Wat een mooite: niet speciaal voor kinderen
Nu even niet

De revanche van de poëzie? Bijna

De100besteGedichten “Poëzie staat al ruim een eeuw op de eerste plaats”. Met deze zin opende hoogleraar moderne letterkunde Gillis Dorleijn zijn voorwoord in de bundel De 100 beste gedichten van 2002. En hij vervolgde: “De belangrijkste debatten zijn doorgaans debatten over poëzie en zij markeren bijna zonder uitzondering de gang van de literatuur. De lezers mogen ondertussen proza lezen, de uitgevers mogen aan deze romans het meest verdienen, in eerste en laatste instantie vindt iedereen dat je voor de echte literatuur bij de poëzie moet zijn.”

 

Het voorwoord van Dorleijn doet vreemd aan nu zo volop en hevig wordt gediscussieerd over de toekomst van de roman. Voor wie het is ontgaan: hoogleraar Nederlandse letterkunde Thomas Vaessens heeft een hoop stof doen opwaaien omdat zijn boek De revanche van de roman gelezen kan worden als een pleidooi voor de geëngageerde roman, voor literatuur die zich betrokken toont bij de samenleving. En zoals gebruikelijk in het literaire debat wordt daarbij volop geschreeuwd en gescholden.

 

Drie jaar geleden wist Vaessens ook al een storm aan kritiek te ontlokken, destijds met Ongerijmd succes. Over poëzie in een onpoëtische tijd. Hoewel het twee verschillende boeken betreft, zijn de verbanden opmerkelijk. Stelde de hoogleraar in 2006 dat de literatuur ‘haar centrale plaats in de cultuur en het intellectuele leven kwijt is’, anno 2009 komt hij min of meer met een oplossing voor dat probleem. Hij pleit voor ‘demonstraties van de verbondenheid van de literatuur met de huidige wereld’.

 

In de ogen van zijn critici gaat dat te ver. Kunst – en dus ook literatuur – is vrij en moet helemaal niets, luidt de redenering. En dat is helemaal waar, maar die critici gaan voorbij aan Vaessens constatering dat de lezer van nu heel anders met literatuur omgaat dan vroeger. Hij vraagt zich – heel legitiem – af of de literatuur nog wel gelijke tred kan houden in een samenleving waarin de lezer zapt, knipt en plakt, waarin niet zozeer in stromingen en tradities wordt gedacht, maar alles, hoog en laag, gelijkwaardig naast elkaar lijkt te bestaan.

 

Helemaal alleen met zijn zorgen staat Vaessens niet. Er ís ontlezing. Er wórdt steeds minder literatuur gelezen. Tijdens de laatste Boekenweek roerden Gerrit Komrij en Connie Palmen de trom bij de opmars van de chicklit het succes van de ‘literaire’ thriller. Hypes domineren de boekenwereld. Veelzeggend: na de dood van columnist Martin Bril signaleerde het RTL Nieuws zelfs ‘verslagenheid op straat’ – iets wat zich bij het overlijden van Gerard Reve, Jan Wolkers en Hugo Claus niet had voorgedaan.

 

Terug naar de poëzie. Twee jaar na Gillis Dorleijn schreef Henk van der Waal het voorwoord bij De 100 beste gedichten van 2006. Van der Waal, filosoof en dichter, toonde zich somber, vooral vanwege ‘de wonderlijke discrepantie tussen de toenemende populariteit van gedichten en dichters en de teruglopende verkoop van dichtbundels’. “Een zorgelijke ontwikkeling”, aldus Van der Waal die de dichtbundel als de natuurlijke biotoop van de dichter ziet. “Omdat gedichten gemaakt zijn om te lezen. Alleen wie een gedicht leest, kan het op zijn merites beoordelen.”

 

Dat laatste is slechts ten dele waar. Want gedichten zijn niet alleen gemaakt om te lezen. Ze worden gemaakt om de kunst, maar ook om te troosten, te stichten en te vermaken. Een deel is vooral gemaakt voor de voordracht, gesproken of gezongen - dat is al zo sinds de Middeleeuwen. Los daarvan gaat het voorbij aan het gegeven dat lezen maar één van de manieren is om kennis te nemen van literatuur. Een zeer belangrijke, zeker sinds iedereen op school heeft leren lezen – dat dan weer wel.

