Previous month:
februari 2014
Next month:
april 2014

Groninger musea in het Groninger Museum

Het was een stevig bericht in het Dagblad van het Noorden van twee weken geleden: Groninger Museum richt zich weer op. Afkomstig uit provinciehuis waar was vastgesteld dat het museum ,,na enkele turbulente jaren de zaken financieel weer op orde heeft en niet langer onder curatele staat''. Het was een mooi bericht, vooral voor wie van zwarte cijfers houdt.

Maar hoe staat het museum er artistiek voor? Zijn de tentoonstellingen nog nationaal spraakmakend, of internationaal bijzonder? Vertelt het museum het verhaal van Stad en Ommeland? Laat het zien dat in Noord-Nederland interessante en prikkelende kunst wordt gemaakt? Het antwoord is niet eenvoudig: het kan beter. Gevolgd door het goede nieuws: het gaat ook beter.

De meesterwerken
Vrijdag openden de Groninger burgemeester Ruud Vreeman en cultuurgedeputeerde Bote Wilpstra een nieuwe presentatie in het museum: De Collectie. Het is – in drie woorden – een sublieme opstelling. Die verspreid over zeven zalen hoogtepunten uit de museumcollectie laat zien. Rubens, Gauguin, Warhol, Eerelman, Mesdag, de Martinitoren in zilver, Mendini, Struycken, de Goudschat van Feerwerd, De Ploeg – honderden voorwerpen.

Museumdirecteur Andreas Blühm vertelde voorafgaand aan de opening wat hem was opgevallen toen hij in 2012 solliciteerde om de gesneefde directeur Kees van Twist op te volgen: dat het museum zo weinig van de eigen collectie liet zien. De Ploeg was prominent aanwezig, maar structurele aandacht voor de verzameling in de brede zin des woords, daar ontbrak het aan.

Wat hem ook was opgevallen, was het verhaal dat het Groninger Museum met de rug naar de stad zou staan. En dat lang niet alle Groningers gewoon zijn hun museum een bezoek te brengen, dat sommigen zelfs nog nooit de trap naar beneden hebben genomen. Wat niet goed is voor een culturele instelling met een publieke taak en 4,5 miljoen euro subsidie per jaar van provincie en stad.

Toen Blühm eenmaal tot directeur was benoemd, besloot hij in te grijpen. Daar ging geen druk uit het stads- en provinciebestuur aan vooraf, vertelde hij gisteren. Daar kwam geen bezoek aan een internationaal museumcongres bij kijken, daar hoefde het museumbeleid niet voor te worden aangepast. ,,Dit hoort gewoon beleid te zijn.”

Wandelend door De Collectie vraag je je af waarom het niet eerder is bedacht. De eerste zaal is gevuld met geschilderde portretten van prominente Groningers uit het verre en nabije verleden, daarna volgt een berg opgebouwd uit zilverwerk, dan een zaal met meesterwerken uit diverse eeuwen, vervolgens een tijdlijn met archeologische/historische voorwerpen, dan drie zalen met respectievelijk moderne kunst, postmoderne en hedendaagse kunst, design en mode.

Het Groninger Museum in een notendop, gevuld met voorwerpen die in de loop der eeuwen zijn verzameld en dus het verhaal van museum, Stad en Ommeland vertellen. Alle conservatoren mochten voorwerpen inbrengen. Marcel Smalgemeijer zorgde voor een vormgeving die neerkomt op Groninger musea in het Groninger Museum. Iedere zaal heeft een compleet eigen sfeer.

Wie de slotruimte met de historiserende mode van Bernhard Willhelm en Jutta Kraus verlaat kan óf terug naar de historische portrettengalerie, óf een bezoek brengen aan De Ploeg-kunst. Die verzameling is heel fraai, maar vooral slim in het hart van De Collectie geplaatst. Met als gevolg dat de nieuwe opstelling eerder oogt als teken van continuïteit dan van een breuk met het turbulente verleden.

