Een paard dankzij de hakselaar, bij Lhee

Lhee Agrosculptuur

Een officiële kunsthistorische stroming vormen ze (nog) niet, maar ze bestaan wel degelijk: agrosculpturen. Ik schreef er eerder over, zie hier.

Vorige week ontdekte ik er een bij Lhee, in de berm voor loonwerk- en mechanisatiebedrijf Vink BV. Het is onmiskenbaar een paard, maar dan wel een die opvallend weinig moeite doet op een paard te lijken. Dat is wel zo aardig in een wereld waar kunst meestal alleen kunst wordt genoemd als het ‘net echt’ is.

"Gemaakt door een van onze werknemers", vertelde Danny Wijntjes van Vink over de telefoon toen ik naar het paard van Lhee informeerde. "Uit allemaal losse onderdelen van machines, voornamelijk van een hakselaar. Hij staat er sinds een paar maanden, eerder stond-ie op een andere plek. We krijgen er heel veel reacties op. Je wilt niet weten hoeveel mensen ermee op de foto gaan."

Het aantal agrokunstwerken in Nederland neemt af. Wellicht dat het met de biodiversiteit en/of de bedreigde boerenstand te maken heeft – bij Vink hangt er een omgekeerde Nederlandse vlag naast. Met name in de jaren tachtig en negentig waren het er veel meer, weet ik dankzij mijn oplettende blik en voorliefde voor het nutteloze.

Ook populair op het platteland, maar dan van een andere orde zijn in het gras verzonken fietsen. Meestal maken de lassers beelden die op mensfiguren lijken, dieren zijn zeldzamer. In Emmerschans, nota bene op het terrein waar zich het wereldberoemde land art-werk Broken Circle/Spiral Hill van Robert Smithson bevindt staan er meerdere, waaronder een grazend paard met een eeuwig lege maag. Die bij Lhee heeft nooit honger.

Emmerschans Agrosculptuur


Over vrouwen in de nieuwe Nederlandstalige literaire canon

HellaHaasse
Geamuseerd volg ik ‘het debat’ dat is voortgevloeid uit de bekendmaking van de nieuwe Nederlandstalige literaire canon, afgelopen weekend. Zoals te verwachten viel, gaat het vaak over het geringe aantal vrouwen.

Mijn eerste gedachten daarbij: als het anders had gemoeten, dan hadden meer mensen een andere voorkeur kenbaar moeten maken. Waarom hebben zij dat niet gedaan? Wat weerhield hen? Waarom mopperen op mensen die wel de moeite hebben genomen om de enquête in te vullen? Nu is het wat het is.

In dit verband een citaat uit de column van Aleid Truijens in de Volkskrant van dinsdag:

'Toch weer veel dode, witte mannen', concludeert Toef Jaeger in NRC Handelsblad. Ze heeft gelijk, al lijkt me 'dood' een goed criterium met het oog op de eeuwigheid; over de eigen tijd is het lastig oordelen.

De opmars van gecanoniseerde vrouwen is traag. De top-100 telt maar 24 vrouwen (in 2002 11). Weliswaar staat er nu één vrouw in de top-10 van schrijvers die het vaakst genoemd werden: Hella S. Haasse, op nummer 8 (in 2002 op 26), maar in de top-10 van 'belangrijkste auteurs' staan alleen mannen; Haasse staat daar op plaats 24. In de top-10 gekozen door mannen staat niet één vrouw.’

Truijens gooit hier nogal wat lijstjes op een hoop. Als we alleen naar de lijst met honderd literaire werken kijken, lijken er dit keer meer dan twintig titels door een vrouw geschreven. Dat aantal kan hoger zijn, want van sommige titels is onbekend of ze door een vrouw zijn geschreven, zoals Mariken van Nieumeghen. Het aantal kan ook lager zijn, want wat geeft de samenstellers van de canon het recht om het geslacht van auteurs* vast te stellen?

Ik sluit mij aan bij wat Anton Prins dinsdag in NRC schrijft. (De tweede titel, Handelsblad is een tijd geleden geschrapt, over taalverarming gesproken.) Prins stelt terecht dat niet de etnische of geslachtelijke identiteit van de schrijver, maar de werken zelf het ijkpunt behoren te zijn.

