Rembrandt was wel eerder te zien in Assen

Rembrandt in Assen
Na Friesland, Utrecht en Noord-Holland is De vaandeldrager van Rembrandt van Rijn nu in Drenthe te zien. Sinds dinsdag hangt het schilderij in het Drents Museum.

In Dagblad van het Noorden vertelt directeur Harry Tupan erover. Hij is vereerd: “Dit werk is van ons allemaal. Rembrandt is onderdeel van onze geschiedenis. Dit werk hoort te zien te zijn in een Nederlandse context, niet aan de muur bij een buitenlandse verzamelaar.”

Zegt Tupan daarmee dat de vorige eigenaar het werk niet in zijn bezit had mogen hebben? In die context is het aardig om te weten dat het portret uit 1636 is generaties lang in handen geweest van particuliere verzamelaars, van de Engelse koning George IV tot de familie Rothschild.

De Rothschilds waren sinds 1844 eigenaar. In 2018 deden ze De vaandeldrager in de verkoop. De Franse staat meldde zich, verklaarde het schilderij tot nationale schat en legde een exportverbod op, maar kwam daar op terug toen de familie Rothschild te veel geld vroeg. Uiteindelijk kocht ‘Nederland’ het, voor in totaal 175 miljoen euro.

De liefde van Nederland voor Rembrandt is tamelijk jong.

In Dagblad van het Noorden zegt Tupan dat De vaandeldrager de eerste Rembrandt ooit is die in Drenthe tentoongesteld wordt. Dat kan alleen kloppen als Tupan op de schilderijen van Rembrandt doelt.

De krant van toen leert dat op 29 september 1956 door de toenmalige burgemeester van Assen in een klein zaaltje aan de Torenlaan een expositie werd geopend met 32 etsen en tekeningen van Rembrandt van Rijn. Het waren géén reproducties, schreef Jos Visscher.

De Rembrandttentoonstelling vond plaats in het kader van de internationale Rembrandtherdenking – de schilder was in 1956 350 jaar geleden geboren – en de collectie was eerder te zien in Warschau en verhuisde na Assen naar Praag. De etsen en tekeningen waren afkomstig uit de collecties van het Stedelijk Museum en Museum Fodor in Amsterdam.

De vaandeldrager is tot en met 31 augustus in Assen te zien. Daarna reist het schilderij door naar Kunstlinie in Almere. De tournee wordt 7 mei 2023 afgesloten in het Groninger Museum.


‘In Hoogeveen heerst anarchie’

Hier in Drenthe is vooral angst
De redactie van het NRC-katern Opinie & debat is een zomerserie gestart waarbij een kop wordt bedacht en lezers het bijbehorende stuk mogen schrijven. Afgelopen zaterdag luidde de uitnodigende kop ‘De Randstad begrijpt het platteland niet’.

Dezelfde dag plaatste de redactie In het nieuws naar aanleiding van het stikstofoproer een stuk onder de kop ‘Revanche van de plekken die er niet meer toe doen’ – het artikel haalde dinsdag ook mijn kranten, Dagblad van het Noorden en Leeuwarder Courant. In het stuk, misschien noemen ze het in Amsterdam een analyse, schetst redacteur Mark Lievisse Adriaanse een kloof tussen regio’s die economisch floreren en regio’s die achtergesteld zijn of zich achtergesteld voelen.

Het is verleidelijk om te denken dat deze kloof dezelfde is als de kloof tussen Randstad en platteland. De werkelijkheid is ingewikkelder. De kern van de boerenprotesten bevindt zich in Gelderland, vooral op de Veluwe - regio's die in het stuk van Adriaanse niet of nauwelijks worden genoemd.

Wie in Sleen woont, woont beter dan in Rotterdam-zuid, ook als hij of zij minder inkomen heeft. Het is waar dat wie toneelvoorstellingen wil zien, beter in Amsterdam dan in Emmen kan wonen. Wie van piratenfeesten houdt, is daarentegen beter af in Drenthe dan in Flevoland.

Eindhoven is een van de steden die economisch goed presteert, mede dankzij het bedrijf ASML, dat in Veldhoven is gevestigd. Eindhoven is een stad in de plattelandsprovincie Noord-Brabant. Veldhoven is ook een stad, maar dan een in de vorm van een buitenwijk. De stad Groningen behoort ook tot de kansrijke economische plekken in Nederland. Tegelijkertijd is Groningen een van de steden waar het gemiddeld inkomen het laagst is.

