamelbeleid aanzienlijk verbreed: nog steeds figuratief, maar internationaler en nu ook van voor 1945. Wageman heeft vanuit dat idee inmiddels twee werken aangeschaft: Comfort Zone van Alexander Gorlizki en Devil Masquerade van Charlotte Schleiffert.

Morgen meer, in de papieren krant, als altijd deo en eindredacteur volente.


Vincent, een glossy over en bij de Van Gogh-manie

VincentOp 29 juli is Vincent van Gogh 125 jaar dood – het wordt herdacht alsof het leven er van af hangt. Met, jawel, een glossy. Op de cover prijkt de beeltenis van acteur Kirk Douglas, die volgend jaar 100 jaar wordt en op zijn veertigste de getormenteerde kunstschilder speelde in de film Lust for life (1956).

Hoofdredacteur en tevens fotograaf Michiel van Nieuwkerk heeft voor Vincent een aardig clubje mensen weten te strikken. We noemen: Annejet van der Zijl, Joost Zwagerman, Maartje Wortel, Hans Aarsman, Barry Atsma. We noemen art director Mike Peet, die listig talloze faits divers over de pagina’s heeft gestrooid zonder de chaos van een grabbelton te veroorzaken.

Zo mag psychiater Erwin van Meekeren in een hoekje links bovenin op bladzijde 32 vertellen dat er in de medische literatuur een Van Gogh Syndroom is opgenomen, als verwijzing naar zelfmutulatie. En wordt een bladzijde verderop, in een kader, de serieus bedoelde theorie uitgelegd dat Gauguin zijn vriend Van Gogh vlak voor Kerstmis van het jaar 1888 aan het oor verwondde tijdens gevecht waarbij de eerste zich probeerde te verdedigen tegen de tweede.

Hoofdthema is uiteraard de Van Gogh-manie, het verschijnsel waarbij de cultuurtoeristische sector alles op alles zet om aandacht te generen voor de nalatenschap van de schilder. Dat gaat van schilderij tot en met een zelf in elkaar te zetten houten fietsframe waarop zo’n schilderij is afgebeeld. Dat gaat van een gerecht gebaseerd op het stilleven Druiven, citroenen, peren en appels tot een Van Gogh Tour door Europa.

Van Gogh, die tijdens zijn leven welgeteld één schilderij verkocht, voor 400 francs, betekent geld, status en promotie. Vandaar de aanwezigheid van Marketing Brabant en Marketing Drenthe in dit blad. Vandaar een verhaal over hoe musea met Van Gogh-collecties geld bij elkaar proberen te krijgen voor hun verbouwingen, presentaties en aankopen. Vandaar een advertentie voor Rolex-horloges, betaald door Schaap + Citroen, de in opspraak geraakte keten van juwelierszaken.

Ter relativering is er een interview met kunstschilder Marc Mulders, die zijn bewondering voor zijn vakgenoot niet in de verfpot wil stoppen: ,,Bij Van Gogh zie je helemaal geen pogingen. Alles is in één keer goed. Ongelofelijk.” Net als zijn voorganger ziet ook Mulders de natuur en de schepping als inspiratiebron: ,,Dat is een van de laatste strohalmen waar nog waarachtigheid is. En daarom blijf ik kijken naar de bloemen, het landschap en de sterrenhemel.”

Tijdschrift: Vincent. Magazine over bevlogenheid, talent en rebellie. Eenmalige uitgave AARComm Bladenmakers. Prijs 9.95 euro (92 blz.)


Leest 'Met een bevroren jas en een geleend tientje'

Uitgeverij Van Oorschot stuurde Met een bevroren jas en een geleend tientje van Guus Middag, juist op het moment dat de Vertalersgeluktournee weer door het land trekt. Of daar een doordachte timing aan is voorafgegaan, weet ik niet. Feit is dat de hoofdpersoon van het boek, Thérèse Cornips, bekendheid geniet als vertaalster. In 1966 vertaalde ze In koele bloede van Truman Capote, in 1975 Het lijden van de jonge Werther van Goethe en sinds 1976 vertaalde ze heel veel Marcel Proust.

