Sandy, Danny, Carol, Constant en ik

Grease-1978
NRC
stond donderdag met een hoofdredactioneel commentaar stil bij het overlijden van Oliva Newton-John. Ik keek daarvan op, en las het stuk vanwege die verbazing met extra belangstelling. Het zal vermoedelijk niet de laatste verrassing van deze zomer zijn.

De commentator van dienst eindigde met de volgende zin: ‘Het plot mag dan voorspelbaar zijn, maar wie wordt er niet vrolijk als iemand roept: Greased lightnin'!

Niemand zag het, ik had het ook niet kunnen doen, maar ik stak na het lezen mijn vinger omhoog.

Mijn gedachten waren teruggegaan naar 1978. Ik was dertien jaar, zat in de tweede klas van het atheneum en was verliefd op Carol. Daarin stond ik niet alleen. Iedereen in mijn omgeving was verliefd op Carol. Dus ook mijn beste vriend Constant. Carol wist dat. Ze speelde ermee. Ze speelde met iedereen. Dat maakte haar nog indrukwekkender dan ze al was.

Hoe we het precies voor elkaar kregen weet ik niet, het zal de verdienste van mijn beste vriend zijn geweest, die was in alles veel handiger, maar het werd zo geregeld dat we met Carol naar Grease konden. In Leiden. Carol speelde het slim: ze nam twee vriendinnen mee, Anne en Yvonne. We waren dus met zijn vijven.

Ik hield niet van erg Grease. Sterker, het liedje dat aan de film vooraf was gegaan, You’re the one that I want, deed pijn aan mijn oren en beloofde ook voor de rest weinig goeds. Ik kon mij weliswaar enigszins herkennen in de tekst, maar de muziek stond heel ver af van mijn smaak. Slappe highschoolpop vond ik het. Om niet meer te achterhalen redenen, was ik dat jaar into The Kinks.

Eenmaal in de bioscoop, Luxor aan de Stationsweg, er zit nu een eettent in, moesten er zitplaatsen worden gevonden. Door een speling van het lot, of op zijn minst een slechte timing mijnerzijds, slaagde ik er niet in om naast Carol te zitten. Het leek er op dat ze dat ook helemaal niet wilde. Ze had  heel andere ideeën.

En zo kwam het dat ik Grease vanaf de verkeerde rij zag, naast Yvonne, schuin achter Carol en Constant. Semi-klassiek tienerdrama. Gelukkig was het donker in de zaal.

De film was niet goed, artistiek gezien. Zo keek ik toen al naar ‘de dingen’: afwisselend uit de hoogte of laagte, niet uit slimheid, meer uit onvermogen om aansluiting te vinden en te houden bij de meerderheid. Naarmate de tijd vorderde, werd de film steeds slechter.

Bijna anderhalf uur lang zat ik mijzelf te ergeren en op te vreten. Na afloop had ik een klomp in mijn maag waaruit een slechte herinnering is gegroeid. Yvonne heeft er niets van gemerkt. Carol en Constant al helemaal niet.

Met plezier terugdenken aan Grease is onmogelijk. En aan Oh Carol van Neil Sedaka heb ik ronduit een hekel. Niet alle herinneringen worden zoet naarmate de jaren vorderen. Het meest pijnlijk is dat ik uiteindelijk het contact met Constant ben kwijtgeraakt.


Pop-up bankkantoor tussen de boeken

IMG_0743
Sinds enige tijd hebben we hier geen bibliotheek meer. Dat wil zeggen: er zijn in de gemeente Emmen nog wel gebouwen waar je boeken kunt lenen en terugbrengen, maar de ruimte in die gebouwen wordt meer en meer voor andere doeleinden gebruikt. De andere doeleinden zijn zo dominant dat tot een naamsverandering is besloten.

De bibliotheek heet sinds april Facet. Volgens de directeur-bestuurder slaat de nieuwe naam op ‘de veelzijdigheid van Emmen en haar inwoners en het brede aanbod van nieuwe diensten’. De bibliotheekvlag dekt de lading niet langer, helemaal sinds een fusie met de resten van een kunstencentrum dat is overgebleven na een faillissement.