Het revanche-stuk leverde NRC dinsdag een ingezonden brief op, geschreven door iemand uit Hoogeveen. Meest intrigerende zin uit de brief: ‘Hier heerst anarchie, al vóór de boerenterreur, en daar moet dringend wat aan gedaan worden.’

Dat kan gelezen worden als een oproep aan premier Rutte om de burgemeester te ontslaan en het leger naar Hoogeveen te sturen. Het is ook voor Karel Loohuis te hopen dat Rutte dit niet begrijpt.


Naar Museum Jan voor Saskia Boelsums

Liefde voor landschap Saskia Boelsums
Ik bezocht Museum Jan in Amstelveen. Dat deed ik niet omwille van de glaskunst, waar ze nogal wat van hebben, beneden en boven, maar vanwege de fotografie van Saskia Boelsums. Hoewel woonachtig in Nieuw-Schoonebeek speelde Boelsums (1960) er een thuiswedstrijd: ze is geboren in  Nieuwer-Amstel. Jan toont een overzicht van haar werk.

Het museum, oorspronkelijk in 1991 gesticht met geld van industrieel Jan van der Togt, bleek verrassend groot en beter dan gedacht. Dat kwam vooral door de aandacht voor lokale beeldende kunst. Zo zag ik er een kleine presentatie met kunst die sinds 1955 door het gemeentebestuur is verzameld, getiteld Verzameld voor Amstelveen. Ook zag ik een presentatie met recente resultaten van het cultureel opdrachtgeverschap van de gemeente.

Amstelveen telt als gemeente ruim 92.000 inwoners. Dat zijn er zijn tienduizend minder dan Emmen. Het kunstaanbod lijkt echter groter en diverser dan dat van de grootste gemeente van Drenthe. Uiteraard heeft zoiets met de ligging in de Randstad te maken, Amsterdam zit zo’n beetje aan Amstelveen vast. Toch kan ik mij niet aan de indruk onttrekken dat het ook met doordacht beleid te maken heeft.

Voor Boelsums zijn drie zalen uitgetrokken. Dat is in Emmen, waar Nieuw-Schoonebeek deel van uitmaakt, nog niet gebeurd – terwijl het wel mogelijk is en misschien straks ook zal zijn. Een deel van de werken is speciaal voor de tentoonstelling gemaakt. In Amstelveen zijn ze daar zo blij mee, en dat is begrijpelijk, dat de grootste muur in het museum ervoor vrij is gemaakt. Je kunt zelfs stellen dat de tentoonstelling ermee opent.

Liefde voor landschap, zo heet de tentoonstelling, is omgekeerd chronologisch opgebouwd. Het nieuwste werk eerst, het oudste achterin. Wie alle zalen doorloopt krijgt een mooi beeld van een bewonderenswaardige ontwikkeling: hoe een conceptueel werkend beeldend kunstenaar de fotografie als instrument ontdekte en via stillevens en portretten het landschap is binnengestapt, de wereld in en over.

Te zien tot en met 25 september in Museum Jan te Amstelveen.


Museum Arnhem is nog steeds te klein

Autorittratto (1993) Alighiero e Boettie
Omdat ik er toch was, besloot ik een kijkje te nemen in het vernieuwde Museum Arnhem. Met de fiets tegen de bult op, afstappen en parkeren, meteen de tuin in.

Dat laatste was niet de bedoeling. Het liep zo, omdat ik de ingang niet meteen kon terugvinden en wel die tuin had gezien. Het gras oogde droog. De zoden leken los te raken. De beelden in de tuin, en dat waren er nogal wat, konden niet verhullen dat het er een beetje droevig uitzag. Ondanks het publiek in de zon op het terras van Café Pierre.

Ik probeerde mij in de schoenen van de conservator beeldentuin te verplaatsen. Hij of zij zal niet altijd gelukkig zijn met haar of zijn functie. Wel over goede sculpturen beschikken, maar niet over een passende omgeving om die sculpturen tot hun recht te laten komen.

Ik heb een zwak voor Museum Arnhem. Dat heeft niets te maken met Pierre Janssen, de oud-journalist die het museum in de jaren zeventig met fascinerende televisiepraatjes ‘op de kaart’ zette. Dat heeft te maken met de collectie neo-realisme, met schilders waarvan niet helemaal duidelijk was of ze goed of fout waren in De Oorlog.