De Collectie is semi-permanent. Alles blijft staan tot publiek en museum er genoeg van krijgen. Andreas Blühm ging er gisteren van uit dat de nieuwe opstelling zeker twee jaar meekan. Waarna er een verversing zal plaatsvinden. Voor het zo ver is, moeten alle Groningers op bezoek zijn geweest. Om ze over de streep te trekken krijgen ze later dit jaar recht op een gratis bezoek. De mazzelaars.


De streektaalwereld is een kleine wereld

Mörn is t weer licht – Edwin JongedijkZondag worden in Slochteren de Dagblad van het Noorden Streektaalprijzen uitgereikt. Voor de negende keer alweer. Met ditmaal zeven boeken en slechts twee cd's. De makers van die cd's zijn ook nog eens meer dan goede kennissen. Edwin Jongedijk en Jan Henk de Groot treden regelmatig samen op, met Alex Vissering, als De Troubadours. De streektaalwereld is een kleine wereld.

Weerom – Jan Henk de Groot,,Het is een eer dat ik genomineerd ben, maar dat ik het moet opnemen tegen Jan Henk geeft een dubbel gevoel”, zegt Jongedijk. ,,Een beetje raar is het wel. Eigenlijk worden we tweede en derde”, mijmert De Groot. ,,Ik heb van de jury begrepen dat Daniël Lohues zou winnen als hij volgens de reglementen mee mocht doen.” Jongedijk: ,,Gelukkig bestaan er geen verliezers in de muziek.”

Jongedijk was eerder genomineerd met zijn Groningstalige debuut As Ik De Kaans Zol Kriegen. Dit jaar dingt hij mee met Mörn Is T Weer Licht. ,,Het album is gemaakt met een band in gedachten”, vertelt hij over de totstandkoming. ,,Het is een melancholieke plaat. Muzikaal interessanter dan de vorige, vind ik. Ik heb meer verdieping gezocht. En mijn Gronings is beter geworden.”

De Groot doet nu mee met diens Groningstalige debuut, Weerom. ,,Een verhaaltjesplaat, een beetje folk-achtig. Maar er staat ook een disco getint nummer op”, duidt hij. ,,Weerom is een album met twee kanten. Het gaat over het nu. Maar het gaat ook over nostalgie, over de tijd van mijn jeugd en de tijd dat ik naar het radioprogramma De Stamtoavel van Radio Noord luisterde.”

De Groot (Zuidhorn, 1975) timmerde eerder aan de weg met de band Henkus. Drie jaar geleden werd hij door Hans ten Have uitgedaagd het Gronings te proberen. ,,Bij ons thuis werd geen Gronings gesproken, ik ben opgevoed vanuit de gedachte dat je netjes moest spreken. Ik heb het Gronings lang voor mij uitgeschoven. Inmiddels beleef ik er veel plezier aan. Het voelt heel dichtbij. Ik heb bijvoorbeeld een lied over mijn buurvrouw, die nog bij naam genoemd wordt ook. Dat zou ik in het Engels nooit doen. De nummers komen ook heel snel.”

Jongedijk (Noordwolde, 1976) begon in het Engels, nog altijd treedt hij op met de band Taneytown. ,,Ik kom uit de Stellingwerven. Dat op straat Nedersaksisch werd gesproken, daar stond ik nooit bij stil. Het Gronings heb ik altijd al erg mooi gevonden. En die liefde neemt alleen maar toe. Het is persoonlijker. De muziek die ik met Taneytown maak, is vaak een compromis, en dat is prima. Dit doe ik solo, volgens mijn eigen opvattingen. Daar past het Gronings heel goed bij.”

Zowel Jongedijk als De Groot bracht zijn plaat uit in eigen beheer en gingen voor de distributie in zee met Marista uit Dronrijp. ,,Net als de vorige keer heb ik opgenomen in No Pussy Blues Studios in Groningen. Aftikken en spelen maar”, vertelt Jongedijk. ,,Ik zat in huisstudio’s tussen de was”, vertelt De Groot. ,,Bij mij op zolder en bij de drummer in de garage. Voor het afmixen ben ik in zee gegaan met Michel Hoogeboezem.