Een blik in een taalgids had duidelijk kunnen maken dat in een dergelijk geval het meervoud van Facet een betere keuze was geweest. Misschien zijn de taalgidsen afgeschreven, maar het past in een lijn. Steeds meer openbare bibliotheken gaan op in grotere gehelen en verdwalen in gebouwen waar het aantal boeken afneemt. Forum in Groningen, Rozet in Arnhem, DNK in Assen, Stadkamer in Zwolle, LocHal in Tilburg – allemaal centra waar lezen ondergeschikt is aan beleven.

Bij het aanbod aan nieuwe diensten moet onder meer gedacht worden aan ‘mensen een stapje verder helpen met de basisvaardigheden die ze nodig hebben in de maatschappij, zoals digitale vaardigheden’. Hoe belangrijk dat laatste is, werd duidelijk toen de bibliotheken tijdens de coronapademie door de overheid werden aangewezen als essentiële dienstverleners.

Terwijl diezelfde bibliotheken eerder tijdens de lockdown hun deuren voor publiek moesten sluiten, werden ze omgekat tot Informatiepunten Digitale Overheid (IDO) en kregen ze ineens een uitzonderingspositie. Niet omdat ze het naar kunst en cultuur hongerige publiek van boeken konden voorzien, ze mochten een taakje van de steeds verder terugtredende maar digitaal verslaafde overheid vervullen.

Vorige week ontving ik een verlaat persbericht van Facet. Het had betrekking op de nieuwste ontwikkeling bij Facet in Klazienaveen, voorheen de bibliotheekvestiging aldaar. Ik citeer:

‘Sinds 1 juli jl. heeft de Rabobank zijn intrede genomen in Facet Klazienaveen.

Klanten van de Rabobank kunnen zonder afspraak voor alle bank gerelateerde zaken terecht bij het pop-up kantoor op de maandag-, woensdag-, en donderdagmiddag tussen 13.30 en 17.00 uur. Een pinautomaat is helaas niet aanwezig. Hiervoor dient u naar een Geldmaat te gaan, welke u o.a. kunt vinden bij Boekwinkel Omlo en de Praxis in Klazienaveen.

De komende periode zal de ruimte waar de Rabobank zich nu bevindt, optimaliseren binnen Facet Klazienaveen.’

Een goede lezer weet genoeg.


Nieuw Drents landschap

Muelink & Grol Assen
Drenthe laat zich graag voorstaan op haar landschap, op de rust en de ruimte, op het Bargerveen en de drie nationale parken: het Dwingelderveld, het Drents-Friese Wold en de Drentsche Aa. Maar niet alles in Drenthe is even fraai.

Wie met de auto over de A28 van Beilen naar Assen rijdt, en weer terug, kan het met eigen ogen aanschouwen. De laatste jaren maakt dit deel van Drenthe grote veranderingen door. De eerste ingreep was de aanleg van de afslag Assen-zuid bij het TT Circuit, waar met een grote hoeveelheid asfalt een niet of nauwelijks bestaand probleem werd opgelost.

Daarna werden aan de westkant van de A28 met veel enthousiasme zonneweides aangelegd: ‘Denkend aan Drenthe/ Zie ik keramische platen/ duister glimmend/ op voormalig grasland staan’.

De nieuwste ‘ontwikkeling’ doet zich voor aan de oostkant waar bedrijventerrein Werklandschap Assen Zuid wordt aangelegd. Het eerste bedrijf is een tankstation. Het tweede bedrijf wordt nu gebouwd op een terrein van zes hectare: Muelink & Grol, fabrikant van ventilatie- en rookgasafvoersystemen.

Dit zegt de gemeente Assen over het nieuwe bedrijventerrein:

‘In het Werklandschap Assen Zuid kiest u voor bereikbaar en duurzaam ondernemen. Maak kennis met het groenste bedrijventerrein van Noord-Nederland. Uw bedrijf past flexibel in het karakteristieke Drentse landschap. Met volop kansen voor hernieuwbare energie en duurzame bedrijfsprocessen. En direct aan de A28 en N33 bent u uitstekend verbonden met uw afzetmarkten in Nederland en daarbuiten.’

Het groenste bedrijventerrein, dat klinkt mooi. Maar waarom moet het dan ook meteen lelijk worden? Een doos minder in Drenthe kan geen kwaad.


Rembrandt was wel eerder te zien in Assen

Rembrandt in Assen
Na Friesland, Utrecht en Noord-Holland is De vaandeldrager van Rembrandt van Rijn nu in Drenthe te zien. Sinds dinsdag hangt het schilderij in het Drents Museum.