En dat heeft te maken met Liesbeth Brandt Corstius die in de jaren tachtig en negentig als museumdirecteur nadrukkelijk koos om kunst van vrouwen te tonen. Zo leerde ik Charley Toorop waarderen. En naar sieraden kijken.

Ik heb een paar jaar in Arnhem gewoond. Bezoek aan Museum Arnhem zorgde er mede voor dat het plezierige jaren waren. Museum Arnhem was in die tijd een lastig gebouw. Nu het museum (opnieuw) vernieuwd is, is het gebouw weliswaar groter geworden, maar nog steeds lastig.

Hoe het anders had gemoeten weet ik ook niet, misschien deed ik als als bezoeker van de vernieuwbouw iets verkeerd, dat kan heel goed, maar wat ik belangrijk vind aan een museum is het gevoel dat je er een rondje kunt lopen. Dat lukte niet. Ik ging heen en ik ging dezelfde weg terug.

Beeld van de tentoonstelling Ten minste houdbaar tot Museum Arnhem
In de tussentijd zag ik twee tentoonstellingen. De eerste, Tenminste houdbaar tot, oogde nogal vol. Weer thuis kwam ik tot de ontdekking dat middels tweehonderd werken een poging was gedaan te laten zien op welke manieren kunstenaars de natuur verbeelden. Citaat van de website:

‘Welke verhalen vertellen de landschappen, stillevens, planten en dieren over de relaties tussen mensen en natuur door de eeuwen heen? Welke verhalen vertellen ze niet… en waarom niet? Er zijn kunstwerken die de uitbuiting van land en van mensen die erop leven aan de kaak stellen, vroeger en nu. Andere verbeelden een duurzame toekomst voor al het leven op aarde.’

Inderdaad, dat is nogal breed.

Bij mijn bezoek aan de tweede tentoonstelling, Van links naar rechts, kreeg ik opnieuw het gevoel dat Museum Arnhem – net als Museum De Fundatie in Zwolle en dus anders dan het Drents Museum in Assen – te klein is voor wat het wil zijn. Maar ook: wat een rijkdom dat het er is en kan bestaan. Wat is Nederland toch een fijn museumland.

Vleeskar (1925) Johan van Hell

Gelukkig werd mij ditmaal, aan de hand van de collectie neo-realisme, een concreter verhaal verteld. Nogmaals een citaat van de website:

‘De economische crisis van 1929 en de machtsovername van Hitler in Duitsland in 1933 raakten ook de kunst en de kunstenaars in Nederland. Door deze periode van politieke polarisatie verdwenen vooral sociaal geëngageerde en activistische kunstenaars voor lange tijd uit de kunstgeschiedenis.

Met Van Links Naar Rechts presenteert Museum Arnhem een inclusiever beeld van het Interbellum dan voorheen. Herontdekkingen van progressieve kunstenaars zoals Berthe Edersheim, Harmen Meurs en Nola Hatterman, die voorheen letterlijk en figuurlijk links bleven liggen, worden getoond tegenover bekende namen als Willink, Raoul Hynckes en Pyke Koch.’

Na het verorberen van dit hoofdmaal bezocht ik nog een paar zalen waarvan ik nu niet meer weet welke functie ze hebben en doel ze dienen, vermoedelijk iets met educatie. (Heerlijk om eens niet als cultuurjournalist in een museum rond te lopen, maar gewoon zoals de meeste mensen leeghoofdig rondbanjeren.) Daar zag ik videowerk van Hans Op de Beeck. Daar knapt een bezoeker altijd van op.


Bij een interview met Jante Wortel

Jante Wortel signeert
Pratend over haar debuutroman Weerlicht, waarin Jante Wortel vertelt over een meisje met een stoornis en een neiging tot zelfdestructie, ging het op een gegeven moment over waarom iemand autobiografisch wil schrijven en dat vervolgens publiceren. ,,Ik denk dat het een drang is om gezien te worden”, antwoordde Wortel, ,,om bevestiging te krijgen, om uitzonderlijk te willen zijn.”

Eerder had ze verteld over haar deelname aan Kunstbende en Write Now en de bekroning met de Drentse Talentprijs Cultuur. ,,Die prijzen vormden een bevestiging dat wat ik deed talentvol was. Het verhoogde de druk, maar ik zou het lastiger vinden als ik middelmatig ben”, zei ze. “Een zesje is net niks. Als ik iets doe, wil ik het goed doen.”

