Dichters willen Bruinja als nieuwe Dichter des Vaderlands
Dichters met plannen: De loftrompet van Erik Menkveld

Rense Sinkgraven: Lyrischer, met meer hartstocht

Rense Nog tot eind deze maand is Rense Sinkgraven (foto: Corné Sparidaens) stadsdichter van Groningen. Daarna is hij weer gewoon dichter, organisator van literaire evenementen, docent en, sinds kort, werkzaam bij de bibliotheek Groningen. Afgelopen vrijdag verscheen bij uitgever kleine Uil zijn tweede officiële dichtbundel, Sloop de stad met tedere woorden.

 

Smilde

 

“Ik heb een jaar in Sint-Jacobiparochie gewoond. Daarna verhuisden mijn ouders naar Smilde waar mijn vader werk kreeg als monteur van landbouwvoertuigen. Mijn jongere zus is in Drenthe geboren. Ik woon nu al weer twintig jaar in Stad; Groningen is echt mijn stad. Ik ben dus eigenlijk Fries, Drent en Groninger inéén. Maar ik ben opgegroeid in een dorp. Ik heb nog een kwartier in het eerste elftal van SSSV gevoetbald, Sport Staalt Spieren Vereniging.”

 

Duivenmelker

 

“Via een vriendje die naast een duivenmelker woonde, ben ik met duivensport in aanraking gekomen. Mijn opa timmerde een hok voor mijn eerst eigen duif, en daarna heeft zich dat uitgebreid. Duiven zijn mooie beesten. Die sport is geweldig. De marathons die ze afleggen, soms wel duizend kilometer. En dan de spanning als zo’n koppel komt aanvliegen en er valt er één als eerste uit de lucht op zijn hok. Het fokken. De berekeningen wanneer een duif op zijn best is. Het is de paardensport van de kleine man. Ik heb het gedaan tot ik in dienst moest – sergeant verbindingstroepen. Daarna heeft mijn moeder het in mijn plaats voortgezet. Toen ik voor mijn studie definitief naar Groningen vertrok, heb ik er een paar duiven kunnen verkopen. De rest is naar de poelier gegaan.”

 

Poëzie

 

“Mijn liefde voor poëzie komt uit de Bijbel. Ik kom uit een gereformeerd gezin, waar veel werd gelezen, vooral door mijn moeder. Thuis lazen wij ieder dag in de Bijbel, mijn vader was overtuigd met zijn geloof bezig. Vooral de poëzie van Gerrit Achterberg is voor mij van groot belang geweest, dat heb ik jong gelezen. Net als overigens Scheppend nihilisme van W.F. Hermans. Het schrijven van gedichten zal begonnen zijn rond mijn veertiende, vijftiende. Eerst schreef ik voor een meisje waar ik in stilte verliefd op was. Daarna voor mijzelf.”

 

Filosofie

 

“In Smilde woonde één jongen op zijn zestiende al op zichzelf. In het ‘witte huis’, zoals wij dat noemde. Het was een  vrijplaats waar je alternatief kon zijn. Of in ieder geval anders dan die jongens met brommers waar alle meisjes in het dorp vreemd genoeg zo gek op waren. In dat witte huis heb ik kennis gemaakt met de filosofie van Nietzsche. En die ideeën nam ik dan mee, om me af te zetten tegen mijn vader. Discussiëren over het geloof. Het had geen enkele zin; twee van die mensen die vastzitten in hun eigen gedachtegang. Maar het heeft me wel op het idee gebracht filosofie te gaan studeren. Wat mijn vader weer niks vond. Want hoe kun je daar in hemelsnaam een inkomen mee verdienen?”

 

AC/DC

 

“Ik hou van Mozart, maar ook van AC/DC. Dat vind ik goeie rock ’n roll. Vooral de periode met Bon Scott als zanger. Toen zat er meer blues in dan na 1980 met Brian Johnson als zijn vervanger. Toen ik voor het eerst Whole Lotta Rosie hoorde, was ik dertien jaar. Die seksualiteit, die adrenaline. Zó goed. Die twee broers zijn fantastisch op elkaar ingespeeld, dat het nauwelijks geëvenaard kan worden. Het is ook de houding van die band. Ze hebben hun publiek zelf veroverd en ze zijn altijd trouw aan hun principes gebleven. AC/DC op haar best? If you want blood, you’ve got it. Live opgenomen in Schotland.”

 

Stadsdichter

 

“Mijn doel als stadsdichter was poëzie in de stad zichtbaar te maken. En ik denk dat ik daar in ben geslaagd. Dat veel van wat ik georganiseerd heb geen groot publiek heeft bereikt, vind ik natuurlijk jammer. Vooral voor de mensen die er niet bij waren. Er is niets tegen kleinschaligheid, het past heel goed bij Groningen. Het gaat er niet alleen om zo veel mogelijk mensen op been te brengen. Het gaat ook om de gebeurtenis zelf, op een Wim T. Schippers-achtige manier. Bij het evenement ‘Schreeuw het van de daken’ kreeg één van de dichters ruzie met een groep studenten. Die begonnen terug te schreeuwen. Dat hoort er ook bij. Dat kan kunst óók teweegbrengen.”

 

Kunstencentrum

 

“Ik heb met veel plezier voor de Schrijversschool in Groningen bij het Kunstencentrum gewerkt. Ik heb ruimte gekregen voor mijn ideeën. Ik heb álle steun gekregen om naast de Schrijversschool ook stadsdichter te zijn. Toch was er de laatste jaren steeds minder mogelijk. Ik weet nog steeds niet wat het Kunstencentrum precies wil met de Schrijversschool. Na acht jaar wilden ze mij geen vast dienstverband geven. Nu werk ik voor de bibliotheek. Ik hou me bezig met cursussen, het Groninger Forum, de Volksuniversiteit, de Walk of Art.”

 

Tedere woorden

 

“De stad is voor mij een metafoor voor het leven. In een stad gebeurt van alles: liefde, dood, verwoesting. Er ontstaan nieuwe dingen, er worden dingen gesloopt. Sloop de stad met tedere woorden is geen verslag van mijn stadsdichterschap. Het is meer dan dat. Het laat zien waar ik nu sta. Als ik deze bundel vergelijk met mijn debuut, Bombloesem (2005), dan ben ik veel lyrischer en emotioneler gaan dichten. Met meer hartstocht. Minder strak, minder gesloten ook, zodat er meer mogelijkheden worden opgehouden. Dat het dan soms niet wordt begrepen op de manier waarop ik het denk te begrijpen, dat is dan maar zo.”