Hij (of misschien zij of die) schrijft dat het niet meer dan logisch is dat in een Noord-Europees land als Nederland meer blanke schrijvers in de canon zijn opgenomen en dat het gezien de historische rolverdeling tussen mannen en vrouwen ook niet bijzonder opmerkelijk is dat er gemiddeld minder vrouwen in de canon staan.

‘Wellicht dat Nederland nu in etnische zin diverser is dan voorheen, en dat sinds de vorige eeuw vrouwen steeds meer vrijheden hebben verworven die voorheen alleen de heren beschoren waren; vroeger was dit anders en hoewel er wellicht nog altijd ondergeschoven kindjes zijn in de literatuur uit het verleden, is de wens meer ‘dode witte mannen’ in de canon de deur te willen wijzen im Ganzen irreëel.’

Het is waar, dé canon bestaat niet. Wat wel bestaat is permanente twijfel. Hieronder titels van werken in de canon die vermoedelijk door een vrouw zijn geschreven. Dit met de nadrukkelijke aanbeveling deze titels vooral te lezen:

  • Oeroeg – Hella S. Haasse
  • Het Achterhuis – Anne Frank
  • De historie van mejuffrouw Sara Burgerhart – Betje Wolff & Aagje Deken
  • Heren van de thee – Hella S. Haasse
  • De Avond Is Ongemak – Marieke Lucas Rijneveld*
  • Het Bittere kruid – Marga Minco
  • Eva – Carry van Bruggen
  • De wetten – Connie Palmen
  • Eenzaam avontuur : roman – Anna Blaman
  • Het woud der verwachting : het leven van Charles van Orléans – Hella S. Haasse
  • De tweeling – Tessa de Loo
  • De tienduizend dingen – Maria Dermout
  • Pluk van de Petteflet – Annie M.G. Schmidt
  • Vallen Is Als Vliegen – Manon Uphoff
  • Mijn lieve gunsteling – Marieke Lucas Rijneveld*
  • Kruistocht in spijkerbroek – Thea Beckman
  • Een revolverschot – Virginie Loveling
  • Het smelt – Lize Spit
  • Parken en woestijnen – M. Vasalis
  • De brief voor de koning – Tonke Dragt
  • Hoe duur was de suiker – Cynthia McLeod

Andere Tijden-reeks over het Rampjaar 1672

Beter laat dan nooit. De herdenking van het Rampjaar 1672, dit jaar 350 jaar geleden, is al even onderweg, maar nu komt er ook een televisieserie. Citaat uit een nieuwbrief van het Platform Rampjaarherdenking:

De vesting heroverd!“Onder redactie van Andere Tijden komt er dit najaar een zevendelige docuserie over het Rampjaar 1672. De eerste uitzending is op vrijdag 28 oktober om 22.15 uur bij de NTR op NPO 2. Daarna elke week tot in december. Hans Goedkoop is in Het Rampjaar 1672 als voice-over de verteller.

Een jong land dat zich veilig waant, wordt van drie kanten ongenadig aangevallen door machtige vijanden. Iedereen weet het dan: het is erop of eronder. In een nieuwe geschiedenisserie reconstrueert de redactie van Andere Tijden de gebeurtenissen die leidden tot het Rampjaar 1672. Wat gebeurde er nou precies in dat Rampjaar en vooral: hoe kon het zo uit de hand lopen?”

Bij de reeks komt ook een YouTube-serie met video's over Nederlandse steden die een rol speelden in of naar aanloop van het Rampjaar: Vestingverhalen.

In het verlengde van dit alles, of misschien wel vooruitlopend op de serie: zaterdag 8 oktober opent in het Stedelijk Museum Coevorden de  tentoonstelling De vesting heroverd! over het ontzet van Coevorden in december 1672. Topstuk of blikvanger is een originele mortier van het leger van Bommen Berend.