Opvallend: beiden hebben met de Groningstalige muziek meer succes dan met hun Engelstalige repertoire: meer optredens, meer radio, meer publiciteit. De Groot: ,,Voorheen speelde ik vooral in Stad. Nu kom ik overal, op mooie plekken – laatst trad ik op in Het Klooster in Ter Apel.” Jongedijk: ,,Zing je in het Engels, dan gaan mensen er doorheen praten. Zing je in het Gronings, dan wordt er geluisterd. De reacties zijn ook veel beter. Emotioneler. Wat ook mooi is, je kunt bijna overal met Gronings terecht. Overal waar ze Nedersakisch spreken, mag ik optreden.”

Gevraagd naar adviezen voor beginnende Groningstalige muzikanten vertellen de twee vrijwel hetzelfde. De Groot: ,,Pak het professioneel aan. Zorg voor goede liedjes. En win voor teksten advies in bij mensen die weten hoe je in het Gronings moet schrijven. Jongedijk: ,,Zorg dat je je muzikaal onderscheid. En laat je teksten nakijken door iemand die verstand heeft van de taal, daar worden ze beter van. En doe vooral wat je wilt doen.”


Klassiek op de krant

Radio 4 kwam gisteren uit Groningen. Dat wil zeggen: de publieke omroep voor klassieke muziek was ter gelegenheid van Klassiek in de Stad neergestreken in De Prinsenhof in Groningen om van daaruit uitzendingen met veel livemuziek te verzorgen. Leuk voor de luisteraars in den lande, maar ook fijn voor alle musici die het Noorden als uitvalsbasis hebben. En dat zijn er nogal wat; Groningen kent een rijke muziekcultuur.

Ensemble Montage
Hoofdredacteur Peter Sijpersma (midden) van Dagblad van het Noorden greep de komst van Radio 4 aan om een miniconcert op de redactievloer te regelen. Iets na 17.00 uur gaf Ensemble Montage aan de Lubeckweg een uitvoering in de buurt van wat wij 'de eindtafel' noemen, de plek waar alle kopij persklaar wordt gemaakt. Celliste Judit Berendschot en altvioliste Annemieke Huls speelden aldaar muziek van Béla Bartók en Zikmund Schul.

Wat er daarna gebeurde leest u allemaal in de krant van vandaag.


Literatuurclubs voorzichtig op zoek naar vernieuwing

LiteratuurclubsDe stichting Literatuurclubs Drenthe presenteerde maandag de boeken die komend seizoen in Drenthe, Groningen en Overijssel worden gelezen: Vele Hemels boven de zevende van Griet Op De Beeck, We hebben nieuwe namen nodig van NoViolet Bulawayo, De gele vogels van Kevin C. Powers en Ventoux van Bert Wagendorp.

Bovenal werd een vernieuwde website in gebruikgenomen, als uiting van een nieuwe koers. Dat gebeurde in de modernste bibliotheek van Drenthe, in De Nieuwe Kolk in Assen. Met behulp van een groot, maar niet altijd even gehoorzaam aanraakscherm. ,,Ik voel me net Herman de schermman”, sprak bestuurslid Bert Altena.

De site is gemaakt voor zittende én potentiële leden. ,,Geschikt voor tablet en telefoon”, vertelde Altena. ,,Het is geen tovermiddel, maar een van de manieren om meer doelgroepen te bereiken. We vergrijzen. Om een stabiele organisatie te blijven, is nieuwe aanwas nodig.”

In de stad is het niet moeilijk om een leesclub op te zetten, schetste Altena. ,,Je plaatst een oproep op Facebook en hebt zo een groep jonge mensen bij elkaar – die daarna weer uit elkaar gaat. Op het platteland gaat het anders. De kunst is vernieuwen en toch de achterban vasthouden.”

Om die reden verloopt de flexibilisering en vernieuwing in Drenthe, met slagen om de arm. Zo wordt de introductie van het e-boek nog onderzocht en is de stichting vooralsnog huiverig voor het online plaatsen van boekbesprekingen. Wel wordt voorzichtig een begin gemaakt met het organiseren van bijeenkomsten op verschillende locaties. De ontmoetingen met schrijvers zullen niet langer alleen in Westerbork plaatsvinden.