In Dagblad van het Noorden vertelt directeur Harry Tupan erover. Hij is vereerd: “Dit werk is van ons allemaal. Rembrandt is onderdeel van onze geschiedenis. Dit werk hoort te zien te zijn in een Nederlandse context, niet aan de muur bij een buitenlandse verzamelaar.”

Zegt Tupan daarmee dat de vorige eigenaar het werk niet in zijn bezit had mogen hebben? In die context is het aardig om te weten dat het portret uit 1636 is generaties lang in handen geweest van particuliere verzamelaars, van de Engelse koning George IV tot de familie Rothschild.

De Rothschilds waren sinds 1844 eigenaar. In 2018 deden ze De vaandeldrager in de verkoop. De Franse staat meldde zich, verklaarde het schilderij tot nationale schat en legde een exportverbod op, maar kwam daar op terug toen de familie Rothschild te veel geld vroeg. Uiteindelijk kocht ‘Nederland’ het, voor in totaal 175 miljoen euro.

De liefde van Nederland voor Rembrandt is tamelijk jong.

In Dagblad van het Noorden zegt Tupan dat De vaandeldrager de eerste Rembrandt ooit is die in Drenthe tentoongesteld wordt. Dat kan alleen kloppen als Tupan op de schilderijen van Rembrandt doelt.

De krant van toen leert dat op 29 september 1956 door de toenmalige burgemeester van Assen in een klein zaaltje aan de Torenlaan een expositie werd geopend met 32 etsen en tekeningen van Rembrandt van Rijn. Het waren géén reproducties, schreef Jos Visscher.

De Rembrandttentoonstelling vond plaats in het kader van de internationale Rembrandtherdenking – de schilder was in 1956 350 jaar geleden geboren – en de collectie was eerder te zien in Warschau en verhuisde na Assen naar Praag. De etsen en tekeningen waren afkomstig uit de collecties van het Stedelijk Museum en Museum Fodor in Amsterdam.

De vaandeldrager is tot en met 31 augustus in Assen te zien. Daarna reist het schilderij door naar Kunstlinie in Almere. De tournee wordt 7 mei 2023 afgesloten in het Groninger Museum.


‘In Hoogeveen heerst anarchie’

Hier in Drenthe is vooral angst
De redactie van het NRC-katern Opinie & debat is een zomerserie gestart waarbij een kop wordt bedacht en lezers het bijbehorende stuk mogen schrijven. Afgelopen zaterdag luidde de uitnodigende kop ‘De Randstad begrijpt het platteland niet’.

Dezelfde dag plaatste de redactie In het nieuws naar aanleiding van het stikstofoproer een stuk onder de kop ‘Revanche van de plekken die er niet meer toe doen’ – het artikel haalde dinsdag ook mijn kranten, Dagblad van het Noorden en Leeuwarder Courant. In het stuk, misschien noemen ze het in Amsterdam een analyse, schetst redacteur Mark Lievisse Adriaanse een kloof tussen regio’s die economisch floreren en regio’s die achtergesteld zijn of zich achtergesteld voelen.

Het is verleidelijk om te denken dat deze kloof dezelfde is als de kloof tussen Randstad en platteland. De werkelijkheid is ingewikkelder. De kern van de boerenprotesten bevindt zich in Gelderland, vooral op de Veluwe - regio's die in het stuk van Adriaanse niet of nauwelijks worden genoemd.

Wie in Sleen woont, woont beter dan in Rotterdam-zuid, ook als hij of zij minder inkomen heeft. Het is waar dat wie toneelvoorstellingen wil zien, beter in Amsterdam dan in Emmen kan wonen. Wie van piratenfeesten houdt, is daarentegen beter af in Drenthe dan in Flevoland.

Eindhoven is een van de steden die economisch goed presteert, mede dankzij het bedrijf ASML, dat in Veldhoven is gevestigd. Eindhoven is een stad in de plattelandsprovincie Noord-Brabant. Veldhoven is ook een stad, maar dan een in de vorm van een buitenwijk. De stad Groningen behoort ook tot de kansrijke economische plekken in Nederland. Tegelijkertijd is Groningen een van de steden waar het gemiddeld inkomen het laagst is.

Het revanche-stuk leverde NRC dinsdag een ingezonden brief op, geschreven door iemand uit Hoogeveen. Meest intrigerende zin uit de brief: ‘Hier heerst anarchie, al vóór de boerenterreur, en daar moet dringend wat aan gedaan worden.’