Meer dan middelmatig, vatte ik samen.

,,Het is niet dat ik dit verhaal koos om uitzonderlijk te zien”, sprak Wortel. ,,Het is meer dat ik dacht: Als ik dit vertel, is dat weliswaar heel eng, maar het zou bijzonder kúnnen zijn. Het is ook voor mij spannend als het op het randje zit. Durf ik dit wel te schrijven? Durf ik dit wel te publiceren? Dan staat er iets op het spel.”

Daarna trok ik de vergelijking waarvan ik mij had voorgenomen die te trekken: dat Lea, het  hoofdpersonage in Weerlicht, mij deed denken aan de hoofdpersonen in Eline Vere en Van de koelen meren des doods. Of ze zich daar iets bij kon voorstellen, wilde ik weten. Want in die romans, hoewel ouder, worstelen vrouwen ook met zichzelf. Honderd, honderdvijftig jaar geleden zouden we zeggen dat Lea hysterisch is.

,,Ergens heeft ze wel iets geks, iets hysterisch”, beaamde Wortel. ,,Maar Weerlicht is toch meer een verhaal over coming of age. Lea is vijftien jaar. Op het kantelpunt in de roman, als er iets gebeurt met de caravan, stapt ze naar voren. Juist omdat anderen niets doen, niet weten wat ze moeten doen.”

Weerlicht is een roman over controle, meer dan dat het een roman is over een eetstoornis. We spraken over het gevaar dat in ‘de media’ veel aandacht uitgaat naar die eetstoornis, ook omdat er veel media-aandacht is voor eetstoornissen. Ook spraken we over hoe het is om over zo’n roman geïnterviewd te worden.

Wortel bleek het eng te vinden. ,,Omdat ik eigenlijk heel goed zou moet weten wat ik hier over moet vertellen. Maar ja, je kunt dat niet vooraf uitdenken. Ik heb geen controle over wat wordt gevraagd. Wat vertel ik over mezelf? Wat vertel ik over het boek? Het is allemaal nog zo nieuw. Ik vind het niet erg als Weerlicht als een eetstoornisboek wordt neergezet, maar ik hoop dat het meer wordt dan dat.”

Daarna vroeg ik haar om ze haar boek voor mij wilde signeren.


‘Redacteuren bepaalden zelf waarover ze schreven’

Rinus Ferdinandusse Foto Mediahuis Noord
Met de professionele belangstelling die mij eigen is, las ik in NRC de necrologie van Rinus Ferdinandusse (1931 – 2022). Na de kop ‘Rinus Ferdinandusse leidde Vrij Nederland in hoogtijdagen, toen het blad geen leiding accepteerde’ bleef mijn oog haken bij de volgende zinnen:

‘In de jaren dat hij het vroegere verzetsblad aanstuurde, was er op de redactie geen sprake van hiërarchie. Redacteuren bepaalden zelf waarover ze schreven, en het was aan Ferdinandusse – die zaterdag op 90-jarige leeftijd overleed – om dat proces zo goed mogelijk te organiseren.’

Daarna NRC citeerde Ferdinandusse zelf:

„De redactievergadering was vooral bedoeld om iedereen de gelegenheid te bieden mee te delen wat hij ging doen”, blikte Ferdinandusse jaren later in Vrij Nederland terug, in één van de weinige interviews die hij gaf. „De één riep: ‘Zullen we een stuk maken over…’ waarop de ander zei: ‘Fantastisch, dat doen we’. Zo ging het. Meer was het niet.”

Er klonk iets van nostalgie door, zowel in het citaat zelf als in de keuze van het citaat. Alsof de goede oude tijd voorbij was en nooit meer weeromkwam. Bij Vrij Nederland was de tijd van Ferdinandusse beslist goed. Tijdens zijn hoofdredacteurschap groeide het blad uit tot een invloedrijke publicatie met eind jaren zeventig meer dan 120.000 abonnees.

Ferdinandusse had als hoofdredacteur de wind mee. Ik dacht nog net niet: zo kan iedereen het. Want ook al staat de wind goed, zonder kundige matrozen gaat de boot dobberen.