Leest 'Bijna op de radio' van Nico Dijkshoorn

Bijna op de radio Nico Dijkshoorn1
Voor een bespreking in Dagblad van het Noorden en Leeuwarder Courant lees ik de nieuwe roman van Nico Dijkshoorn, Bijna op de radio. Ik heb een zwak voor Dijkshoorn. Dat is ontstaan in de tijd dat hij als P. Kouwes gedichten publiceerde waarvan ik lange tijd niet wist of het wel gedichten waren. Hij deed dat zo consequent en in zo’n hoog tempo, schrijven en publiceren, waarop ik besloot, ook om er maar van af te zijn, er zijn belangrijker zaken op de wereld, dat het inderdaad gedichten waren.

Mijn zwak nam iets af toen hij onder zijn eigen naam met zijn grijnzende kop de buis begon te verschijnen. Niet dat hij daar iets aan kon doen, behalve wegblijven, hij zou gek zijn, want het leverde hem een groot publiek op en veel optredens vermoedelijk. Welke schrijver wil dat niet? Ik herinner mij zo’n optreden tijdens het Open Dicht Festival in de bossen van Schoonoord, waar het grote publiek ineens heel klein bleek te zijn. Welkom in Drenthe.

Ik heb daar nog een foto van. Ik plaats hem hierbij. Toen ik 'm eerder plaatste, kreeg ik terstond mail van Dijkshoorn, of hij een kopie mocht hebben. Zelfspot. Het pleitte enorm voor hem. Later heb ik hem een keer geïnterviewd, telefonisch. Het bleek geen man die graag moeilijk doet.

NicoDijkshoornSchoonoord1
Dijkshoorn debuteerde in 2009 als romancier met De tranen van Kuif den Dolder, over een mythische voetballer uit Uffelte. Daarna las ik van hem wat op mijn pad kwam. Dat was best veel, los van de columns, want die ging ik uit de weg. Met name zijn romans In zijn nabijheid en Ooit gelukkig fascineerden mij zeer. Wereldschokkende literatuur maakt hij weliswaar niet, maar ik las en lees het steeds met bewondering en vooral veel plezier.

Dat geldt ook Bijna op de radio, een boek in het verlengde van De tranen van Kuif den Dolder, maar dan over een bandje dat het nooit heeft gemaakt. De vorm is vertrouwd: de drummer, bassist en zanger-gitarist van de band Tire Pressure vertellen aan een anonieme interviewer hoe het volgens hen komt dat ze geen succes hebben geboekt. Brokjes kale interview zonder beschrijvingen zijn het. Soms worden de uitspraken aangevuld door ooggetuigen, zoals concertgangers en mensen met wie de band vruchteloos heeft samengewerkt.

Op bladzijde 131 gaat het ineens over de avonturen in Drenthe:

SIKKO: Ja. De Amer. Home of the gore gehaktbal. Dat was een dingetje. Alle andere muzikanten die wij kenden hadden het over de gehaktbal van De Amer. Als je ’s nachts bij een benzinestation een andere band tegenkwam dan stond je binnen vier minuten over die gehaktballen te lullen. Lyrisch waren ze. Ik vroeg af en toe wat, voor de vorm. ‘Zijn ze handgekneed?’ Een gehaktbal uit De Amer eten en dan sterven, dat was eigenlijk het idee. Toen wij er speelden hing die hele kroeg vol met foto’s van Cuby. Wist je meteen waar hij aan was overleden.

PETER: Kruidnagel. Het had niets met gehakt te maken. Twee kilo kruidnagels, daar samen met je kinderen een week op je blote voeten doorheen banjeren, balletjes van kneden en dan voor vier gulden per stuk verkopen.

SIKKO: Ze kookten ze, in water. Als de bal boven kwam drijven, was-ie gaar. Ik weet alles over die kutballen. Ze raakten er niet over uitgeluld. Dat is later nog in een liedje van Peter terechtgekomen. ‘Gray Balls Of Fire’, met zinnen als ‘Spicing it up with herbnails, take your balls into my mouth’.