Dat kan gelezen worden als een oproep aan premier Rutte om de burgemeester te ontslaan en het leger naar Hoogeveen te sturen. Het is ook voor Karel Loohuis te hopen dat Rutte dit niet begrijpt.


Naar Museum Jan voor Saskia Boelsums

Liefde voor landschap Saskia Boelsums
Ik bezocht Museum Jan in Amstelveen. Dat deed ik niet omwille van de glaskunst, waar ze nogal wat van hebben, beneden en boven, maar vanwege de fotografie van Saskia Boelsums. Hoewel woonachtig in Nieuw-Schoonebeek speelde Boelsums (1960) er een thuiswedstrijd: ze is geboren in  Nieuwer-Amstel. Jan toont een overzicht van haar werk.

Het museum, oorspronkelijk in 1991 gesticht met geld van industrieel Jan van der Togt, bleek verrassend groot en beter dan gedacht. Dat kwam vooral door de aandacht voor lokale beeldende kunst. Zo zag ik er een kleine presentatie met kunst die sinds 1955 door het gemeentebestuur is verzameld, getiteld Verzameld voor Amstelveen. Ook zag ik een presentatie met recente resultaten van het cultureel opdrachtgeverschap van de gemeente.

Amstelveen telt als gemeente ruim 92.000 inwoners. Dat zijn er zijn tienduizend minder dan Emmen. Het kunstaanbod lijkt echter groter en diverser dan dat van de grootste gemeente van Drenthe. Uiteraard heeft zoiets met de ligging in de Randstad te maken, Amsterdam zit zo’n beetje aan Amstelveen vast. Toch kan ik mij niet aan de indruk onttrekken dat het ook met doordacht beleid te maken heeft.

Voor Boelsums zijn drie zalen uitgetrokken. Dat is in Emmen, waar Nieuw-Schoonebeek deel van uitmaakt, nog niet gebeurd – terwijl het wel mogelijk is en misschien straks ook zal zijn. Een deel van de werken is speciaal voor de tentoonstelling gemaakt. In Amstelveen zijn ze daar zo blij mee, en dat is begrijpelijk, dat de grootste muur in het museum ervoor vrij is gemaakt. Je kunt zelfs stellen dat de tentoonstelling ermee opent.

Liefde voor landschap, zo heet de tentoonstelling, is omgekeerd chronologisch opgebouwd. Het nieuwste werk eerst, het oudste achterin. Wie alle zalen doorloopt krijgt een mooi beeld van een bewonderenswaardige ontwikkeling: hoe een conceptueel werkend beeldend kunstenaar de fotografie als instrument ontdekte en via stillevens en portretten het landschap is binnengestapt, de wereld in en over.

Te zien tot en met 25 september in Museum Jan te Amstelveen.


Museum Arnhem is nog steeds te klein

Autorittratto (1993) Alighiero e Boettie
Omdat ik er toch was, besloot ik een kijkje te nemen in het vernieuwde Museum Arnhem. Met de fiets tegen de bult op, afstappen en parkeren, meteen de tuin in.

Dat laatste was niet de bedoeling. Het liep zo, omdat ik de ingang niet meteen kon terugvinden en wel die tuin had gezien. Het gras oogde droog. De zoden leken los te raken. De beelden in de tuin, en dat waren er nogal wat, konden niet verhullen dat het er een beetje droevig uitzag. Ondanks het publiek in de zon op het terras van Café Pierre.

Ik probeerde mij in de schoenen van de conservator beeldentuin te verplaatsen. Hij of zij zal niet altijd gelukkig zijn met haar of zijn functie. Wel over goede sculpturen beschikken, maar niet over een passende omgeving om die sculpturen tot hun recht te laten komen.

Ik heb een zwak voor Museum Arnhem. Dat heeft niets te maken met Pierre Janssen, de oud-journalist die het museum in de jaren zeventig met fascinerende televisiepraatjes ‘op de kaart’ zette. Dat heeft te maken met de collectie neo-realisme, met schilders waarvan niet helemaal duidelijk was of ze goed of fout waren in De Oorlog.

En dat heeft te maken met Liesbeth Brandt Corstius die in de jaren tachtig en negentig als museumdirecteur nadrukkelijk koos om kunst van vrouwen te tonen. Zo leerde ik Charley Toorop waarderen. En naar sieraden kijken.

