Previous month:
oktober 2006
Next month:
december 2006

Drentse vuistbijl voor slechts vijftig gulden

Vuistbijl_van_anderen Het Drents Museum in Assen heeft uit particulier bezit een circa 70.000 jaar oude vuistbijl verworven. De zogeheten Neanderthalervondst werd reeds vijftig jaar geleden in de buurt van Anderen gedaan.

Omdat de vuistbijl het allereerste exemplaar is dat ooit in Drenthe is gevonden, hebben vinder Geert van Veen en eigenaar Hendrik Lanjouw van het museum symbolisch vijftig gulden gekregen. Daarmee is een belofte ingelost die 125 jaar geleden werd gedaan door een bestuurslid van het museum.

Volgens het museum is de verworven vuistbijl de eerste vondst die er op wees dat er ooit Neanderthalers in Drenthe hebben rondgelopen. Het aantal vuistbijlen dat naderhand in Drenthe is opgeraapt, is op de vingers van één hand te tellen, aldus het museum. De roodbruine bijl moet ergens tussen 80.000 en 55.000 jaar geleden door Neanderthalers aan de rand van het Scheebroekerloopje nabij Anderen zijn achtergelaten.

Het museum in Assen spreekt van het mooiste voorbeeld van een in Drenthe gevonden vuistbijl tot nu toe. Volgens Jaap Beuker, conservator archeologie van het Drents Museum gaat het om ’een juweel van een vuistbijl’.

Advertentie_1881_2 Bij de overdracht speelde een de advertentie in de Nieuwe Provinciale Drentse en Asser Courant van 3 september 1881 opmerkelijke rol. In die advertentie stelde museumbestuurslid Hermannus Hartogh Heijs van Zouteveen uit Assen destijds 50 gulden in het vooruitzicht aan de vinder van de eerste in Drenthe gevonden vuistbijl.

Aanleiding voor zijn gebaar was destijds de schenking van ’twee tot den oudsten steentijd behorende werktuigen afkomstig uit Engeland en Frankrijk’. ”Tot dusver ontbreken in ’t  museum werktuigen van dien vorm in Drenthe gevonden. Niettemin is het van belang voor de wetenschap, van hun al of niet bestaan in dit gewest zekerheid te hebben”, aldus de advertentie.

Onder voorwaarde dat de vinder zou komen met ’nauwkeurige opgaaf van de vindplaats en de diepte, waarin het voor den dag kwam’ was het bestuurslid bereid de 50 gulden uit eigen zak te betalen. Hartogh Heijs van Zouteveen is in juni 1891 overleden, maar het huidige Drents Museum is zijn verplichtingen nagekomen en heeft de beloning nu uitgekeerd aan Van Veen en Lanjouw.


Aandoeningen van de geest

Ontregelde_geesten Korsakoff, Asperger, Gilles de la Tourette, Alzheimer, Parkinson. Tien tegen een dat u deze namen associeert met zieke hersenen en aandoeningen van de geest. De Groninger hoogleraar Douwe Draaisma ging op zoek naar de wetenschappers achter de namen en schreef er een boek over: Ontregelde geesten.

Deze maand is het precies honderd jaar geleden dat de Duitse neuropatholoog Alois Alzheimer (1864 – 1915) een lezing hield over Auguste Deter, een eerder dat jaar in verwarring overleden vrouw. De lezing werd een afgang. Het beschreven ziektebeeld wordt evenwel tegenwoordig door vrijwel iedereen herkend, terwijl de ontdekker en naamgever in de vergetelheid is geraakt.

Douwe Draaisma (1953) ontdeed voor zijn nieuwste boek Ontregelde geesten Alois Alzheimer van het stof. Hij verdiepte zich in het werk van de Duitser, onderzocht hoe er destijds op gereageerd werd en bekeek wat er een eeuw later van over is gebleven. Hetzelfde deed de Groninger hoogleraar theorie en geschiedenis van de psychologie met de levens en werken van nog twaalf andere wetenschappers: van Charles Bonnet (1720 – 1793) tot en met Hans Asperger (1906 – 1980).

“Na het verschijnen van Waarom het leven sneller gaat als je ouder wordt kreeg ik behoefte aan schrijfwerk met een duidelijke deadline”, vertelt Draaisma over het ontstaan van Ontregelde geesten. “Voor het AMC Magazine heb ik toen een reeks maandelijkse artikelen geschreven over wetenschappers achter bekende geestesziekten. Ik heb altijd al een grote biografische belangstelling gehad. Toen ik aan de Pop Dijkemaweg in Groningen kwam te wonen, wilde ik alles weten over Pop Dijkema.”