PETER: Met die burgemeester dachten we het wel te hebben gehad, qua couleur locale-gekte, maar die gek houdt op en geeft het woord aan Johan Derksen. Wij stonden nog steeds doodstil op het podium. In mijn herinnering heeft Derksen drie kwartier over Cuby and the Blizzards staan vertellen. Hij droeg ook de oude trui van Cuby, die hij aan had toen hij ‘Window Of My Eyes’ zong. Dat was volgens Johan dan het beste wat ooit in Nederland was gemaakt. Kreeg je, toen al, weer die hele riedel dat muziek pas muziek was als je ergens in Drenthe ging staan zingen dat je die ochtend weer wakker was geworden. Laten we gewoon even eerlijk zijn: Cuby zong zo slecht Engels dat het op Hongaars leek. Ik heb heel lang gedacht dat Cuby verwekt was tussen de paprika’s en de ossenstaarten, ergens achter in een Hongaars restaurant.’

Nu weer verder lezen.


Een boek ter bestrijding van de ontlezing (2)

Cover_JoepvanRuitenJe zou mij op de hoogte houden over dat boek van jou. Is er nog nieuws?

- Nieuws, nieuws. Dat boek van mij is wel belangrijk, maar toch ook weer niet zo belangrijk dat ik er nieuws van wil maken. Dat moet je als schrijver niet willen, nieuws maken. Dat is meer iets voor journalisten. De tekst, de autonome inhoud, die moet het doen.

Laat ik het dan anders formuleren: Hoe gaat het?

- Wel goed, denk ik. Zeker weten doe je dat nooit, ik althans niet. Ik word altijd een beetje verlegen als mensen vragen hoe het gaat. Want hoe gaat het nu echt? Wat betreft het boek, dat gaat goed. Ik heb het manuscript teruggekregen met een aantal voorgestelde correcties en suggesties. Ik vreesde het ergste, maar het valt alleszins mee. Ze zijn heel beleefd en vriendelijk bij uitgeverij kleine Uil.

Slechts twee dingen zeker: alles schrappen, en opnieuw beginnen.

- Ja, leuk, grappig. Nee. Iets eruit, tikfoutjes vooral. Twee stukken eruit, drie erbij. Als ik dat zou willen. ‘Want het is jouw boek,’ zei de redacteur op de toon van iemand die zijn handen liever niet ziet branden. Daarop ben ik er opnieuw voor gaan zitten. Het was nog een behoorlijke klus. Geeft niets. Als ik het anders had gewild, had ik beter kunnen aankloppen bij zo’n uitgeverij waar ze geblinddoekt op de printknop drukken en er een kaft omheen plakken die al opkrult terwijl jij nog met lezen moet beginnen. Ik ben door naar de volgende ronde, geloof ik.

Vorige keer maakte je je zorgen over de papierschaarste. Hoe staat het daarmee?

- Ik hoor er weinig over, maar het zal er vast nog zijn, misschien komt het weer terug. Ik heb er een andere zorg bij: de crisis. Kunnen mensen straks mijn boek nog wel kopen? Het kan zomaar dat ze het geld voor iets anders nodig hebben.

Voor de energierekening bedoel je? Het kabinet heeft plannen bekendgemaakt om die kosten te dempen.

- Dat is waar, dat is een kleine geruststelling. Zelf had ik gedacht dat als mensen een boek kopen, mijn boek, dat ze op tijd naar bed kunnen. Lekker lezen onder de dekentjes. Dat is goedkoper en aangenamer dan op de bank bij 15 graden naar een talkshow op de buis kijken of je zorgen wegzuipen in een bruinig café dat door gebrek aan personeel niet langer wordt schoongemaakt. Leerzamer ook. Win-win.

Goed bedacht.

- Dank je. Waar ik nu voor vrees, is een te zachte winter.


Leest ‘Etty Hillesum. Het verhaal van haar leven’

Etty Hillesum
Ik lees voor Dagblad van het Noorden en vermoedelijk ook de Leeuwarder Courant, dat laatste weet je nooit, soms wijken Friezen op het laatste moment van gezamenlijke plannen af, al gaat het de laatste tijd beter, de biografie Etty Hillesum. Het verhaal van haar leven. Schrijver is Judith Koelemeijer. Volgens het nawoord heeft ze tien jaar aan haar boek gewerkt. De presentatie is vandaag, dinsdag 20 september.

Dat ik de biografie van Etty Hillesum van belang vind voor de lezers van mijn krant(en) heeft deels te maken met het gegeven dat zij een paar jaar van haar leven in Winschoten heeft doorgebracht. Geen bepalende jaren, weet ik. Ze was vier jaar toen ze als dochter van een leraar klassieke talen in Winschoten arriveerde. Ze was elf jaar toen het gezin naar Deventer verhuisde waar vader conrector kon worden.

