Over ‘Piet Esser. Verbeelden van het zien’
Over ‘Naar de boeren’ van Frans Nieuwenhuis

Geloof begint aan het graf

De Evangelische Omroep zendt momenteel de televisieserie God in de lage landen uit. In de reeks wil Ernst Daniël Smid laten zien ‘hoe het geloof ons land is binnengekomen’. Smid – onder meer bekend als presentator van het muziekprogramma Una Voce Particolaire – gebruikt daarbij de volgende aanbeveling: “De kerk staat aan de basis van onze cultuur, onze tolerantie en onze welvaart.”

Wie zich makkelijk bij de hand laat nemen, kan van God in de lage landen veel opsteken. Dat we via de missionaris Liudger (742 – 809) tot het christelijk geloof zijn gekomen bijvoorbeeld, dat de Benedictijnen middels hun kloosterleven grote invloed hebben gehad en, afgelopen zondag in aflevering drie, welke functie de kerk de afgelopen duizend jaar in de samenleving heeft vervuld.

WillbrordDeApostelDerFriezen
De claim van de EO dat met de komst van het christendom in de lage landen de basis werd gelegd voor ‘onze cultuur, onze tolerantie en onze welvaart’ is natuurlijk overtrokken. Onze beschaving begon niet met het omhakken van een eik – vraag het de Friezen. En, alle inspanningen van Willibrord (illustratie J.H. Isings), Bonifatius en Liudger ten spijt, ook voor hun komst bestond er al zoiets als tolerantie en geloof in de lage landen.

Los van de EO-serie is er een verhelderend boek verschenen over de vroege sporen van religie in Nederland: Van hunebed tot Bonifatius. Hierin vertelt docent kerkgeschiedenis Gert van Klinken met veel verwijzingen naar archeologische vondsten over de wijze waarop vóór zeshonderd werd omgegaan met religie: ‘de band tussen het leven zoals zich dat aan ons voordoet (het profane) en een hoger en ouder, veelal tijdloos opgevatte sfeer (het heilige)’.

Hoe oud het religieus besef van de mens is, weten we niet. Maar afgaand op grafvondsten bij Mariënberg in Overijssel kunnen we wel vaststellen dat het rond 5400 voor Christus belangrijk werd geacht de doden gereedschappen mee te geven. Zoals vaker in geloofskwesties is er geen sluitend bewijs, maar het zou duiden op een cyclische voorstelling van het bestaan, op het idee dat leven en dood in een vast ritme in elkaar overgaan.

Grafvondsten vormen een interessante bron voor wie iets wil weten over de waarde van leven en dood. Minstens zo interessant is de manier waarop de doden werden begraven. Zo is in Swifterband een begraafplaats voor meerdere generaties aangetroffen; blijkbaar vond men het van belang om voor- en nageslacht bij elkaar te houden. “De doden waren verdwenen, maar maakten nog steeds deel uit van een collectieve herinnering die door verhalen werden doorgegeven”, memoreert Van Klinken.

Er waren ook andere manieren om contact te leggen tussen het profane en het heilige. In Barger-Oosterveld werden in 1957 resten van een tempeltje uit 1500 voor Christus aangetroffen. Of het bouwsel was opgericht voor een dodenritueel of om goden te eren, staat niet vast. In ieder geval was het een plek waar offers werden gebracht. Dat gebeurde vaker in de bronstijd: in 1900 werd in Overijssel een platform van berkenhout ontdekt met daarop een bronzen sierzwaard, speciaal gemaakt voor rituelen.

Dankzij opgravingen in Noord-Nederland weten we dat er veel werd geofferd, tot aan het Meisje van Yde toe. Over de rol die goden daarbij speelden, wordt pas meer duidelijk na de komst van de Romeinen omstreeks 50 voor Christus. “De enige religieuze praktijk die overal in het Romeinse rijk verwacht werd, was de keizercultus”, schrijft Van Klinken. “Dit was een betuiging van loyaliteit, geen uiting van het idee de keizer zelf een god zou zijn. Vergoddelijking van een heerser vond pas na diens dood plaats, bij besluit van de senaat.”

Ten tijde van de Romeinen kregen inheemse godsdiensten gelegenheid zich aan te passen. Polytheïsme bood iedereen ruimte om op eigen wijze contact met het goddelijke te zoeken. Daarnaast begonnen goden invloed van elkaar te ondergaan, stelt Van Klinken. “De grenslijn tussen religies werd als het ware poreus: de Bataafse cultus van Magusanus werd gelijk gesteld met Romeinse verering van Hercules. Gaandeweg kwam de gedachte op dat de verschillende godheden slechts manifestaties waren van één en dezelfde hoogste god.”

De internationale samenstelling van het Romeinse leger zorgde voor nieuwe invloeden. Eén daarvan was het christendom, dat voet aan de grond kreeg omdat het zich niet tot een gebied beperkte, maar openstond voor alle lagen in de bevolking en alle etnische groepen. Bovendien was de nieuwe godsdienst niet gericht op een onpersoonlijke, grillige godheid gericht die door mensen kon worden aangeroepen, maar op een godheid met wie een geloofsrelatie kon worden onderhouden.

Het christendom kreeg pas echt bekendheid in Nederland toen keizer Constantijn het in de vierde eeuw tot erkende religio licita verhief. En hoe aantrekkelijk en modern de nieuwe godsdienst zich ook manifesteerde, niet iedereen zwichtte voor het heil. Met name het concept van de verlossing vormde een struikelblok, omdat het een breuk met het cyclische betekende. Wie voor een eeuwig leven na de dood koos, zou definitief afscheid nemen van zijn voorouders.

GertVanKlinken Na de val van het Romeinse rijk zorgde paus Gregorius voor een doorbraak. Op basis van het Nieuwe Testament zou Christus terugkeren wanneer aan alle volken op de wereld het evangelie bekend was gemaakt. Gregorius koos daarbij voor de geleidelijke weg die eerder door de Romeinen was bewandeld: offermaaltijden mochten worden voortgezet en Maria werd naar voren geschoven als antwoord op de godinnencultus, heilige plaatsen dienden niet te worden vernietigd, maar aangepast.

Desnoods met een bijl.

Boek: Van hunebed tot Bonifatius. Auteur: Gert van Klinken. Uitgever: Meinema. Prijs: €19,90 (286 blz.). Het derde deel van ‘God in de lage landen’ met Ernst Daniel Smid wordt iedere zondag vanaf 21.10 uur uitgezonden op Nederland 2.