Therese Conrips
Ergens achterin het boek vertelt Cornips wat zoal komt kijken bij het vertalen in het algemeen en Proust in bijzonder. Het is bepaald geen reclame voor het vak dat tijdens de Vertalersgeluktournee in de schijnwerpers wordt gezet. Op de eerste plaats is het ondankbare arbeid, op de tweede plaats betaalt het slecht en ten derde is de waardering gering. Ter illustratie van het laatste vertelt Cornips het volgende:

"Alles is mode. De wereld gaat af op reputatie: als je reputatie hebt, kun je je de stomste dingen veroorloven; niemand zie het, want de meeste mensen lezen niet echt zelf, en gaan al helemaal niet zelf vertalingen vergelijken. Ik werd jarenlang geprezen omdat ik Proust vertaalde, Proust was belangrijk en dat straalde op mij af. De meeste mensen keken niet echt naar wat er stond. 'Thérèse Cornips heeft het gedaan, dan zal het wel goed zijn'. Tot iemand zei: 'Het is niet goed.' En dan vindt opeens niemand het meer goed."

De indruk kan nu gewekt zijn dat Met een bevroren jas en een geleend tientje een boek is over een verongelijkte vrouw die aan het einde van haar leven – Cornips is van 1926 – teleurgesteld terugkijkt op wat ze gedaan en bereikt heeft. Wat beslist een misvatting is. We hebben hier te maken met een levendige terugblik op het levenslustige leven van een vrouw die altijd haar weg is blijven gaan en daarbij gedurende enige jaren met een aantal mannen opliep onder wie dichter Chris van Geel.

Wat mij bevalt aan dit boek is het opgeroepen beeld van een generatie die na de Tweede Oorlog 'iets' met kunst wilde doen, die zich vooral leek te bekommeren om ideeën en elkaar ­–  in goede en slechte zin – en niet geïnteresseerd leek in geld en materie. De generatie die in de jaren vijftig, zestig en zeventig te midden van sinaasappelkistjes in tochtige woningen er zeer driftig op los leefde totdat de sigaretten, drank en armoede de rekening presenteerde. Het pre-hypotheek tijdperk zeg maar.

Wat mij zeer bevalt, zijn alinea's als deze:

"Een van mijn tekortkomingen is dat ik me helemaal niet kan verdedigen. Ik wou dat ik dat had gekund. Dat was beter geweest. Maar ik ben secundair van aard. Ik denk dat dat iets is waarmee je van jongs af aan bent behept: zo'n defensiesysteem dat niet werkt. Als er een hard geluid is, wend ik me af in plaats het gevaar in het oog te zien. Ik voel met het veiligst als ik me terugtrek. Dat heb ik te vaak gedaan in mijn leven. Deze houding vormt een incongruentie met iets anders in me dat wel helder is: ik kan heel goed een situatie helemaal doorzien. Maar het helpt mezelf niet, ik kan er niet naar handelen. Er is een tegenstelling tussen mijn inzichten en mijn doen en laten."


Schilderen voor de happy few

Net als Hendrik Willem Mesdag (1831 – 1915) werd Otto Eerelman (1839–1926) puissant rijk van het schilderen. Het is allemaal terug te voeren op gevoel voor stijl en zakelijk instinct. Terwijl Mesdag nu in Den Haag in de schijnwerpers staat, wordt tijdgenoot Eerelman geëerd in Museum Nienoord in Leek.

Zo'n vijftig schilderijen hebben directeur Gitta op den Akker en gastconservator Harry Kraaij bijeengebracht voor de tentoonstelling Otto Eerelman. Schilder van aanzien. Ze vertellen het verhaal van een man die tijdens zijn opleiding op academie Minerva droomde van historische taferelen, maar eindigde tussen de honden, paarden en prominenten, in circussen en op draverijen.