De research bleek niet altijd eenvoudig. “Van sommige wetenschappers, zoals Sergei Korsakoff (1853 – 1900) is in het Westen weinig bekend”, vertelt Draaisma. “Veel geestesziekten zijn vernoemd naar mensen uit de negentiende eeuw. In die tijd werd voornamelijk in het Duits en het Frans gepubliceerd, nu is Engels de wetenschappelijke voertaal. Korsakoff werkte in Rusland, maar publiceerde ook in Franse en Duitse tijdschriften. Gelukkig zijn veel van die tijdschriften in de universiteitsbibliotheek van Groningen te vinden.”

De biografische invalshoek bleek een goed uitgangspunt. “Als je je verdiept in het leven van een wetenschapper kom je iets te weten over de tijd waarin hij leefde”, vertelt Draaisma. “Maar ook over de omstandigheden waaronder hij zijn werk verrichtte en welke instrumenten hij tot zijn beschikking had. Iemand als James Parkinson (1755 – 1824) had in Engeland een grote dokterspraktijk met veel arme patiënten. Als zijn praktijk klein was geweest, met alleen maar rijkelui, had hij zijn ontdekking nooit gedaan.”

Doordat Draaisma ontdekkingen over een langere periode heeft kunnen volgen, laat zijn boek goed zien hoe verschillend er in de loop der tijd tegen geestesziekten is aangekeken. “Over mensen met het syndroom van Gilles de la Tourette (1857 – 1904) werd honderd jaar geleden bijvoorbeeld gezegd dat ze een gedegenereerd zenuwstelsel en een zwak ontwikkelde wilsfunctie hadden. Nu weten we dat het een neurologische stoornis is. Zoiets heeft een enorme invloed op het zelfbeeld van een patiënt.”

Interessant is ook hoe onderzoeksmethoden per land variëren. “In Duitsland werd in negentiende eeuw veel onderzoek gedaan door in hersenen te snijden. Een Franse wetenschapper als Gaëtan de Clérambault (1872 – 1934) werkte daarentegen vanuit een instituut waar half gek Parijs aan hem voorbijtrok. Daar pikte hij de meest interessante gevallen uit om die vervolgens te beschrijven. Het fenomeen van gevalsbeschrijving is nu uit de wetenschappelijke praktijk verdwenen. In de literaire wereld duikt het juist weer op, zoals in romans van Mark Haddon en Ian McEwan.”

Ontregelde geesten vertelt over de wonderbaarlijke werking van onze hersenen én over de wonderbaarlijke werking van de wetenschap, voor beginners en gevorderden. “Cesare Lombroso (1835 – 1909) werd vanwege zijn onderzoek naar de geboren misdadiger in zijn tijd gezien als een vooraanstaande wetenschapper. Nu vinden wij zijn theorie en methoden verwerpelijk. En Alzheimer was er van overtuigd dat de door hem ontdekte ziekte goed behandeld kon worden. Als je nu ziet hoe we er voor staan met de behandeling… Hij zou dat als een enorme deceptie hebben ervaren.”

Ontregelde geesten van Douwe Draaisma is verschenen bij de Historische Uitgeverij. Prijs: €27,50 euro (327 blz.). Draaisma geeft 12 december een lezing over zijn boek in Selexyz Boekhandel aan de Guldenstraat in Groningen. Aanvang 20.00 uur.


Assen als stad in de hel

Marcel_moring Negen jaar na In Babylon ligt er weer een nieuwe roman van Marcel Möring in de winkel. In Dis voert Möring zijn lezers mee naar de TT- nacht van 27 juni 1980, naar Assen als stad in de hel.

Wat maakt iemand tot een groot schrijver? Zijn het de lezers, de critici, de literaire prijzen die een schrijver wint? Zijn het de thema's die worden behandeld, de stijl waarin ze worden beschreven, de verzamelde werken? Marcel Möring wordt sinds zijn roman Het grote verlangen (1991) tot de grote schrijvers van ons taalgebied gerekend, een status die hij bevestigde met In Babylon (1997). Maar daarna werd het stil.

Nou ja, stil: Möring schreef gewoon voort. In 2000 verscheen de novelle Modelvliegen, in Engeland en Duitsland uitgegeven als roman. Eerder dit jaar leverde hij het essay voor de Maand van de Filosofie, Lijdenslust, waarin een sombere kijk op het leven wordt ontvouwd. En in de tussentijd ging het gerucht - zeker in Assen, de plaats waar Möring opgroeide - dat hij aan iets 'heel groots' werkte.

Naarmate die grote roman uitbleef, werden de verhalen sterker. Het ene moment zou de schrijver zijn vastgelopen in een poging zichzelf te overtreffen en zelfs gek zijn geworden. Het andere moment stond de roman op het punt van verschijnen; duizend pagina's zouden het worden. Tussendoor kwam het nieuws dat Möring bij zijn uitgever was vertrokken, daarna het bericht dat de roman over Assen zou gaan, gevolgd door de mededeling dat het boek was uitgesteld.