Ik heb een paar jaar in Arnhem gewoond. Bezoek aan Museum Arnhem zorgde er mede voor dat het plezierige jaren waren. Museum Arnhem was in die tijd een lastig gebouw. Nu het museum (opnieuw) vernieuwd is, is het gebouw weliswaar groter geworden, maar nog steeds lastig.

Hoe het anders had gemoeten weet ik ook niet, misschien deed ik als als bezoeker van de vernieuwbouw iets verkeerd, dat kan heel goed, maar wat ik belangrijk vind aan een museum is het gevoel dat je er een rondje kunt lopen. Dat lukte niet. Ik ging heen en ik ging dezelfde weg terug.

Beeld van de tentoonstelling Ten minste houdbaar tot Museum Arnhem
In de tussentijd zag ik twee tentoonstellingen. De eerste, Tenminste houdbaar tot, oogde nogal vol. Weer thuis kwam ik tot de ontdekking dat middels tweehonderd werken een poging was gedaan te laten zien op welke manieren kunstenaars de natuur verbeelden. Citaat van de website:

‘Welke verhalen vertellen de landschappen, stillevens, planten en dieren over de relaties tussen mensen en natuur door de eeuwen heen? Welke verhalen vertellen ze niet… en waarom niet? Er zijn kunstwerken die de uitbuiting van land en van mensen die erop leven aan de kaak stellen, vroeger en nu. Andere verbeelden een duurzame toekomst voor al het leven op aarde.’

Inderdaad, dat is nogal breed.

Bij mijn bezoek aan de tweede tentoonstelling, Van links naar rechts, kreeg ik opnieuw het gevoel dat Museum Arnhem – net als Museum De Fundatie in Zwolle en dus anders dan het Drents Museum in Assen – te klein is voor wat het wil zijn. Maar ook: wat een rijkdom dat het er is en kan bestaan. Wat is Nederland toch een fijn museumland.

Vleeskar (1925) Johan van Hell

Gelukkig werd mij ditmaal, aan de hand van de collectie neo-realisme, een concreter verhaal verteld. Nogmaals een citaat van de website:

‘De economische crisis van 1929 en de machtsovername van Hitler in Duitsland in 1933 raakten ook de kunst en de kunstenaars in Nederland. Door deze periode van politieke polarisatie verdwenen vooral sociaal geëngageerde en activistische kunstenaars voor lange tijd uit de kunstgeschiedenis.

Met Van Links Naar Rechts presenteert Museum Arnhem een inclusiever beeld van het Interbellum dan voorheen. Herontdekkingen van progressieve kunstenaars zoals Berthe Edersheim, Harmen Meurs en Nola Hatterman, die voorheen letterlijk en figuurlijk links bleven liggen, worden getoond tegenover bekende namen als Willink, Raoul Hynckes en Pyke Koch.’

Na het verorberen van dit hoofdmaal bezocht ik nog een paar zalen waarvan ik nu niet meer weet welke functie ze hebben en doel ze dienen, vermoedelijk iets met educatie. (Heerlijk om eens niet als cultuurjournalist in een museum rond te lopen, maar gewoon zoals de meeste mensen leeghoofdig rondbanjeren.) Daar zag ik videowerk van Hans Op de Beeck. Daar knapt een bezoeker altijd van op.


Bij een interview met Jante Wortel

Jante Wortel signeert
Pratend over haar debuutroman Weerlicht, waarin Jante Wortel vertelt over een meisje met een stoornis en een neiging tot zelfdestructie, ging het op een gegeven moment over waarom iemand autobiografisch wil schrijven en dat vervolgens publiceren. ,,Ik denk dat het een drang is om gezien te worden”, antwoordde Wortel, ,,om bevestiging te krijgen, om uitzonderlijk te willen zijn.”

Eerder had ze verteld over haar deelname aan Kunstbende en Write Now en de bekroning met de Drentse Talentprijs Cultuur. ,,Die prijzen vormden een bevestiging dat wat ik deed talentvol was. Het verhoogde de druk, maar ik zou het lastiger vinden als ik middelmatig ben”, zei ze. “Een zesje is net niks. Als ik iets doe, wil ik het goed doen.”

Meer dan middelmatig, vatte ik samen.