Dat Koelemeijer over de Oost-Groninger jaren schrijft, heeft ermee te maken dat het verblijf iets zegt over het karakter van haar vader. Louis Hillesum was een man die zichzelf probeerde op te werken via het onderwijs. ‘Een carrière als leraar betekende veel verhuizen, gestaag dienstjaren opbouwen, streven naar een steeds hogere jaarwedde, en als bekroning hopelijk de gooi naar het (con)rectorschap,’ schrijft ze.

De vader van Etty Hillesum was een job-hopper. Na anderhalf jaar in Tiel solliciteerde hij naar de baan van conrector aan het gymnasium van Winschoten. Het Winschoter gymnasium had volgens Koelemeijer op dat moment een slechte naam. Het totale aantal leerlingen was met 31 tot een dieptepunt gedaald, en het voortbestaan van de school had in de voorgaande jaren in de gemeenteraad herhaaldelijk ter discussie gestaan.

Ze schrijft ook dit:

‘Vooral in Winschoten en Deventer werd er vreselijk geroddeld over mevrouw Hillesum, die zo raar Nederlands sprak, met een rollende r, en in wier huis het een chaos was. Ze had ‘’n hoeshòln van Jan Stain’, fluisterden de huisvrouwen op z’n Gronings in het noorden.’

Hierbij is het goed om te weten dat de moeder van oorsprong uit Rusland kwam en dochter Etty een moeizame verhouding met haar had. De temperamentvolle moeder vluchtte ooit voor barre omstandigheden en pogroms door verkleed als soldaat op de trein naar het Westen te stappen. Een van de knappe staaltjes in de biografie is dat Koelemeijer erin is geslaagd deze Russische wortels van de familie bloot te leggen.

Die Russische komaf wordt later nog een keer belangrijk als de moeder vanuit Amsterdam op de trein naar Westerbork dreigt te worden gezet. Ze probeert dit te voorkomen door de Duitsers te wijzen op haar papieren waarin wel staat dat ze uit Rusland komt, maar niet dat ze joods is. Vader Louis en dochter Etty hebben zich er dan al bij neergelegd dat ze joods zijn en hun lot moeten ondergaan. Moeder komt binnen het gezin min of meer alleen te staan.

Nog even terug naar Winschoten. Hoewel er geen – voor de biografie – cruciale gebeurtenissen hebben plaatsgevonden, vond Koelemeijer het toch nodig om naar Groningen te reizen en het huis te bezoeken.  

‘De familie Hillesum woonde in Winschoten in een ruime, pas opgeleverde tweeondereenkapwoning aan de Oranjestraat 2. Het huis had een zolder, die je via een steile trap kon bereiken. Een lange, smalle ruimte onder het puntdak; alleen in het midden kon je er rechtop staan. In de schuine zolderwand bevond zich een raampje met een uitzetijzer, zodat je het kon opendoen om te luchten. Honderd jaar na dato zit dat raampje er nog steeds.’

Nu weer verder lezen.


Toen vader en moeder op stap gingen zonder mij

Cobie Douma 1942
Ik ging naar het Fotomuseum in Den Haag om de W.F. Hermans-tentoonstelling Vrij belangrijke foto’s te zien. Om daar te komen, moest ik eerst door de zalen met de expositie Ouders. Wat ik toen nog niet wist, weet ik inmiddels wel: Ouders bleek veel malen interessanter.

Getoond wordt werk van zo’n dertig fotografen die hun eigen vader en moeder hebben vastgelegd. De tentoonstelling laat, in de woorden van het museum, ‘zien dat de ouder-kindrelatie universeel is en tegelijkertijd uitermate persoonlijk en intiem’. Daar is niets van gelogen.

Hoewel de expositie foto’s bevat van mensen als Jan Banning, Erwin Olaf, Robin de Puy en Corbino bleef mijn oog vooral hangen bij een foto die ene Cobie Douma in september 1942 maakte toen ze vanuit een raam aan de Dr. D. Bosstraat in Winschoten haar ouders zag wegwandelen. Ze maakte een notitie bij de foto: ‘Vader en moeder op straat toen ze op stap gingen zonder mij’.