Sinds vorige week vrijdag ligt de nieuwe Marcel Möring (Enschede, 1957) dan eindelijk in de winkel. De roman heet Dis en telt geen duizend, maar ruim vijfhonderd bladzijden. Het leeuwendeel van het verhaal speelt zich inderdaad af in Assen, op 27 juni 1980, tijdens de TT-nacht, de nacht voorafgaand aan de races. En ja, de Drentse hoofdstad wordt in het boek afgeschilderd als een stad in de hel; de titel verwijst naar de stad Dis uit De goddelijke komedie van de Italiaanse dichter Dante Alighieri (1265 - 1321).

Dis begint zwaar ronkend, als een zojuist aangetrapte 500cc motor. Möring voert een man op, Jakob Noach, die na drie jaar in een onderduikershol in mei 1945 terugkeert naar Assen om te ontdekken dat in de schoenwinkel van zijn verdwenen ouders een 'Dietse boekhandel' is gevestigd. Noach gaat verhaal halen op het gemeentehuis. Daar raadt een ambtenaar hem aan een bezwaar in te dienen ('Ondertekening door de rechtmatige eigenaar') en gooit hem op straat.

De boekhandelaar wordt met geweld verdreven, Noach raapt woedend de brokstukken van zijn leven bij elkaar en begint opnieuw. Hij trouwt een boerendochter uit Smilde, sticht een gezin met drie dochters, koopt overal in de stad panden op en vormt een groot warenhuis in het centrum van Assen. In 1980, 35 jaar na het onderduikershol, overziet de hoofdpersoon van Dis zijn leven, wandelend door de Nacht van Assen, terwijl om hem heen wordt gezopen, geneukt, geschreeuwd en gevochten.

Naast Noach wordt Marcus Kolpa uit Amsterdam neergezet, een 32-jarige dichter die naar de Drentse hoofdstad is teruggekeerd om jeugdvrienden te ontmoeten. Ook Kolpa ('die vroeger Polak heette') overziet tijdens de TT- nacht zijn leven. Hij voelt zich oud en mislukt, eerder een denker dan een dichter. In Assen zoekt hij zijn jeugdliefde Chaja Noach, 'de Ene, de vrouw die hij meer dan alle vrouwen wilde en die hij door zijn eigen schuld voor altijd moest missen.'

De manier waarop de hoofdpersonen zijn neergezet, is meeslepend - pompeus zo u wilt. De stijl en toon van Möring duiden op iets groots; gaandeweg worden de contouren van de hel duidelijker en krijgt de roman een apocalyptisch karakter. Er zwelt van alles aan, hoger en hoger wordt het bouwsel, er komt steeds meer gewicht op te rusten. De schrijver zadelt zijn lezers op met de vrees dat er vroeg of laat íets in elkaar zal donderen: de wereld van Noach en Kolpa, de stad Assen, of misschien wel de roman zelf.

Dat laatste, van die ineenstortende roman, is al ongemeen spannend. Het is een ervaring op zich om te lezen hoe Möring zijn zwaar aangezette avontuur tot een goed einde probeert te brengen. Hij doet dat met een indrukwekkend arsenaal aan vormen, door naar klassiekers uit de literatuur te verwijzen (Homerus, Dante, Joyce), met een episch gedicht, dromen en sprookjes, door een stripverhaal op te nemen, passages in de vorm van een krantenbericht, met typografische vondsten en citaten uit popklassiekers.

Voor inwoners van Drenthe komt daar nog iets bij. Dis laat zich óók lezen als een zeldzaam goed geschreven roman waarin verschillende (oud)inwoners van Assen herkend zouden kunnen worden. De prominente Assenaar wijlen Daan Gans bijvoorbeeld, of de eveneens overleden journalist Jan van Kooten, maar ook zanger Harry Muskee, fotograaf Harry Cock en dichter Roel Reijntjes. En hoewel de Drentse hoofdstad door de voormalige journalist van de Drentse en Asser Courant gelijk wordt gesteld aan 'de aars van de wereld', had Assen er nog veel slechter van af kunnen komen.

Dis is géén sleutelroman, hooguit een allegorie met toespelingen en bovenal een rijke verzameling ideeën en vondsten. Zo is daar de koppeling van Jakob Noach en Marcus Kolpa aan de legende van 'De wandelende jood', die Christus een rustplaats weigerde en tot eeuwenlang zwerven werd veroordeeld. Opvallend is ook het uit de film Life of Brian afkomstige motto, waarin het bestaan van de hemel wordt ontkend, en de typering van Jakob Noach als een joodse middenstander die sluw pandjes opkoopt om de stad in zijn macht te krijgen.

