Tussen klassiek en geheimtip
‘Er gaat geen dag voorbij of ik schrijf’

‘We hebben goud in handen’

Van_maarsveen_1 En wederom sluit het Drents Museum het jaar in jubelstemming af. Vanwege
Bořek Šípek en de Neanderthalers, vanwege de bezoekersaantallen en geld voor een depot. Maar vooral vanwege de geplande uitbreiding met een deels ondergrondse vleugel. Directeur Michel van Maarseveen kijkt om en blikt vooruit.


Een jaar geleden vroeg Dagblad van het Noorden u om vooruit te blikken op 2006. Wat is er van uw voorspelling uitgekomen?
“Het is een uitstekend jaar geweest. Vooraf hoopten we op tussen de 80.000 en 90.000 bezoekers. We hebben nog een erg drukke laatste week, met veel activiteiten. Het zal er om spannen of we de 90.000 bezoekers halen. De tentoonstelling rond Bořek Šípek was heel goed, vooral in het begin liep dat hard. Het was ook bijzonder om Šípek zelf die tentoonstelling te laten vormgeven. Met de Neanderthalers hebben we 30.000 bezoekers getrokken, dat was een nog groter succes.”

En nu willen jullie uitbreiden.
“We denken dat het mogelijk is om het bezoek uit te bouwen naar gemiddeld 120.000 per jaar. Nu hebben we te maken met te kleine ruimten voor grote exposities, een te kleine winkel en te krappe entree. Met een nieuwe vleugel, die deels onder de grond wordt gebouwd, kunnen we dat oplossen.”

De provincie Drenthe stemde opvallend snel in.
“Dat heeft ook mij verrast, het gaat om enorme bedragen: 18 miljoen euro in totaal. Maar we hebben er ook veel tijd in gestoken. De situatie in Assen zelf hebben we misschien wat onderschat. De gemeenteraad kwam met alternatieven die bij ons al waren afgevallen; misschien hadden we de raad iets anders, iets eerder moeten informeren. Ik ben inmiddels persoonlijk bij de omwonenden langs geweest. De een reageert fel en vreest aantasting van het uitzicht, een ander is laconiek. We hoeven het niet allemaal met elkaar eens te zijn, als we maar kunnen blijven praten.”

Waar moeten de nieuwe bezoekers vandaan komen?
“De helft van onze bezoekers komt uit de Randstad, de andere helft uit Noorden, en daarvan weer de helft uit Drenthe. Die laatste groep halen we vooral binnen met activiteiten, met een archeologieweek, de Kunst & Cultuurweek, activiteiten tussen Kerst en Oud en Nieuw. Om verder te groeien willen we meer activiteiten organiseren en meer exposities houden met internationale potentie. Het gaat dan om tentoonstellingen die we met andere musea maken en in het buitenland kunnen verkopen, zoals ‘The Mysterious Bog People’ en ‘100.000 jaar Sex’.”

Het Drents Museum is vooral bekend van figuratieve kunst, archeologie en kunst rond 1900. Wordt het geen tijd voor een afdeling hedendaagse abstracte kunst?
“Ik geloof niet dat wij dat erbij moeten gaan doen. Het is maar de vraag of mensen daarvoor naar Assen komen. Je bouwt als museum een publiek op, wij hebben dat bijvoorbeeld gedaan met de Noordelijke realisten. De belangstelling voor die figuratieve kunst is inmiddels landelijk. Wat de archeologie betreft: dat loopt heel goed, vooral bij gezinnen. Je kunt daar veel meer mee doen. Veel musea hebben de archeologie de deur uitgedaan. Wij niet. We hebben nu goud in handen.”

Elders in het land maken ze zich druk over de bezoekers van de toekomst: jongeren, allochtonen.

“Als je naar de bevolkingsontwikkeling kijkt, zitten we dankzij de vergrijzing de komende twintig jaar nog goed. Maar wat gebeurt er daarna? De belangstelling voor de klassieke cultuur lijkt te verdwijnen, dat zie je al in het theater en bij de klassieke muziek. Er komt een generatie die niet
met de christelijke cultuur vertrouwd is, die niks heeft met Vermeer, die de schilderijen van Rembrandt niet meer begrijpt. Daar moet je als museum rekening mee houden.”

En niks heeft met kunst rond 1900.

“Ik heb ook niet alle antwoorden. Musea zullen veel aandacht moeten besteden aan het onderwijs. Ik ben blij met de canon van de Nederlandse geschiedenis, en niet alleen omdat die met de hunebedden begint. Ik geloof erg in het organiseren van activiteiten. Het museum moet het culturele brandpunt van de samenleving worden, een plek waar van alles kan en gebeurt: van uitstapjes voor het gezin tot en met excursies voor bedrijven.”

Ging u als kind met uw ouders naar het museum?

”Ik ben geboren in De Haag, vlakbij het Gemeentemuseum en het Museon. Als kind ging ik daar vaak heen met mijn ouders. In de vakanties logeerden mijn broer en ik geregeld bij mijn grootouders in Utrecht. Het Spoorwegmuseum en Catharijneconvent waren dan vaste uitstapjes voor ons. Al vroeg had ik belangstelling voor kunst en literatuur. Mijn vader was directeur van een grote boekhandel en boeken waren altijd binnen handbereik.”

Volgend jaar bent u vijf jaar directeur. Er wordt opvallend vaak gezegd ‘die blijft niet lang in Assen’.

“Ik wil anders nog een groot aantal jaar blijven. Ik wil de verbouwing meemaken. Het is leuk om directeur van dit museum te zijn, ik heb er nog geen seconde spijt van. Het is een ongelofelijk inspirerende omgeving. Je mag met interessante mensen werken, met museummensen en kunstenaars. Je reist veel - dat vind ik ook erg leuk.”

Is er ook een leven naast het Drents Museum?

“Het museum en het privé-leven lopen in elkaar over. Ik probeer natuurlijk wel afstand te nemen, door te wandelen bijvoorbeeld, vakanties met het gezin of door te lezen. Ik heb net De schaduw van de wind van Carlos Ruiz Zafon uit. Prachtig boek. Het kwam zelfs ’s nachts in mijn dromen terug. Voor ik naar Assen kwam, ging ik veel naar het theater. Dat komt er niet meer van.”

En museumbezoek?

“Mijn interesse gaat uit naar de oudere kunst: middeleeuwen en zeventiende eeuw, maar vooral de negentiende eeuw. Dat is zo’n interessante periode, toen is de basis voor de moderne samenleving gelegd. Onze expositie over het symbolisme liet dat vorig jaar mooi zien. Buiten Assen lukt het nauwelijks nog om van tentoonstellingen te genieten. Ik heb er de rust niet voor. Ik loop altijd als museumdirecteur te kijken hoe iets gemaakt is. En meestal ben ik er dan al na vijftien minuten achter of het iets is.”