Draverij Korreweg Eerelman
Morgen meer in Dagblad van het Noorden. Op de foto: Harddraverij op de Korreweg (z.j.) Otto Eerelman.


Onderschept: een verkeerd geadresseerde brief

Dagblad van het Noorden bracht deze week het bericht dat er een directeur is gevonden voor het nieuwe, nog naamloze theater op de es: Jan Geert Vierkant. Op de redactie keken we er niet van op. De naam van Vierkant, voorheen directeur van het Noord Nederlands Orkest en daarna van evenementen- en congrescentrum Martiniplaza in Groningen, zoemde al een tijdje rond.

Toen ik 'de nieuwe man in Emmen' in zijn auto belde om hem een paar vragen te stellen toonde deze zich in zijn nopjes met de benoeming. Vervolgens vertelde Vierkant wat hij moest vertellen: dat hij er zin in heeft, dat hij nieuwsgierig is, dat hij graag met iedereen 'het gesprek aangaat' en dat hij mogelijkheden ziet de artistieke doelen in balans te krijgen met de commerciële doelen.

De nieuwe directeur zei ook dat hij blij was dat hij 'de vervelende periode' met Martiniplaza nu definitief achter zich kan laten en snel aan de slag wil. Met het laatste verwees hij naar het werk dat verzet moet worden  om het theaterklimaat in Emmen weer levendig te krijgen. Met het eerste naar zijn gedwongen vertrek eind vorig jaar vanwege het verzwijgen van een tekort bij Martiniplaza.

Gisteren ontvingen wij op de redactie een briefje:

IMG_6714

Hoewel het schrijven is gericht aan de leden van de gemeenteraad, burgemeester Cees Bijl en zijn wethouders leek het ook bedoeld als ingezonden brief. Qua lengte voldoet het althans aan de spelregels die de krant voor ingezonden brieven stelt: kort en bondig, niet mis te verstaan. Wat ontbreekt echter is de ondertekening; anonieme brieven worden niet geplaatst.

(Een beetje lezer die ingezonden brieven wil schrijven weet dat. Een beetje lezer die laf is en toch ingezonden brieven wil schrijven, gebruikt een pseudoniem. Een beetje lezer die toch laffe ingezonden brieven wil schrijven kan zelfs plezier beleven aan het verzinnen van zo'n pseudoniem. Niets van dat alles in dit geval. Geen plaatsing derhalve. Goed dat er een redactie is.)

Brievenschrijvers kunnen soms verrassend uit de hoeken komen. Dan heb ik het niet over een onverwachte aanslag op de Nederlandsche taal. Taal is van iedereen, zeg ik wel eens als het mij uitkomt, dus ook van foutenmakers. Dan heb ik het over de oprispingen uit de onderbuik die, het blijft raadselachtig hoe het lichaam werkt, op het papier belanden en via de mail of de postbode bij een ander worden bezorgd.

Waarbij het aardig is om te weten dat op het gemeentehuis van Emmen heel veel brieven nooit worden beantwoord of 'gewoon zoekraken'. Wat niet altijd een ramp hoeft te zijn.

Voor de anonieme schrijver, mocht hij of zij meelezen, nog even dit. Jan Geert Vierkant is aangenomen door Frankwin van Beers, nu nog algemeen directeur van Dierenpark Emmen, straks ook de baas van theaterdirecteur Vierkant. Uw brieven mogen in het vervolg naar Wildlands Adventure Zoo Emmen, Postbus 1010, 7801 BA in Emmen.


Over 'Armer & Rijker' van Roel Visser

In 2011 verscheen Platter & Dikker, een fotoboek met een essay over consumentisme in onze samenleving. Fotograaf Roel Visser maakte de beelden. We zagen veel dikke mensen, veel tatoeages, veel naakt, porno en passiviteit, vastgelegd op straat en strand, tijdens festivals, fairs en wedstrijden.