De hoofdpersonen van Dis worden neergezet als eenzaam dolende zielen, als mannen die geen aansluiting krijgen. De eerste wordt genegeerd en moet maar een middenstandsvereniging voor zichzelf oprichten. De tweede is - een generatie later - ook al een buitenstaander, anders dan de anderen. In het geval van Kolpa, en dat is intrigerend, is het geen kwestie van ras of religie, maar van karakter en onvermogen. Hij wordt niet door de provinciestad afgewezen, hij sluit zichzelf uit.

Het is ondertussen aangrijpend te lezen hoe diep en wijd de kloof tussen de massa en de eenling kan zijn, hoe groot - en gegrond - de angst is van de een voor de ander. Grote indruk maakt bijvoorbeeld een herinnering waarin Jakob Noach, na lang aandringen, zijn dochters de Nacht laat zien. Na een tijdje vol verwondering wandelen, zien ze hoe plotseling de stemming in de stad omslaat. De volksmassa wordt een monster, de machteloze Noach en zijn jonge dochters raken in het nauw en worden bedreigd.

Afgezet tegen het onheilspellende decor is de boodschap die in Dis wordt afgegeven opvallend ontnuchterend. Möring gebruikt hiervoor onder meer een terugblik waarin de gearriveerde middenstander Noach een ontmoeting heeft met de jonge hemelbestormer Kolpa. "Het leven is onspectaculair", zegt Noach, "Verlang naar het grootste en je krijgt ellende. Maar snijdt het verlangen naar het unieke en het bijzondere weg en wat er overblijft is één behoefte. En dat is liefde."

Voor Jakob Noach en zijn spiegelbeeld Marcus Kolpa lijkt de vervulling van die paradijselijke behoefte niet weggelegd. In plaats daarvan draaien ze zoekend hun rondjes door de stad waar ze zijn opgegroeid, maar zich niet gewenst of thuis voelen. Ondanks het maatschappelijke 'succes' dat ze hebben geboekt (Noach) en ondanks de bewondering die ze hebben afgedwongen (Kolpa), slepen hun levens zich voort naar, alweer, een nieuwe dag.

Onverlet het beeld van mensenlevens in tredmolens of op hol geslagen carrousels laat Dis geen gevoel van ontluistering achter. Het is eerder een onwerkelijke stilte die na de laatste bladzijde in het hoofd van de lezer blijft hangen. Een leegte als na het ontwaken uit een overweldigende droom, die kort daarop plaatsmaakt voor een stortvloed aan ideeën, opvattingen en herinneringen. En dat is misschien wel de allergrootste prestatie van Marcel Möring.

Dis is een rijk en geweldig boek, van een groot schrijver.

Boek: Dis. Auteur: Marcel Möring. Uitgeverij: De Bezige Bij. Prijs: 25 euro (508 blz.).


Rijmkroniek des Vaderlands, deel twee

Rijmkroniek Het leek een driest plan, de lancering van de Rijmkroniek des Vaderlands vorig jaar door de Groninger dichters Driek van Wissen en Jean Pierre Rawie. En toen na afloop van het eerste deel nog geen tachtig jaren van onze vaderlandse geschiedenis op rijm waren gezet – van 1507 tot 1584 – wisten de sceptici genoeg: hier komen we voorlopig niet meer van af.

Dat is geen straf mogen we concluderen na lezing van het net verschenen tweede deel. Wederom slaagt het duo er op bewonderenswaardige wijze in historische feiten en ontwikkelingen te mengen met humoristische relativeringen en kwinkslagen. Vermakelijk en leerzaam ineen, zeg maar. Dat de kroniek door henzelf wordt aanbevolen als ’aanvulling op onze inburgeringcursussen’ is ook niet minder dan terecht.

De opzet is hetzelfde gebleven: Van Wissen en Rawie zetten kroonprins Willem Alexander aan het bed van prinses Amalia en laten hem vertellen, ditmaal over de Gouden Eeuw. Niet alles komt aan de orde – lees daarvoor De last van veel geluk van A. Th. van Deursen – de aandacht gaat uit naar hoogtepunten als de slag met de Spaanse Armada, de VOC-mentaliteit, het Turfschip van Breda, de moord op de gebroeders De Witt en het beleg van Groningen.

Zeer geslaagd is de hervertelling van ’de zeiltocht om de Noord’ van Barentsz en Van Heemskerck (’Daar hij een koutje had gevat/ stierf na een aantal dagen varens/ tot ieders droefheid Willem Barentsz’). Ander hoogtepunt is de uitzetting over het culturele leven, met onder meer een loftrompet voor Amalia van Solms (’En dat je oudtante Marijke/ zo oorverdovend zingen kan, is enkel de verdienste van/ Amalia van Solms die toen/ aan schone kunsten is gaan doen.’)

Van Wissen en Rawie zijn op hun best als ze prins Willem Alexander Machiavellistische praat in de mond leggen: ’Maar treed je in het openbaar naar voren/ bij iets waar iedereen je ziet/ dan moet je doen of je geniet/ van dj Tiësto, Ali B/ en Gordon – ja dan hos je mee/ Met Gerard Joling en Frans Bauer/ en heeft het volk zijn finest hour/ en eet als één Oranjeklant/ vaderlandslievend uit je hand.’