Volgens de begeleidende tekst was Douma (1914 – 2001) een Fries-Groningse huishoudschoollerares die zichzelf tijdens de Tweede Wereldoorlog de opdracht had gesteld ‘de effecten van de bezetting op het alledaagse leven vast te leggen in haar woonplaats Groningen en later Winschoten’. Ze kocht van haar vakantiegeld een camera en bundelde de resultaten in zelfgemaakte albums.

Douma was 28 of 29 jaar in 1942. Ze fotografeerde toen al veertien jaar. Dat haar foto’s in Den Haag worden getoond, is omdat ze zijn opgenomen in de collectie ‘Illegale Fotografie tijdens de Duitse bezetting’ van het Nationaal Archief. Op verschillende plekken op het internet, maar vooral via deze website, zijn veel van haar foto’s te bekijken.

Volgens het Fotomuseum zat Douma in het verzet. Dat lezende krijgt de notitie  ‘Vader en moeder op straat toen ze op stap gingen zonder mij’ een heel andere betekenis. Zaten zij misschien ook in het verzet?

Als ik goed naar de foto kijk, zie ik de ouders van Douma lachen. Dat kan van de spanning zijn. Maar ook van de opluchting. Even zoeken levert nog een foto op die Douma maakte van haar ouders. Ook dan lachen ze. Volgens de bijbehorende notitie is deze foto gemaakt tussen 1 mei 1945 en 31 december 1945. Dan zal het uit opluchting zijn. Winschoten werd bevrijd in april 1945.


De openbare ruimte is van ons allemaal

De openbare ruimte is van iedereen, en iedereen gebruikt hem of haar naar goeddunken op geheel eigen wijze. Oftewel: drie ergernissen die te klein zijn om je druk over te maken en daardoor blijven bestaan.

Sfinx Emmen
Hoe de horeca de publieke ruimte inneemt.

Zo34 Emmen
Hoe subsidie wordt gebruikt voor illegale doeleinden. En nog slordig ook.

Shantykorenfestival Emmen
Hoe monumentale podiummogelijkheden onbenut blijven.


Opnieuw: Kunt u mij de weg wijzen naar het CBK?

Kunt u mij de weg wijzen naar het CBK
In 2016 begon ik in Emmen fotobordjes te spotten van het kunstwerk Kunt u mij de weg wijzen naar het CBK?. De maker, Carel Lanters, had ze eind vorige eeuw op verschillende plaatsen in en rond Emmen opgehangen. Op elk bordje wijst iemand de weg naar het Centrum Beeldende Kunst.

Dertien vond ik er, terwijl Lanters er 160 zou hebben gemaakt. Waar waren die andere bordjes gebleven?

Een deel hangt sinds 2015 aan de muur van het gemeentehuis. Niet alle 160, nee, daar hangen er 144, waarvan er slechts 57 origineel zijn. 87 bordjes zijn replica’s. Minus de dertien originele bordjes die ik in Emmen op hun oorspronkelijke plek aantrof, waren destijds nog 74 fotobordjes zoek.

Deze week ontdekte ik er een in winkelcentrum De Weiert. Nog 73 te gaan.


Het simpele denken van Sander Schimmelpenninck

Sander Schimmelpenninck
In mijn kring hoor ik soms waarderende geluiden over de Volkskrant-columns van Sander Schimmelpenninck. “Hadden wij maar zo iemand,” sprak laatst een collega bij Dagblad van het Noorden. “Iemand die goed schrijft, van de inhoud weet en zegt waar het op staat, zouden wij ook moeten hebben.”

Ik moest aan die collega denken nadat ik de maandagse column van Schimmelpenninck had gelezen. ‘Het platteland lijkt ontnuchterd, de plattelanders de schaamte voorbij’, luidt de kop.

Daaronder schrijft Schimmelpenninck over iets wat hij op televisie heeft gezien. Er was bij het aanmeldcentrum in Ter Apel een jongen op de aanwezige journalist Danny Ghosen afgestapt om de voormalige asielzoeker Ghosen te bewonderen terwijl hij, die jongen, kort daarvoor andere asielzoekers had uitgemaakt voor gelukzoekers. Het accent van de jongen deed Schimmelpenninck denken aan het Twentse accent uit zijn jeugd.

