Poëzieweek lijkt in Emmen eigenlijk al begonnen
Loflied op Dichter des Vaderlands Ramsey Nasr

Na de streektaal volgt de gevangenis-poëzie

De Week van de Poëzie telt zo veel poëzieactiviteiten dat zaterdag al een begin moest worden gemaakt. Eerst in Emmen, met in de bibliotheek de streektaaldichters Hermann May, Ger Veenstra, Gerd Constapel en Gezienus Omvlee. Daarna 's avonds in Het Paleis in Groningen 'live' met Menno Wigman, Ester Naomi Perquin en Luuk Gruwez, terwijl H.H. ter Balkt en Sybren Polet op filmpjes van Arjen Nolles werden vertoond.

StefanNieuwenhuis
Het ging er in Groningen tijdens de zogeheten proloog van de Poëziemarathon laagdrempelig aan toe, al werkte de geluidsapparatuur niet altijd mee. Presentator Coen Peppelenbos liet in Het Paleis ongeveer vijftig bezoekers kennismaken met de vijf dichters die zijn genomineerd voor de VSB Poëzieprijs. Stefan Nieuwenhuis (foto), nog even stadsdichter van Groningen, draaide er plaatjes bij: stemmen van dichters die ooit zijn gevangen op vinyl, veelal opgeduikeld in antiquariaten.

Die vijf dichters weten overigens al waar ze aan toe zijn, zondagmiddag zijn ze per telefoon op de hoogte gesteld van de verdeling van het prijzengeld. Woensdag krijgt de 'consument' te horen wie 25.000 euro mag besteden. In boekenbijlagen en op literaire websites is de afgelopen dagen druk gespeculeerd over de uitslag. Menno Wigman is met zijn bundel Mijn naam is legioen favoriet, Vliegtuigmagneet van H.H. ter Balkt wordt ook genoemd.

Wigman was zaterdag alvast in goeden doen. Hij onthulde vrolijk-onrustig geen kandidaat Dichter des Vaderlands te zijn ("het wordt een vrouw"), vertelde over het einde van zijn writers-blok ("ik werd verliefd") en kondigde aan dat hij binnenkort een workshop poëzie gaat geven in de Bijlmer-bajes. "Ik hoop op een witteboordencrimineel die na zijn na zijn studie eindelijk weer eens iets moois maakt."

Perquin en Gruwez deden niet voor Wigman onder. De eerste vertelde over haar bundel Celinspecties, geïnspireerd door de jaren dat ze voor het ministerie van justitie werkte. "Ik had geld en een woning nodig." Perquin begon als bewaarder. "Ik was 21 jaar, piepjong. In de gevangenis noemden ze mij S Ester-er, wat toch merkwaardig is voor iemand met twee Joodse voornamen." Later stapte ze over naar de administratie. "Daar perforeerde ik de gedetineerden en hing ze op alfabet."

Alsof het afgesproken was, bleek ook Gruwez iets met gevangenen te hebben. Hij droeg in Groningen voor uit een cyclus geschreven na zijn ontmoetingen met András Pandy, die in Leuven een levenslange straf uit zit voor de moord op zijn twee vrouwen en vier van zijn stiefkinderen. "Ik heb daar geen oordeel over", vertelde Gruwez. "Die man is al veroordeeld, dus dat hoef ik niet meer te doen."

En iedereen las voor uit eigen werk, zo veel en zo lang mogelijk, behendig en bedreven. Terwijl buiten de dooi in zette, dwarrelden aldus antwoorden, anekdotes, verklaringen en gedichten als sneeuw op ons neer. Schijnbaar zonder verband, maar wel degelijk in gang gezet door een aantoonbare oorzaak: de eerder genoemde Week van de Poëzie. In het leven geroepen om een groter bereik te creëren voor gedichten en dichters.