De heren dichters hebben geen hoge pet op van ons koningshuis. Deel een ging niet voor niets vergezeld van de ondertitel Opkomst van de republiek. Maar als lezer kunnen we alleen maar blij zijn met de Oranje-dynastie. Is het niet om hun daden, dan is het wel om hun inspirerende werking. Want Van Wissen mag dan omschreven worden als ’een ouwe schoolfrik met pensioen/ die toch niks beters heeft te doen’, Jean Pierre Rawie hebben ze toch maar weer mooi aan het werk gekregen.

Boek: Rijmkroniek des Vaderlands. De Gouden Eeuw. Auteurs: Jean Pierre Rawie en Driek van Wissen. Uitgeverij: Bert Bakker. Prijs: 15 euro (116 blz.).


'Wat is mij godverdomme overkomen?’

KoplandRutger Kopland botste 2 december 2005 met zijn auto tegen een boom. Wekenlang werd voor zijn leven gevreesd. In de documentaire De taal van verlangen vertelt de dichter uit Glimmen over het ongeluk, over zijn poëzie, de psychiatrie en zijn jeugd.

 

Het idee van stichting Beeldlijn was eenvoudig: een documentaire naar aanleiding van het 40-jarig dichterschap van Rutger Kopland. De dichter zelf voelde er wel voor en dus begonnen producent Lejo Siepe en regisseur Piet Hein van der Hoek driftig met het verzamelen van materiaal. Het enige wat in december 2005 nog ontbrak, was het alles verbindende diepte-interview.

 

En toen botste Kopland op 2 december na een hartaanval met zijn auto in Haren tegen een boom. De dichter verloor het bewustzijn, wekenlang werd voor zijn leven gevreesd. “Van de verpleging thuis herinner ik mij niets”, vertelt Kopland over die periode in de documentaire De taal van verlangen. “Ik was verstoord en agressief en werd overgebracht naar de gesloten afdeling in het ziekenhuis waar ik zelf hoofd ben geweest.”

 

Kopland, pseudoniem voor de psychiater R.H. van den Hoofdakker (Goor, 1934), voelde in het UMCG een ‘interne woede opkomen’, vertelt hij. “Ik lag op een zaal waar ik vroeger de sleutel van had en ze lieten mij niet gaan. Ik dacht: ‘Wat is mij godverdomme overkomen’.” Dat gezegd hebbende laat Kopland in de documentaire een stilte vallen om te vervolgen met: “Nou ja, het is over.”

 

Stichting Beeldlijn wilde op de eerste plaats een portret maken van een van onze grootste dichters. “Kopland is iemand die met zijn poëzie een groot publiek aanspreekt. Om die reden wilde we een documentaire voor een breed publiek”, vertelt regisseur Van der Hoek. “Maar als mens is hij helemaal niet zo toegankelijk, hij is eerder wat gereserveerd.”

 

Desondanks werden de makers nauwelijks beperkingen opgelegd. Kopland vertelt over zijn jeugd (“Ik ben met een zwaar gevoel groot gebracht. Mijn moeder dwong mij te bidden en te knielen.”), over zijn betrokkenheid bij asielzoekers (“Ik schaam mij voor dit land.”), de afwezigheid van kwaadheid in zijn poëzie (“Daar kan ik geen vorm voor vinden.”) en over het gebruik van electroshocks in de psychiatrie (“Ik heb de meest verrassende resultaten gezien.”).

 

De taal van verlangen toont ook onvermoede kanten van Kopland. Zoals zijn verzoek aan het Letterkundig Museum om een prominente plaats voor een manshoog portret en zijn liefde voor ansichtkaarten die hem inspireren tot anekdotes ‘tussen literatuur en humor’. Er zijn beelden van een cabaretoptreden en zelfgemaakte films waarop een wandelaar achter de horizon verdwijnt. Kopland: “Dingen die je normaal niet ziet op film.”

 

De nadruk ligt op de poëzie. Van der Hoek toont het voormalige kippenhok in Glimmen, waar de meeste gedichten zijn geschreven en een voordracht van Jonge Sla. En passant wordt onthuld dat zijn beroemde gedicht in een paar minuten is geschreven tijdens een kampeervakantie in de bergen en dat in eerste versie nog veel meer groenten bevat. “Ik ben er behoorlijk klaar mee”, zegt Kopland over Jonge Sla.

 

De taal van verlangen geeft een afgewogen beeld van Kopland. Bijna alle aspecten van zijn leven komen aan bod. Het ongeluk in Haren heeft de dichter niet klein gekregen, zo blijkt. Afgelopen zomer heeft hij alweer nieuwe poëzie geschreven: het gedicht Ik zit voor het raam. En afgelopen maandag stond zijn naam weer ‘gewoon’ op de lijst met sprekers tijdens een manifestatie in Groningen voor de rechten van het kind.