Wat ongewijzigd blijft is de kern: lezen gebeurt solitair, bespreken gezamenlijk, al dan niet met begeleiding. Ieder jaar kiest de stichting vier literaire werken die discussie te weeg brengen en met korting kunnen worden aangeschaft. Altena: ,,Als onze leden besluiten een boek te lezen, kan een uitgever een nieuwe druk opleggen.”

Met 2400 leden verspreid over 250 eenheden is de stichting Literatuurclubs Drenthe nog altijd een factor van belang in het literaire leven van Noord-Nederland. Dat is al zo sinds 1970, toen de Drentse plattelandsvrouwen besloten dat het georganiseerd lezen van literatuur goed is voor verbeelding en welbevinden.

Nergens hebben de leeskringen zich zo goed georganiseerd als in Drenthe. Op de voet gevolgd door Groningen en Overijssel. Samen bereiken ze 3400 lezers in Noordoost-Nederland. Bestuurslid Nynke van den Akker: ,,Laatst hadden we in Borger de IJslandse schrijver Jon Kalman Stefánsson op bezoek, samen met een paar dames van uitgeverij Anthos. Die waren diep onder de indruk. Het was zijn enige bezoek in Nederland. Daarna mocht hij naar Brussel.”


Bij een dode koe en de Balloër Esch

Geschenk Drents Museum
Bracht een bezoek aan het Drents Museum voor Theo Colenbrander (1841 – 1930), architect, tekenaar, keramiekontwerper, interieurarchitect, ontwerper van tapijt en boekbanden, industrieel vormgever. Een groot kunstenaar, aldus het museum. Woensdag, deo volente, meer daarover in Dagblad van het Noorden.

Op de terugweg langs het wandje met de nieuwe aanwinsten gewandeld. Dit keer Balloër Esch uit 1982 van Berend Groen en Dode koe uit 1978 van Alfred Hafkenscheid. Een schenking van gemeente De Wolden. Dat liet recent alle kunst in het gemeentehuis in Zuidwolde in kaart brengen en kwam tot de slotsom dat 'deze twee prachtwerken een professionele omgeving en aandacht van veel publiek verdienen'.

Prima. Mooi. Vermoedelijk omdat een dode koe zich goed in de bek laat kijken, borrelde spontaan de vraag op waarom en voor welke bedragen De Wolden destijds deze werken heeft aangeschaft. Groen werd geboren in Nieuwe-Pekela en is gestorven in Zeijen. De Balloër Esch ligt bij Rolde. Hafkenscheid is geboren in voormalige Nederlands-Indië en woont en werkt in Schipborg. In de omgeving van De Wolden lopen vooral paarden.

Het is niet altijd prettig om overal lastig gevallen te worden door vragen.


Hanny Michaelis smeekt: lijf mij in

Hanny Michaelis

Toch fijn dat er zoiets is als een Poëziekalender. Vandaag lezen we, met dank aan samenstellers Ester Naomi Perquin en Menno Hartman, een gedicht van Hanny Michaelis (1922 - 2007). De QR-code op de ommezijde leidt dit keer, niet zo heel spectaculair, naar een webpagina van uitgeverij Van Oorschot waarop de Verzamelde Gedichten worden aangeprezen.


Toal en taiken: Groninger trots in tekst en beeld

TaikenVerbaasden we ons vorige maand over het pak snei op de omslag van het Drentse tijdschrift Maandewark/ Oeze Volk, deze maand kunnen we ons verbazen over een pak snij op de omslag het Groninger tijdschrift Toal En Taiken. Op het eerste gezicht zijn er weinig verschillen tussen de Drentse en de Groningse cultuur. Beiden houden zich staande onder een en dezelfde hemel.

Afgaand op het jongste nummer gaat dat de Groningers goed af – welk een luxe, welk een variëteit, welk een trots in Toal En Taiken. En dat terwijl de inhoud van het blad, net als in Drenthe, veelal neerkomt op terugkijken. Naar de tijd dat nuttege handwaarken op t lesreuster stond, volgens Aafke van Hoorn-Meinardi zo’n zestig jaar geleden. Naar de gloriejaren van de ploffiets, met dank aan verzamelaar Sieger Woddema uit Zoutkamp.