Wel vroeg ik mij af wie anders dan een redactie bepaalt waarover in een tijdschrift of krant wordt geschreven. Om meteen een reeks mogelijke antwoorden te bedenken: de adverteerders, de lezers, de directie, de aandeelhouders, de markt, het bestuur, de Oempa Loempa's, de managers, het algoritme.

Als ik niet beter wist, zou ik schrikken.


Op zoek naar het paradys, bij Oranjewoud

Big be-hide (2022) Alicja Kwade
Ik bezocht Paradys, de kunstroute die ter gelegenheid van de manifestatie Arcadia door artistiek leider Hans den Hartog Jager is uitgezet in de omgeving van Oranjewoud, niet ver van Heerenveen. Dat deed ik op de eerste plaats als liefhebber van beeldende kunst in de openbare ruimte. Dat deed ik op de tweede plaats om verschil te zien met Into Nature, de route die vorig jaar en in 2018 door dezelfde artistiek leider werd uitgezet in respectievelijk Bargerveen en Frederiksoord.

Vergeleken met de Drentse routes oogt het goed georganiseerde Paradys meer bescheiden; er zijn iets minder kunstwerken te zien. Mede daardoor was ik er sneller klaar mee. En halve dag duurde mijn expeditie –  ik was met de fiets –  reistijd niet meegerekend, wel inclusief het beluisteren van audiofragmenten én een kort bezoek aan het nabijgelegen museum Belvédère. Daar werd het landschap gevierd met onder meer een wisseltentoonstelling rond Barbara Hepworth en haar kunstvrienden van St. Ives.

De locatie voor Paradys is goed gevonden en gekozen. Oranjewoud, ooit aangelegd door de Friese tak van het adellijke geslacht Nassau, wordt omschreven als ‘een klassieke idylle, een zorgvuldig uitgekiend lustoord en een uitvloeisel van het idee dat natuur tembaar en het paradijs maakbaar is. “Juist omdat Oranjewoud geen neutrale plek is, biedt het kunstenaars bij uitstek de gelegenheid de wereld op te stuwen, te bevragen en op te schudden.”

Erik van Lieshout heeft dat laatste effectief gedaan. Hij maakte een film waarin met veel plak en knip en geschetter verslag wordt gedaan van een poging om een bloemenmozaïek te realiseren in een omgeving die niet opgeschud wil worden. Omdat Van Lieshout zijn plan niet volledig heeft kunnen verwezenlijken, moet je voor het uiteindelijke mozaïek het paradijs van de rijken uit en afreizen naar het meer volkse Heerenveen. Daar kwam het niet van. Kijken naar de film voldeed.

Return of the hewrd (2022) Marianna Simnett

Meest bijzonder, naast een bezoek aan de Ecokathedraal van Louis Le Roy, was een boottochtje naar het beeld Return of de herd van Marianna Simnett, een meerkoppig monster opgebouwd uit afgietsels van botten van echte herten. Volgens Den Hartog Jager verwijst het beeld van Simnett naar zowel het afschieten van dieren in Oranjewoud, naar wraak van de natuur en naar dat wat door mensen als bedreigend wordt ervaren.

Meest spectaculair was, in mijn ogen, een beeld van Alicja Kwade (zie boven), een zintuigelijke illusie in een stuk grasland, opgebouwd uit een kei, een aluminium replica van die kei en een spiegelwand. Kwade was ook al blikvanger toen Into Nature werd gehouden in Frederiksoord en omgeving.

Temple of spring (2022) Isa van Lier (4)

Isa van Lier gebruikte Paradys om haar versie van het paradijs te bouwen, een tempel met lieflijke om niet te zeggen kinderlijke objecten. Ze liet zich inspireren door Japanse tempels en zentuinen die de mens ‘met zichzelf en de natuur in harmonie proberen te brengen en waar emoties vrij kunnen stromen’. Toen Den Hartog Jager de tempel voor het eerst betrad kon hij naar eigen zeggen zijn tranen nauwelijks bedwingen. Toen ik de creatie van Van Lier bezocht, wist ik weer dat ik mijn paradijs op aarde nog moet vinden.

Paradys is nog tot en met 14 augustus te bezoeken. Voor meer informatie klik hier.