 

 

 


Tomas en Siem zien graancirkels

Cirkeljagers_2 De wonderen zijn de wereld nog niet uit, althans niet uit Drenthe. Annemieke Witteveen schreef een jeugdroman over graancirkels. Hoofdpersoon in haar Cirkeljagers (Uitgeverij Akasha, 160 blz, 14,50 euro) is Tomas, die met zijn vader en zusje Sterre op vakantie is in de omgeving van Wilhelminaoord, terwijl zijn moeder in Engeland onderzoek doet naar mysteries in graanvelden. Samen met zijn vakantievriend Siem ontdekt Koen dat er in Drenthe graancirkels voorkomen: ‘Plotseling zweefde de lichtbol wat dichter naar hen toe en steeg er een knetterend geluid uit het veld. Het leek zelfs alsof de bol en de jongens elkaar bekeken.’ Cirkeljagers is geschreven voor kinderen vanaf 9 jaar.


Marcel Möring bevrijd na 'Dis'

 Dis_marcel_moring_1Assen is in de greep van Dis, de nieuwe roman van Marcel Möring. Het vuistdikke boek is een bestseller in de plaatselijke boekhandels en geeft aanleiding voor geestdriftige wie-is-wie-discussies.

In Dis beschrijft Möring hoe twee mannen de TT Nacht van 27 juni 1980 beleven in een stad die wordt afgeschilderd als ‘de aars van de wereld’, als een stad in de hel. ‘Dit is een roman. Niets in dit boek is waar’ heeft de schrijver in vette letters voor in zijn boek laten drukken. Desondanks menen lezers wel degelijk een aantal (oud)Assenaren te herkennen.

 

Zo zou de hoofdpersoon, Jakob Noach, zijn gemodelleerd naar de bij een auto-ongeluk omgekomen Asser ondernemer Daan Gans. De tweede hoofdpersoon, Marcus Kolpa, een dichter die zich niet thuis voelt in de Drentse hoofdstad, wordt als Möring zelf herkend. De droevige chef van de plaatselijke krant lijkt op de overleden journalist Jan van Kooten en fotograaf Albert op fotograaf Harry Cock.

 

Daarnaast worden ontwikkelingen beschreven die op waarheid berusten, zoals de verdwijning van zevenhonderd joden uit Assen in de Tweede Wereldoorlog, de opstelling van de middenstand bij de vernieuwing van het stadscentrum en de opening van de eerste seksclub in Assen. Meeste aandacht gaat evenwel uit naar de nacht voor de motorraces en het gezuip en de gevechten in cafés als Hotel de Jonge en De Grot.

 

Möring zucht als hij hoort dat lezers in Assen proberen te achterhalen wie in Dis een rol heeft gekregen. “Het was te verwachten, maar het is volstrekt zinloos. Ik word er beetje moedeloos van. De enige die echt te herkennen is in beide hoofdpersonen ben ik zelf”, reageert de schrijver. “Als deze roman zich in Enschede had afgespeeld, was precies hetzelfde gebeurd.”

 

De in Rotterdam woonachtige Möring begon aan Dis direct na het verschijnen van de bekroonde roman In Babylon (1997). “Eigenlijk was het nog eerder. Het idee voor het verhaal is ontstaan in het café van de Molukse voetbalvereniging in 1980, om een uur of vijf ’s morgens nadat ik zelf de TT Nacht had meegemaakt. Een ideaal decor voor een roman. Op zo’n avond, als mensen massaal dronken worden, valt alles weg.”

 

Bijna tien jaar schrijven aan vijfhonderd bladzijden is erg lang. “Ik heb ook andere dingen geschreven, ik heb mijn kinderen opgevoed. En dan nog: bepaalde delen in Dis zijn op metrum geschreven, dat is niet makkelijk, daar gaat veel tijd in zitten. Ik schrijf niet snel, dat hoeft ook niet. Het moet goed zijn. Wat ik wil bereiken, is dat ik over tien, twintig jaar voor mezelf kan zeggen, dat mijn boeken nog steeds de moeite de waard zijn.”

 

Het lange wachten heeft geruchten in de hand gewerkt, dat Möring in zijn roman zou afrekenen met het Assen van zijn jeugd. “Dat heb ik ook gehoord”, zegt hij. “En ik heb ook gehoord dat ik gek was geworden en moest worden opgenomen. Nee, het is geen spel geweest. Op een gegeven moment vraagt de uitgever of er al iets komt, of ze iets kunnen aankondigen. Ik ben iemand die dan zegt: Ja hoor, het komt er aan, kondig het maar aan. Maar ik laat mij niet opjagen.”