,,Het is niet dat ik dit verhaal koos om uitzonderlijk te zien”, sprak Wortel. ,,Het is meer dat ik dacht: Als ik dit vertel, is dat weliswaar heel eng, maar het zou bijzonder kúnnen zijn. Het is ook voor mij spannend als het op het randje zit. Durf ik dit wel te schrijven? Durf ik dit wel te publiceren? Dan staat er iets op het spel.”

Daarna trok ik de vergelijking waarvan ik mij had voorgenomen die te trekken: dat Lea, het  hoofdpersonage in Weerlicht, mij deed denken aan de hoofdpersonen in Eline Vere en Van de koelen meren des doods. Of ze zich daar iets bij kon voorstellen, wilde ik weten. Want in die romans, hoewel ouder, worstelen vrouwen ook met zichzelf. Honderd, honderdvijftig jaar geleden zouden we zeggen dat Lea hysterisch is.

,,Ergens heeft ze wel iets geks, iets hysterisch”, beaamde Wortel. ,,Maar Weerlicht is toch meer een verhaal over coming of age. Lea is vijftien jaar. Op het kantelpunt in de roman, als er iets gebeurt met de caravan, stapt ze naar voren. Juist omdat anderen niets doen, niet weten wat ze moeten doen.”

Weerlicht is een roman over controle, meer dan dat het een roman is over een eetstoornis. We spraken over het gevaar dat in ‘de media’ veel aandacht uitgaat naar die eetstoornis, ook omdat er veel media-aandacht is voor eetstoornissen. Ook spraken we over hoe het is om over zo’n roman geïnterviewd te worden.

Wortel bleek het eng te vinden. ,,Omdat ik eigenlijk heel goed zou moet weten wat ik hier over moet vertellen. Maar ja, je kunt dat niet vooraf uitdenken. Ik heb geen controle over wat wordt gevraagd. Wat vertel ik over mezelf? Wat vertel ik over het boek? Het is allemaal nog zo nieuw. Ik vind het niet erg als Weerlicht als een eetstoornisboek wordt neergezet, maar ik hoop dat het meer wordt dan dat.”

Daarna vroeg ik haar om ze haar boek voor mij wilde signeren.


‘Redacteuren bepaalden zelf waarover ze schreven’

Rinus Ferdinandusse Foto Mediahuis Noord
Met de professionele belangstelling die mij eigen is, las ik in NRC de necrologie van Rinus Ferdinandusse (1931 – 2022). Na de kop ‘Rinus Ferdinandusse leidde Vrij Nederland in hoogtijdagen, toen het blad geen leiding accepteerde’ bleef mijn oog haken bij de volgende zinnen:

‘In de jaren dat hij het vroegere verzetsblad aanstuurde, was er op de redactie geen sprake van hiërarchie. Redacteuren bepaalden zelf waarover ze schreven, en het was aan Ferdinandusse – die zaterdag op 90-jarige leeftijd overleed – om dat proces zo goed mogelijk te organiseren.’

Daarna NRC citeerde Ferdinandusse zelf:

„De redactievergadering was vooral bedoeld om iedereen de gelegenheid te bieden mee te delen wat hij ging doen”, blikte Ferdinandusse jaren later in Vrij Nederland terug, in één van de weinige interviews die hij gaf. „De één riep: ‘Zullen we een stuk maken over…’ waarop de ander zei: ‘Fantastisch, dat doen we’. Zo ging het. Meer was het niet.”

Er klonk iets van nostalgie door, zowel in het citaat zelf als in de keuze van het citaat. Alsof de goede oude tijd voorbij was en nooit meer weeromkwam. Bij Vrij Nederland was de tijd van Ferdinandusse beslist goed. Tijdens zijn hoofdredacteurschap groeide het blad uit tot een invloedrijke publicatie met eind jaren zeventig meer dan 120.000 abonnees.

Ferdinandusse had als hoofdredacteur de wind mee. Ik dacht nog net niet: zo kan iedereen het. Want ook al staat de wind goed, zonder kundige matrozen gaat de boot dobberen.

Wel vroeg ik mij af wie anders dan een redactie bepaalt waarover in een tijdschrift of krant wordt geschreven. Om meteen een reeks mogelijke antwoorden te bedenken: de adverteerders, de lezers, de directie, de aandeelhouders, de markt, het bestuur, de Oempa Loempa's, de managers, het algoritme.

Als ik niet beter wist, zou ik schrikken.