Terugkijken doet ook Tonko Ufkes. In zijn rubriek Tonko’s Hörntje staat hij stil bij het begin van de Groninger renaissance zoals die zich dertig jaar geleden heeft voltrokken met de oprichting van tijdschrift Krödde in 1982, de oprichting van Toal En Taiken in 1983, het debuutalbum van Ede Staal in 1984 en de benoeming van Siemon Reker datzelfde jaar tot eerste streektaalfunctionaris van ons land. Wat zat er toen in het water?

Vorige maand zwaaide Reker af, zijn opvolger is Eline Brontsema. Een vrizze jonge maaid van 25, aldus Jur Engels in een terugblik. Ook Ede Staal heeft min of meer navolging gekregen. Joop van den Bremen interviewde Edwin Jongedijk, een in de Stellingwerven geboren marechaussee die als muzikant in Pekela het Gronings onder de knie probeert te krijgen. Voor het volgende nummer hopen we ondertussen op een interview met Marlene Bakker, mede namens Jur Engels.

Hoogtepunt van dit winternummer is een reportage waarin Coosje Hoekstra ons kennis laat maken met Geert de Haan uit Winsum, Nelly van der Molen uit Stad en Kees Wierenga uit Eelderwolde. Alle drie emigreerden zestig jaar geleden naar Australië, of meer precies naar Tasmanië, nog vernoemd naar Abel Tasman uit Lutjegast. Groningen is overal en het vaderland blijft trekken, lezen we tussen de regels door.

Zelf woont al Hoekstra al jaren in Emmen. Voor Toal En Taiken laat ze zich graag voorstaan op haar geboortedorp: Scheemda.

Tijdschrift Toal En Taiken. 32e joargang – 1. Verschijnt zes keer per jaar. Uitgever t Grunneger Bouk. Abonnement 17,50 euro.


Oom Joost, Jozef en de Gebroeders Brouwer

Sint JozefDe onweerstaanbare stem riep mij naar Bodegraven, naar de Sint Willibrorduskerk aan de Overtocht 18. Waar ik naast mijn ouders de bank in schoof om afscheid te nemen van peetoom Joost, echtgenoot van tante Truus, die door haar broers en zussen Truid wordt genoemd. Een jaar geleden had ik Joost voor het laatst in levende lijve gezien. Nu lag hij in een gesloten kist, bovenop was zijn foto geplaatst.

De fotograaf had 'm lachend vastgelegd, precies zoals ik hem kende. Niet uitbundig, maar vriendelijk. Alsof we er niet al te zwaar aan moest tillen, aan het lot en het leven, maar alles 'gewoon' moesten dragen, in voor- en tegenspoed. Als ware het een mand met bestelde en reeds betaalde boodschappen die ondanks regen en gladheid volgens taak en afspraak bezorgd moest worden.  

Ik probeerde te herinneren in welk jaar ikn voor het laatst bij hem thuis was geweest. Het lukte niet. In mijn geheugen speelde oom Joost een bijrol. Groenteboer was hij geweest. Sigarettenroker. Bewoner van een kleine huurwoning. Echtgenoot van mijn tante, vader van drie kinderen. Geboren, getogen en gestorven in Bodegraven. Vertegenwoordiger van een generatie die het hedendaags spektakel aan zich voorbij liet gaan.

De pastoor van de kerk noemde hem Jozef en verwees daarbij naar zijn naamdag. Ik keek naar mijn neef en mijn nichten een stukje verderop in de kerk, naar mijn uitgedunde familie. Ik voelde de warmte van mijn vader, weer kleiner en krommer geworden, met naast hem mijn moeder, nog kleiner en dunner. Er was orgelspel. Er werd gezongen. Wij zongen mee, op de verlegen, aarzelende wijze die ons eigen is.