 

Dis is geen sleutelroman en geen afrekening, benadrukt Möring. “Waar het mij om ging, was het schrijven van een roman waarin alles samenkomt. Ik wilde alle vormen toepassen die ik als schrijver interessant vind en al het plezier oproepen dat ik ooit zelf heb ervaren bij het lezen van bijvoorbeeld De goddelijke komedie van Dante, maar ook sprookjes, gedichten en zelfs strips, de klassieke én de moderne literatuur.”

 

Möring voelt zich opgelucht nu zijn grote Asser roman in de winkel ligt. “Het is nog moeilijk om er op een afstand naar kijken. Maar dat komt wel. Dis is voor mij heel belangrijk. Ik ben nu bijna vijftig jaar en heb nog maar vier romans geschreven. Dat is niet veel. Maar dankzij dit boek ben ik in staat alles te doen wat een schrijver kan doen, dat ik het schrijven beheers. Dis is in die zin een bevrijding.”

 

Dis van Marcel Möring is verschenen bij uitgeverij De Bezig Bij (508 blz, 25 euro). Op 8 december bezoekt de schrijver De literaire hemel in Amen.


Het woelen van de wereld in Wachtum

Wachtum is dezer dagen het decor van de voorstelling WachtFF van theatergezelschap Peergroup. Eén voorstelling? Het zijn er vier, verspreid over verschillende locaties, inclusief de ijsbaan. Een groot aantal dorpelingen werkt er aan mee.

 

Voor wie niet beter weet, is Wachtum een Drents dorp zoals er zoveel zijn. Een beetje in zichzelf gekeerd, ingedommeld misschien. Blikvanger is molen De Hoop ('sinds 1894'), verzamelpunt dorphuis De Kom. Voor het café of de kerk moet je het dorp uit. Wie wil winkelen gaat naar Dalen, Coevorden of Emmen. Buitenstaanders hebben er eigenlijk niks te zoeken. Dankzij de N34 en A37 ben je er ook zo voorbij.

 

Welbeschouwd is het toeval dat de Peergroup van Sjoerd Wagenaar Wachtum heeft uitgekozen voor de opvoering van WachtFF, de nieuwste locatievoorstelling van Drenthes enige professionele theatergezelschap. "We waren op zoek naar een plek om in deze regio te spelen en hadden daarvoor contact met de stichting Cultureel Zuidoost-Drenthe", vertelt Wagenaar. "Die stichting bleek in Wachtum gevestigd. Dat is de reden."

 

Artistiek leider Wagenaar had het niet beter kunnen de treffen. De afgelopen weken heeft het dorp letterlijk en figuurlijk de deuren opengezet voor zijn theatermakers. Met als gevolg dat WachtFF opgevoerd kan worden op vier ongewone locaties. Op iedere plek wordt een korte voorstelling gespeeld waarbij de professionals van de Peergroup worden geassisteerd door het lokale talent.

 

Het bijwonen van WachtFF is een avontuur op zich: verzamelen bij het dorpshuis, met een groepje wandelend in het donker naar de molen en de aardappelschuur en vervolgens op de leenfiets, tussen de buien door, naar de ijsbaan en aansluitend de hooizolder. Ondertussen is in De Kom een 'gewoon' familiefeestje gaande en hebben enkele dorpsbewoners zich langs de weg geposteerd om de voorbijtrekkende theaterbezoekers te bekijken: 'Moi. Lekker weertje hè.'

 

Hoewel iedere voorstelling op zich staat, valt er wel degelijk lijn in te ontdekken: WachtFF laat zien dat het woelen van de wereld niet aan het Drentse platteland voorbijgaat. Zo wordt op de hooizolder door een clubje hangjongeren in Londsdale-outfit gebekvecht over boeren en import, over autochtoon en allochtoon, over gebruiken die eigen zijn aan Wachtum en ouders die hun kinderen in Coevorden naar de basisschool laten gaan.

 

Op de trans van molen De Hoop speelt een delegatie van muziekvereniging Ons Genoegen, terwijl in de molen drie dames van ensemble Zimbello brieven uit Afghanistan voorlezen over een land in puin en de Afghaanse vliegerkampioenschappen. Ook de inwoners van Wachtum verlaten bij tijd en wijle hun dorp. De een in dienst van het leger, de ander op last van het leger, zoals Jan Otterman die in 1944 om het leven is gekomen in Buchenwald, leren we in de aardappelschuur van 'beeldgraver' Henry Alles.

 

Maar het absolute hoogtepunt van WachtFF speelt zich af bij de ijsbaan aan de Doemsdiek, waar door de ramen in de keet van ijsvereniging Nooitgedacht is te zien hoe drie mannen aanstalten maken voor rondjes over de Markebaan. De schaatsen gaan uit het vet, de muts gaat op, maar de winter werkt niet mee. De aanleg van de A37 heeft Wachtum niet alleen afgesneden en aan het zicht onttrokken, de vooruitgang heeft ook het broeikaseffect in de hand gewerkt. Buiten is het 13 graden, de warmste novembernacht sinds heugenis.