 

Jan-Hendrik Bakker schreef ooit voor tijdschrift Ons Erfdeel beschouwing over wat hij noemt nieuwe literaire verschijningsvormen. “Internet en dvd-recorder zijn de belangrijkste vehikels van de hedendaagse narratieve verbeelding geworden”, stelde hij in zijn stuk De nieuwe oraliteit. “De boekenkast verdwijnt uit de woonkamer of verschijnt er juist als object van nostalgie en snobisme.” (…) “Niets is makkelijker dan het nieuwe de rug toekeren en alleen te kijken naar wat zich al bewezen heeft.”

 

Opvallend veel ‘nieuwe literaire verschijningsvormen’ zijn afkomstig uit de poëzie. De e-poëzie van Marc Boog bijvoorbeeld, te zien via www.poetryinmotion.nl, de visuele poëzie van Tonnus Oosterhoff. Maar ook luisterboeken waarop schrijvers of dichters hun werk voorlezen en tal van andere experimenten: stiftgedichten, sms-gedichten, twitter-gedichten, flarfs. Bakker: “Waar vrijwel elke dichter tegenwoordig zal erkennen dat zijn gedichten ‘zegbaar moeten zijn, staat de schriftuur van een romanschrijver vaak veel verder af van het spreken.”

 

De revanche van de poëzie? Zo ver is het niet, maar het lijkt er op dat dichters er beter in slagen een vinger aan de pols te houden dan de romanschrijvers. Als was het alleen maar omdat dichters blijkbaar eerder dan romanschrijvers geneigd ‘het nieuwe’ te omarmen. Performancedichters mogen in de regel op papier weinig beklijvende poëzie afscheiden, ze zijn er – bijgestaan door het legertje light verse dichters – wel in geslaagd een nieuw publiek aan te boren. In tijden van ontlezing mag zoiets zeker een verdienste genoemd worden.

 

Dit jaar is Rob Schouten gevraagd zijn licht te laten schijnen over de actuele stand van zaken in de Nederlandse poëzie. “Om te overleven moeten dichters optreden, verzen in opdracht schrijven, meedoen aan interdisciplinaire projecten”, schrijft hij in zijn voorwoord bij De 100 beste gedichten van 2008. “De dichter van tegenwoordig wordt niet alleen meer aangejaagd door inspiratie en heilig vuur, de befaamde furor poeticus, maar ook door mensen en instituten die iets van hem vragen.”

 

Niet iedere dichter zit daar op te wachten – denk aan de hoepelact van Ramsey Nasr tijdens de verkiezingscampagne voor de Dichter des Vaderlands en recent de terugblik van spijtoptant Joke van Leeuwen in Taalschrift: “Te veel heisa naar mijn zin.” En ook Rob Schouten heeft er zo zijn bedenkingen bij. “Ik geloof niet dat de toegenomen openbaarwording en commercialisering van de dichtkunst veel schade heeft aangericht; hopelijk laat ook deze bloemlezing zien dat de zaak in wezen nog kerngezond is.”

 

Toch is Schouten minder reactionair dan hij doet voorkomen. Hij ziet dat in tijden van weblogs en Hives de publicatie van een bundel voor een dichter niet langer doorslaggevend en zaligmakend is. Hij constateert zelfs het ontstaan van een oecumene waar dichters elkaar ontmoeten en verdragen. “Dichters van heel verschillende snit konden niet langer aan elkaar ontkomen. Die wederzijdse beïnvloeding merk je aan alles; praterige poëzie durfde zich allengs ook ingewikkeld op te stellen, duistere dichters exploiteren hun speelse kant.”

 

Nog steeds is de poëzie in bundels – in zijn algemeenheid – kwalitatief van een hoger niveau dan de poëzie die tot ons komt via het beeldscherm en de (podium)microfoon. Maar kunst en cultuur zijn geen in massief beton gegoten zekerheden. Ook de literatuur is in beweging, met horten en stoten, voorwaarts, achterwaarts en misschien ook wel zijwaarts. Vroeg of laat wordt het papier vervangen door het beeld en het geluid zoals het geluid en het beeld ooit werden vervangen door het papier.

 

Voor het zover is, kunnen ze naast elkaar bestaan.

  

Boek: De 100 beste gedichten van 2008. Samenstelling: Rob Schouten. Uitgever: De Arbeiderspers. Prijs: €9,95 (132 blz)