Poze 20, over (beeldende) kunst die koud laat

Erfzonde Poze 20
Dankzij uitgeverij Ter Verpoozing uit Peize ontving ik een exemplaar van het onregelmatig verschijnende tijdschrift Poze. Dit keer betreft het een speciale editie, nummer 20, een book-a-zine met flappen getiteld Il y un dieu des…

In het voorwoord schrijft de samensteller en belangrijkste auteur van het tijdschrift, Gerard Stout, onder meer dit:

‘Vooral bij hedendaagse beeldende kunst raak ik snel verveeld. De afbeelding heeft zelden haakjes om aan me te hechten. De titel en verhalen bij de beelden komen me gezocht voor. Wat is de onderliggende boodschap? Wat wil de kunstenaar of schrijver over de wereld en zichzelf kwijt. Ik ben wel nieuwsgierig, maar vind geen verbinding.

Mijn lichaam reageert niet of nauwelijks op een plaatje of beeld. Mijn geest wringt zich in bochten op zoek naar duiding. Misschien is mijn chromosomenpakket niet voorzien van geschikte antennes, net als sommige mensen onvatbaar zijn voor bepaalde kwalen vanwege het ontbreken van uitsteeksels waar ziektemakers zich aan kunnen hechten. Altijd gerookt en geen kanker. Geen tegenslagen en altijd zeuren.’

Verderop schrijft hij:

‘Van muziek heb ik weinig kaas gegeten. Besprekingen van cd’s, hedendaagse herrie en uitvoeringen van klassieken zijn mogelijk nog cryptischer voor mij dan beeldende kunst. Ik begrijp er niet veel van. Van populaire liedjes, als ik de teksten al kan verstaan, raak ik niet in extase. Ze bieden geen troost, zorgen niet voor deemoedigheid, ootmoedigheid of genade. Enkele Gregoriaanse gezangen bevallen me, van wege de teksten.’

Om zijn ‘ongevoeligheid’ te demonsteren voert Stout in zijn tijdschrift een blinde man op die met de pratende herdershond Kasper vijftien schilderijen en sculpturen gaat bekijken. Wat volgt zijn gesprekken bij plaatjes. De hond beschrijft, de man interpreteert en reageert. De lezer leest en mag er het zijne of hare van denken. Want zo is Stout dan ook weer wel.

Bij een schilderij getiteld Erfzonde, maker mij niet bekend, gaat het gesprek aldus:

‘En Kasper, wat zie je,’, vraag ik. ‘Ik tast in het duister.’

‘Woef, woef, waf. Ik probeer een waardeoordeel achterwege te laten en me te beperken tot een fenomenologische beschrijving van het kleurrijke naïeve tafereel van een keukenstoel met een labyrintische biezen zitting voor een raam. In het venster op de wereld is een kruisbeeld te zien met een spectrale stralenkrans. Primaire kleuren. Een paars gordijn, opengeschoven, hangt aan zeven ringen aan een houten roede.

‘Paars is de boetekleur,’ zeg ik. ‘Kasper…’

‘In de linkerbovenhoek hangt een postzegel met een biddende prelaat. Een kaars op een hoge staander is gedoofd. De frankeringswaarde van de postzegel is 40-45 met een swastika tussen de getallen.’

‘Schuld en boete,’ zeg ik. ‘Misdaad en straf.’

‘Het zijn jouw woorden,’ antwoordt Kasper. ‘Naast de stoel, op een biezenmat met Azteken patroon ligt een kerkboek opengeslagen. Op de linkerpagina Adam met erectie, op de rechterpagina Eva met haar oorsprong open gespreid. Het leeslint is een slang. Wie geknield plaatsneemt voor deze keukenstoel heeft het volle zicht op de schepping. Het leven begint zodra het Boek wordt dichtgeslagen.’

Wat opvalt aan de stukjes in Poze 20 is dat Stout uitstekend kan kijken en weergeven, niet alleen wat hij ziet, maar ook wat hij bij de afbeeldingen denkt. Ik durf zelfs te stellen dat zijn beschouwingen beter leesbaar zijn dan wat ik doorgaans aan interpretaties van beeldende kunst in kranten en tijdschriften aantref. Hij ouwehoert niet, maar beschrijft letterlijk en associeert. Dat roept de vraag op waarom hij meent dat hij ‘niets kan’ met beeldende kunst, muziek en poëzie.