 

En toch wordt er 's avonds in Wachtum op natuurijs geschaatst - of is dat slechts verbeelding?


Dick Leutscher ontvangt en geeft weg

Fopspeenvarken De culturele duizendpoot Dick Leutscher (Groningen, 1931) is opgetogen. Zijn naam komt in het Gulden Boek van de stad Groningen, een gebeurtenis vergelijkbaar met het verkrijgen van een ereburgerschap. En hij presenteert een boekje dat hij heeft samengesteld uit de nalatenschap van de Groninger dichter en godsdiensthistoricus Theo van Baaren en diens vrouw Getrude Pape. “Is het niet prachtig”, merkt Leutscher op terwijl hij het schrijven aan zijn toespraak onderbreekt.

 

Het eerste exemplaar van Hommage A Kees Buddingh’ – zo heet het boekje – wordt aangeboden aan burgemeester Jacques Wallage van Groningen. “Ik ontvang graag, maar geef ook graag iets weg”, verklaart Leutscher om vervolgens reclame te maken voor een ander boekje waarin de namen van Theo van Baaren en Cees Buddingh’ aan elkaar verbonden zijn: Quasi Cadavres Exquis.

 

Leutscher laat geen moment voorbijgaan om kunstenaars te promoten die zijn interesse hebben. En dat zijn er nogal wat: Van Karlheinz Stockhausen, Peter Schat en Gerard Reve tot en met Hendrik de Vries. Veelal gaat het om avant-gardisten en baanbrekers die hij persoonlijk heeft gekend. Want: als zich in Groningen iets voordoet op dat terrein staat Leutscher, oud-docent van het Groninger conservatorium, vooraan.

 

Theo van Baaren (1912 – 1989) en Gertrude Pape (1907 – 1988) hebben nooit de bekendheid gekregen die, pakweg, de dichter Buddingh’ bij zijn leven wel wist te bereiken. Toch heeft het Groninger echtpaar een niet uit te gummen rol gespeeld in het naoorlogse literaire leven van Nederland. Dat is terug te voeren op het surrealistische tijdschrift De schone zakdoek dat in de oorlogsjaren steeds in een oplage van één exemplaar verscheen.

 

Het tijdschrift wist bijzondere medewerkers aan zich te binden: Emiel van Moerkerken, Chris J. van Geel, Louis Th. Lehmann, Leo Vroman en dus ook Buddingh’. Zijn beroemde gedicht De blauwbilgorgel verscheen voor het eerst in De schone zakdoek. Initiatiefnemer Van Baaren en Buddingh’ raakten bevriend en schreven gezamenlijk surrealistische gedichten waarbij de een moest voortborduren op de klanken en rijmwoorden van de ander.

 

Hommage A Kees Buddingh’ bevat 26 gedichtjes en evenzoveel tekeningen die samen een dierenalfabet vormen. Het gaat daarbij om surrealistische creaties van Van Baaren (tekst) en Pape (illustraties) als de Aanlagerwalvis, de Dagennachtuil, de Japanter, het Koekenpantoffeldiertje, de Niemandril en de Verrekster. Een zeer fraaie vondst is het Fopspeenvarken: ‘Ik houd de wereld voor het lapje/ mijn hele leven is een grapje.’

 

Dat laatste is niet van toepassing op Dick Leutscher. Daarvoor is hij te zeer betrokken bij het wel en wee van de kunsten in Groningen en ver daarbuiten. “Ik ben nu bezig met een stuk waarin ik korte metten maak met het volstrekt onzinnige cultuurbeleid dat de politieke partijen in Nederland propageren”, kondigt hij aan. Met andere woorden: We zijn nog lang niet van hem af.

 

 

Hommage A Kees Buddingh’ van Theo van Baaren  en Gertrude Pape is verschenen bij Uitgeverij Liverse (65 blz, €17,50) Zie ook www.liverse.nl.


Theatervoorstelling ‘WachtFF’ van start

Wachtff1_1 Na weken van voorbereidingen is in Wachtum de theatervoorstelling WachtFF van start gegaan, een project van theatergezelschap Peergroup uit Veenhuizen en de inwoners van Wachtum. Bijzonder aan WachtFF is dat het hele dorp wordt gebruikt voor opvoeringen. Zo wordt er zelfs ‘geschaatst’ op de ijsbaan langs de A37. Andere locaties zijn een schuur met 800.000 aardappelen, een molen als muziektheater en hooizolder met twee meter bier. WachtFF wordt nog tot en met 26 november dagelijks opgevoerd, behalve op 20/11, 21/11 en 22/11, steeds vanaf 20.00 uur. Voor reserveringen zie www.wachtff.nl.