Journalist H.J.A. Hofland schreef de tekst: ,,Het consumentisme is de ideologie die iets meer dan een halve eeuw geleden spontaan is ontkiemd, zonder theoretici en manifesten. Deze nieuwe leer heeft één universeel gebod: genieten! Zo veel mogelijk. Van alles. (…) Begeren in het algemeen veroorzaakt een bewustzijnsvernauwing.”

Roel2
Vier jaar later is er opnieuw een boek van Visser, Armer & Rijker.De foto’s liggen in het verlengde van Platter & Dikker. De sfeer die wordt opgeroepen, is soms identiek: escapisme, leegte, verwaarlozing. Maar waar in 2011 nog iets van gemeenschappelijkheid werd getoond – we zijn allemaal even erg – ligt de nadruk nu op een confronterende tweedeling.

De begeleidende tekst is van Ewald Engelen, de hoogleraar financiële geografie die – voor Piketty en Luyendijk – in Nederland naam maakte met verontrustende analyses van de mondiale geldindustrie. Nu levert Engelen een bevlogen beschrijving van wat hij Corpocratië noemt, een land zonder grenzen waar miljardairs de minste belasting betalen en de middenklasse de meeste.

Een citaat: ,,De neoliberale utopie van privatisering, liberalisering en deregulering, van marktwerking en mondialisering, van vrij verkeer van goederen, dienst, kapitaal en arbeid, van iPad en Starbucks, van Thatcher en Reagan, van welvaart en geluk voor iedereen – die hele santenkraan van begeerlijke beloften waarmee we onze existentiële pijn verdoven – die utopie is voor een groeiend aantal burgers meer en meer een doffe teleurstelling geworden.”

En nog een: ,,Terwijl de elite in een geblindeerd Amsterdams beurshalletje tevreden aan een glaasje Laurent-Perrier lurkt, onderwijl een zilt oestertje wegslikkend, staat het kapitalisme op het punt zijn eigen middenklasse op te vreten.” Waarna een zeer zorgwekkende uiteenzetting over de financiële crisis volgt, die een derde van alle Nederlandse huishoudens met een zorgwekkende (hypotheek)schuld heeft opgezadeld.

Zorgen zijn iets voor later. Maar dat geldt niet voor iedereen.

Visser laat de dagelijkse praktijk van de armoede zien. Hij fotografeerde een deurwaarder met een exploot bij een woning in Spijkenisse, werklozen in een kroeg in Den Haag, een huisuitzetting in Rotterdam, een mobiele lommerd, de uitreiking van voedselpakketten, een onderbetaalde thuiszorgmedewerker in Emmeloord.

Hij fotografeerde een bescheiden villa met garage in Blaricum, een zeilboot aan een steiger in Vinkeveen en een beurs voor de rijken in Amsterdam. Hij ging naar Oude Pekela, waar een jong gezin wat probeert bij te verdienen om het hoofd boven water te houden. Hij fotografeerde een verlaten huizenblok in de krimpende Veenkoloniën, de gevangen werknemers van het werkvoorzieningschap in Stadskanaal, een protest tegen werken zonder loon.

Roel1
En hij fotografeerde een huiskamertafereel in Nieuw-Buinen. We zien een afgekeurde man met reuma, een arbeidsongeschikte vrouw met een longaandoening. Beide rokend. We zien de rommel achter de woning. We zien een jongen met overgewicht die wezenloos voor zich uit kijkt. Misschien hoopt hij dat het beter wordt als de fotograaf weer is vertrokken. Misschien beseft hij dat de werkelijkheid anders is.

Boek: Armer & Rijker. Fotografie: Roel Visser. Tekst: Ewald Engelen. Uitgever: Bas Lubberhuizen. Prijs: 19,95 euro (112 blz.)