Een stukje verderop in de column gaat het over Albergen, het dorp in Overijssel waar de bevolking te hoop loopt tegen het onderbrengen van asielzoekers in een hotel. “Heus, er zullen ook humane Albergers zijn, er zijn immers ook heus aardige Russen, maar er liepen wel erg veel mensen mee in een Ku Klux Klan-achtige mars met omgekeerde vlaggen,” noteert Schimmelpenninck.

En dan komt hij tot zijn conclusie: “Extreemrechts heeft Nederland in de houdgreep en de fatsoenlijken zijn muisstil.”

Onzin.

Extreemrechts heeft Nederland helemaal niet in de houdgreep. Zie de samenstelling van de Tweede Kamer, zie de huidige coalitie. Het is waar dat relatief veel mensen ‘rechts’ hebben gestemd, maar de lijnen werden en worden uitgezet door CU, CDA, D66 en VVD. Extreemrechts is een marginaal en vooral abject verschijnsel en dat moet, wat mij betreft, vooral zo blijven.

De fatsoenlijken zijn helemaal niet muisstil. De aanwezigheid van Ghosen in Ter Apel laat het zien. Zijn cameraman registreerde zeer subtiel de dommigheid van een minderheid en het werd meermaals op nationale televisie uitgezonden. We konden er allemaal van meegenieten.

Wat erg is, is dat Schimmelpenninck zich in zijn column schuldig maakt aan precies dezelfde achterlijkheid als de Ghosen-fan in Ter Apel en de marslopers in Albergen. Ook hij gooit iedereen op een hoop, in dit geval ‘de plattelanders’.

Citaat: ‘Het platteland zucht onder een gebrek aan diversiteit. Waar regio’s als Twente, Drenthe, Groningen vroeger een mengelmoes vormden van conservatieve CDA-stemmers en PvdA-stemmende arbeiders, begint alles buiten de Randstad massaal naar populistisch rechts te hangen.’

Inderdaad, hier worden Twente, Drenthe en Groningen gelijkgesteld aan ‘alles buiten de Randstad’. In werkelijkheid is het aantal populistisch rechts-stemmende mensen ongelijkmatig over het land verdeeld. Er zitten er veel aan de rand van het land, dat is waar. Maar ze wonen ook op andere plekken.

De werkelijkheid is niet zo simpel als Schimmelpenninck doet voorkomen. Wat natuurlijk ook kan, is dat Schimmelpenninck simpel denkt om aandacht te trekken. Dat is de mediastrategie van extreemrechts, daar denken ze over complexe zaken ook zo simpel mogelijk.

Een paar weken geleden woonde ik tijdens festival Noorderzon in Groningen een avondje bij met Peter Middendorp en Peter Buwalda, twee columnisten bij de Volkskrant. Zij spraken onder meer over de maatschappijkritische column, de column met een mening.

“Ik wilde vroeger columnist worden, omdat ik dacht dat een columnist iemand was als een cabaretier. De wereld is suf en dan ga jij een beetje prikken en stoken en brutaal en gedurfd doen,” sprak Middendorp. “Maar de wereld is zo over de kop geslagen, zo overstuurd, dat de rol van de columnist anders wordt. Je moet mensen nu tot kalmte manen en opvoeden. Dat is helemaal geen leuke rol. Het debat is ziek. Ik kan daar niet meer tegen.”

Buwalda reageerde door over W.F. Hermans te beginnen. “Hermans was met zijn polemieken in zijn tijd de enige die kwaad was. Heel Nederland stond daar met open mond naar te kijken. Nu is heel Nederland kwaad. En staan wij als columnisten daar met open mond naar te kijken. Er wordt wel gezegd dat schrijvers niet meer polemisch zijn. Dat is om die reden. Als je nu polemisch doet, doe je hetzelfde als Geen Stijl.”

Kortom, alles voor de aandacht, alles voor de clicks. En alles wat aandacht krijgt groeit. Ik dank u voor uw aandacht en tijd.