Ambitieus beeldenpark bij De Havixhorst
Nieuwe noordelijke films bij Unzip!

Het Veenhuizen van Mariët Meester

MarietMeester  

Ook Veenhuizen leek tien jaar geleden rijp voor vergrijzing en verval. Maar zie: het dorp leeft op, er wordt getimmerd, verbouwd en kunst gemaakt. Aan de vooravond van festival Zomerzinnen, zaterdag in het Gevangenismuseum, fietste Woest en Ledig een eindje op met schrijfster Mariët Meester.

 

Natuurlijk wordt ze nog steeds herkend. Mariët Meester (1958) mag Drenthe voor Amsterdam hebben verruild, ze komt regelmatig in Veenhuizen, het dorp waar ze is opgegroeid als dochter van de schoolmeester. Haar ouders wonen er nog steeds. “Wanneer kom je weer met een nieuw boek”, vraagt Tinie Veenstra van Theetuin Zunneschien. “Nu gaat alle aandacht naar die Suzanna Jansen, maar jij bent ónze schrijfster.”

 

Meester (1958) brak door met De eerste zonde (1997), een roman waarin de grote veranderingen in het gevangenisdorp van de jaren zeventig worden beschreven. Hoewel ze verschillende genres beoefende, zoals een bejubeld portret van de Roemeense Roma, kwam ze in 2005 opnieuw met een roman waarin Veenhuizen een belangrijke rol speelt. “Ik heb hier tot m’n achttiende gewoond en ben hier vijf, zes keer per jaar”, vertelt ze. “Los kom je er nooit van.”

 

We fietsen langs de Oude Gracht richting Generaal van de Boschweg, vernoemd naar de man die halverwege de negentiende eeuw met orde en tucht paupers wilde heropvoeden en verheffen. In de jeugd van Meester was dat idee volledig achterhaald en heette Veenhuizen een geïsoleerd gevangenisdorp aan de rand van Drenthe. “Als kind stond ik niet stil bij die vreemde scheiding tussen gedetineerden en mensen die in het dorp wonen. Ik zat er gewoon tussen. Zonder enige angst.”

 

Sinds de eeuwwisseling lijkt Veenhuizen zich meer en meer aan de greep van justitie te onttrekken. Weliswaar worden nog steeds gedetineerden in het dorp ‘opgeborgen en weggestopt’, in Norgerhaven en Esserheem, maar er is een nieuwe bron van bestaan ontdekt: het erfgoed- en cultuurtoerisme. “Het is begonnen met krakers”, wijst Meester op een robuuste woning met de geveltekst ‘Vrede en Recht’. “Die maakten duidelijk dat de huizen een toekomst verdienen.”

 

Het herstel wordt gesymboliseerd door het Gevangenismuseum, na een ingrijpende renovatie goed voor ruim 70.000 bezoekers vorig jaar. Schuin tegenover opende onlangs het Erfgoedcentrum, waar de bouwgeschiedenis van het dorp centraal staat. Daar weer naast heeft theatergezelschap PeerGroup een uitvalsbasis gevonden, terwijl even verderop de kunstenaars Ad Breedveld en Sjef Meijman huizen. Meester: “Van mijn oude kleuterschool wordt een galerie voor Outsiderkunst gemaakt.”

 

Een informatiepaneel rept van een dorp met twaalfhonderd monumenten. We passeren het hospitaalcomplex - ook daar wordt gerenoveerd. ‘Vertrouw op God’ luidt het gevelopschrift, ‘Gauw bij God’ zeiden de dorpelingen. “Het is natuurlijk mooi dat er een eind komt aan het verval”, zegt Meester. “Maar het moet niet te truttig worden. Voor je het weet is het hier één groot openluchtmuseum, een Orvelte. De oorsprong van het dorp is niet zo vrolijk. En er zitten hier mensen die zware misdaden hebben begaan, dat bestaat ook.”

 

Met het koesteren van het erfgoed is het dorp niet automatisch gered. “Hier bij het Tweede Gesticht deden wij onze boodschappen”, vertelt Meester bij de ingang van het museum. “Later kwam midden in het dorp een kleine supermarkt, die ook justitie als klant had. Maar de levering van levensmiddelen moest Europees worden aanbesteed en ging naar een bedrijf in het zuiden van het land. Toen kon de winkel sluiten. Er is geen supermarkt meer. Mijn ouders zijn achter in de zeventig, en redden zich prima. Maar als ze slecht er been worden, hebben we een probleem.”

 

Nog geen duizend inwoners telt Veenhuizen. Vroeger waren ze allemaal verbonden aan justitie. Wie niet meer met gedetineerden werkte, moest vertrekken. “Daar stonden privileges tegenover, zoals gevangenen die het tuinonderhoud deden – wel zo handig want de tuinen zijn hier nogal groot. Als regel werd gesteld, dat je de gevangenen niet in je huis mocht laten. We leefden samen, maar toch was er een scheiding. En niet alleen tussen de dorpsbewoners en de gedetineerden, ook tussen het hoger en het lager justitiepersoneel.”

 

Tegenover de katholieke kerk leidt een pad langs de koepelkerk naar het Verenigingsgebouw, Er is nu een café-restaurant gevestigd. Meester wordt staande gehouden door uitbaatster Monique Boerema die informeert naar een plan voor literaire rondleidingen door Veenhuizen. In de grote zaal haalt de schrijfster herinneringen op aan toneeluitvoeringen en discoavonden. Boerema wil het toneel weer terughalen, maar de tijden van de disco zijn voorbij.

 

Ook in Veenhuizen trekt de jeugd weg, noodgedwongen. “Ik ging naar het atheneum, als enige. Bij de Vaart stapte ik op de bus. Toen ik voor het eerst naar school in Assen ging, werd ik ineens anders behandeld door mijn leeftijdsgenoten – alsof ik er niet meer bijhoorde. Daar heb ik mijn fascinatie voor ‘de buitenstaander’ aan overgehouden, denk ik.”

Zomerzinnen We mijden Klein-Soestdijk, de voormalige woning van de gevangenisdirecteur, waar mogelijk een hotel in komt en fietsen terug richting voormalige joodse begraafplaats. Meester schreef er over in de roman De volmaakte man. Rechtsaf ligt een kerkhof dat wel het Vierde Gesticht wordt genoemd, een uitgestrekt veld met volop ruimte voor toekomstige generaties. “Daar durf ik niet te komen”, gebaart ze  richting een groot grasveld. “Daar schijnt een massagraf te liggen, met gevangenen die aan een besmettelijke ziekte zijn gestorven.”

 

Als de staat van een begraafplaats iets zegt over de staat van een gemeenschap – dan weet Veenhuizen nog niet welke kant het op moet. Een deel van de zerken is verzakt, een ander deel aarzelend gerestaureerd. “Laatst belde mijn moeder dat het begraafrecht in Veenhuizen ging veranderen, een van de privileges”, vertelt Meester. “Ze wilde weten of ik nog in het dorp begraven wil worden. Het is nog vroeg, toch heb ik ja gezegd. Hier kom ik straks te liggen. Een geruststellende gedachte. Ik eindig dus in Veenhuizen.”