Uit de woorden van de pastoor begreep ik op dat Joost Maria-fan was. Een kleindochter las voor uit het boek Prediker: "Voor alles wat gebeurt is er een uur, een tijd voor alles wat er is onder de hemel." De pastoor vertelde ook dat Joost de laatste jaren van zijn leven gehecht was geraakt aan een tekst van Augustinus: "Ween niet. De dood is niets. Ik ben slechts naar de andere kant. Ik ben mezelf, jij bent jezelf. Wat we voor elkaar waren, zijn we nog altijd."

Ik keek de kerk rond, zag in een hoek schimmel onder het glas en lood. Ik dacht: Je leven lang groenteboer in Bodegraven en dan, na de pensionering en een reis naar Lourdes, in bekoring raken van de woorden van Augustinus. De wonderen gaan de wereld nooit uit. "De draad is niet gebroken. Waarom zou ik uit je gedachten zijn? Omdat je me niet meer ziet? Nee, ik ben niet ver, juist aan de andere kant van de weg. Zie je, alles is goed."

Er werd nog meer gezongen. Achter mij hoorde ik de stem van de jongste broer van mijn vader, die nog op een koor heeft gezeten - de broer, niet mijn vader. Zingen ging nog wel, maar de stem klonk versleten. Mijn vader, die nooit zingen heeft geleerd, humde wat, onverstaanbaar, maar met gevoel voor melodie. En ik zong ook, voor zover ik de teksten kon reproduceren. We gingen staan, we gingen zitten. We gingen ter communie. We sloegen een kruis. Er was een collecte. We hadden weer eens geen geld meegenomen.

Na afloop van de dienst liepen we achter de kist de kerk uit, en zochten we de auto voor de tocht naar een crematorium in Alphen aan de Rijn. De stemming was gelaten, zeker niet bedrukt. Sommige gebeurtenissen zijn onvermijdelijk, we hebben niets te zeggen over het tempo waarin ze tot ons komen. Het overlijden van Joost, die in de Sint Willibrorduskerk Jozef werd genoemd en het werk van Augustinus kende, was zo'n gebeurtenis.

In het crematorium veranderde de sfeer van gelaten naar losjes, van rouw naar reunie. Er werd niet langer bedrukt gemompeld. De gesprekker werden luiden, er werd zelfs voorzichtig gelachen. Dat hield op toen boven een deur een display met het woord STILTE werd ingeschakeld. Ineens hoorden we ook muziek. Ik herkende de Gebroeders Brouwer, en voelde daarbij een merkwaardige voldoening over mij heen komen. Oom Joost en de Gebroeders Brouwer, natuurlijk.

Begeleid door trompetklanken wandelden we een ruimte vol stoelen binnen, ingericht volgens de geruststellende symmetrische opvattingen waar het uitvaartwezen patent op heeft. De kist met de foto stond in het midden van de zaal. Een voorganger hield een toespraak waarin het leven werd vergeleken met de reis in een boemeltrein. Hij vertelde hoe muziek ons kan helpen bij het uiten van gevoelens. Daarna luisterden we naar Rob de Nijs, Frans Bauer en Sting.

Tot slot liepen we allen naar de kist, voor een allerlaatste groet. Daar zag ik hoe onscherp de foto was.


Wakker Emmen of zwakker Emmen

WakkerEmmen
Nieuwsgierig geworden door de uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen in Emmen reisden we naar Klazienaveen, bolwerk van oppositie, om te zien hoe daar de resultaten zijn ontvangen. Hoewel de kiezers een omwenteling hebben veroorzaakt  – Wakker Emmen is nu net zo groot als de PvdA, CDA en VVD samen –  was alles rustig. Niemand juichte. Iedereen leek de adem in te houden voor wat komen gaat.

Als René van der Weide zijn beloften kan waarmaken, krijgen we vier jaar waarin de windmolens worden tegengehouden, de zorg ondanks bezuinigingen uit Den Haag op peil blijft, de put die het Atalanta-project heet een bodem krijgt, alle dorpen worden opgeknapt, meer geld naar sport gaat, minder naar kunst en cultuur. En: met minder ambtenaren lokaal eenvoudige oplossingen worden bedacht voor ingewikkelde problemen die elders zijn veroorzaakt.

Wakker Emmen of zwakker Emmen?