Het antwoord zit, denk ik, in de zelf gestelde taak van het begrijpen. Veel kunst – schilderijen, muziek, gedichten – moet je niet willen begrijpen, maar ondergaan. Dat is voor hoger opgeleiden geen eenvoudige opgave. Het begrijpen kan voor sommigen het meeleven in de weg te staan. Kunst beleven is vaak een kwestie van overgave. Vaak schieten woorden domweg tekort. Vaak is dat beter. Verstandiger.

Vooral in geval van kunst waar geen idee, maar een 'proces' aan ten grondslag ligt. Kunst waarin het draait om de grofstoffelijke trilling en de, eh dinges. Vooral in geval van slechte kunst.  

Zet af dat hoofd. 


Leest Weerlicht van Jante Wortel

Weerlicht Jante Wortel
Ter voorbereiding op een interview, deo volente, lees ik Weerlicht van Jante Wortel (Assen, 1996). Op de achterzijde van het boek staat de volgende aanprijzing: ‘Weerlicht is een moedige debuutroman over de verstikkende dynamiek van een gezin en de vraag hoe je iemand kunt helpen die zichzelf dwangmatig kapotmaakt.’

De naam van Jante Wortel dook in 2015 voor het eerst op in Dagblad van het Noorden nadat ze met een kortverhaal de finale van Kunstbende had gewonnen. Een jaar later haalde ze twee keer de krant, eerst als winnaar van de Groningse voorronde van Write Now, daarna als winnaar van de Drentse Talentprijs Cultuur. In 2017 werd aangekondigd dat haar debuut bij Das Mag zou verschijnen.

Volgens die uitgeverij hebben na haar afstuderen als student creative writing bij ArtEZ in Arnhem ‘meerdere uitgevers om haar handtekening gevochten’, maar hield Wortel de boot af. Daar had ik graag de beelden van gezien: zo’n kluwen smekende en stoeiende uitgevers tegenover een jonge auteur met afgewend gelaat. Niet nu, dames en heren. Kalm aan. Gedraag je. Geen drukte. Niet nu.

In een persbericht meldt Das Mag dat Wortel vanwege de druk die bij een contract komt kijken niet meteen wilde tekenen. 'En in alle eerlijkheid heeft Jante die uiteindelijk toch gevoeld. Maar ze bleef gestaag doorgaan, gooide de tekst overhoop, begon opnieuw, experimenteerde, durfde de tijd te nemen voor het persoonlijke boek dat ze aan het schrijven was. Tot het moment dat ze volmondig durfde te zeggen: nu ben ik tevreden.'

Ik ben halverwege Weerlicht en vind het een fascinerend boek. Niet eerder las ik zo’n indringende roman over een meisje met een eetstoornis. Dat meisje, Lea, reist met haar ouders, haar broer en een caravan door Noorwegen waar een broer van de moeder woont. Het is een, zacht gezegd, nogal tobberig gezin. Moeder zeult een zuurstoftank mee, de zoon heeft moeite in het gareel te blijven, vader is van het controlerende soort en gaat steeds strakker staan.

Wat heel goed is, is hoe Wortel over het innerlijk leven van de dochter schrijft. Lea wordt neergezet als een in zichzelf gekeerde 15-jarige die ver heen is. Stukje bij beetje komen we erachter hoe het zo heeft kunnen komen en wat ze eraan gedaan heeft om weer ‘normaal’ te worden. Ligt het aan haar, ligt het aan het gezin? Is het de wereld, is het leven? Waar komt de ellende vandaan? Is er sprake van ‘het lot’?

Ik heb net over de zoveelste druppel in de volle emmer gelezen. Vanwege een tegenligger moet de auto met de caravan in de regen op een smalle weg worden gekeerd. Vader en zoon stappen uit. Moeder houdt haar hart en zuurstoftank vast. Dochter ziet hoe het misgaat. Wortel zet de bijbehorende stress en paniek indrukwekkend neer. Gezellig is de vakantie allang niet meer. Nooit geweest eigenlijk. En we zijn pas halverwege.    

Al een paar keer dwaalden mijn gedachten af naar Van de koele meren des doods van Frederik van Eeden en Eline Vere van Louis Couperus. Zou er een overeenkomst zijn tussen de gedeprimeerde vrouwen aan het einde van de negentiende eeuw en de meisjes met stoornissen van nu? Misschien dat Wortel het kan vertellen. Misschien doen ze bij de afdeling creative writing van ArtEZ niet aan literatuurgeschiedenis.

Nu weer verder lezen.