Jan Mulder (foto: Jan Zeeman) woont al weer enige tijd in het Oldambt. In een kast van een huis, even buiten Nieuwolda, verscholen achter wat bomen en een hek. Dat hek staat gastvrij open, maar is zo imposant dat je niet ontspannen fluitend het erf op kunt wandelen. Nee, er moet eerst op een bel gedrukt en in een glazen oog worden gekeken. Waarop de heer des huizes komt aanwandelen met een houding dat híj al die poespas niet heeft verzonnen.
Het is allemaal uiterlijk vertoon.
Eigenlijk had dat meegebrachte exemplaar van De eeuwig zoemende vliegenstrip van Erik Harteveld ook niet gehoeven. Want er dient helemaal geen ijs te worden gebroken. Het idee dat Jan Mulder (Bellingwolde, 1945) vooraf mild gestemd moet worden omdat hij zich enorm zou kunnen opwinden over schijnbare futiliteiten. ("Mijn boek niet gelezen! Hoe durft u!! Scheer je weg!!!") Volslagen misplaatst.
Hij tovert een brede glimlach in zijn met losse hand geboetseerde kop en zegt: "Erik Harteveld? Nooit van gehoord. Een groot dichter? O. Ja. Erik Menkveld die ken ik wel. Maar evengoed bedankt. Ik hou heel erg van poëzie." Waardoor we meteen weten waarom hij momenteel met Remco Campert en Bart Chabot langs de Nederlandse theaters trekt. Zo’n dertig optredens doen ze.
Maar eerst Nieuwolda. Het paard rook de stal? Nou. Nee. Het is eerder een samenloop der dingen. Of toeval. "Het is het huis", zegt Mulder die tot voor kort in Bussum woonde. "Het was van de familie. Er moest een ander dak op, het kon goed verbouwd worden. Tegelijkertijd wilde ik meer gaan schrijven, het rustiger aan gaan doen. Niet meer overal aanschuiven. Maar het is vooral het huis. En de omgeving. Moet je eens kijken", gebaart hij richting horizon.
Ja. Erg mooi. Maar dat betekent veel op en neer naar het Westen voor het televisiewerk. "Och, dat valt wel mee. Zondag doe ik het voetbal, maandag De Wereld Draait Door. Slaap ik een nachtje in Amsterdam. Het is een flinke afstand. En niet ongevaarlijk. Juist omdat je de weg goed denkt te kennen. Bekeuringen. Hard rijden."
Terug in Groningen dus, de provincie die hij als tiener verliet om in Brussel te gaan voetballen. "Dat was ook toeval", zegt hij. "Ik deed met het Groninger jeugdelftal mee aan een toernooi in Veendam. Daar speelde een Belgische club, Racing Tienen. De voorzitter daarvan kende weer de voorzitter van Anderlecht. Als de secretaris van Anderlecht een week later mijn vader in Winschoten niet aan de telefoon had gekregen... Je moet ontzettend veel geluk hebben."
Het voelde als een verlossing, vertelt Mulder. "Ik was een goede voetballer. Daar twijfelde ik geen moment aan. En ik wilde het allerhoogste. Naar Real Madrid. Maar ik had geen flauw idee hoe ik uit Winschoten moest wegkomen. Er waren toen geen makelaars, geen mensenhandelaren. Grote overgang? Anderlecht is een wijk aan de rand van Brussel, de mentaliteit verschilde niet veel van Winschoten. Het is eigenlijk het platteland. Het waren veehandelaren. Ik heb me er meteen thuis gevoeld. Ook door de taal en de tongval."
Of hij een voetballer was van de belezen soort, luidt de vraag. Nee dus. "Ik was meer van het kaarten. Maar ik had Godfried Bomans gelezen. En ik ging de stad in. Ik heb in Brussel gelééfd. Zo gek was ik niet. Anders dan Robbie Rensenbrink, die nooit in de binnenstad kwam, ging ik naar de nachtclubs. Ik verkeerde in het rijkeluishoekje. Jacky Ickx, de autocoureur. Jacques Brel heb ik helaas nooit gezien."
Mulder was al bij Anderlecht vertrokken, toen zijn eerste geschreven stukje in druk verscheen, in het Algemeen Dagblad. "Net zoals Johan Cruijff voor De Telegraaf. Met het verschil dat ík wel zelf schreef. Erbarmelijk was het. Een opstelletje van een kind." Later mocht hij het nog eens proberen, voor NRC/Handelsblad, en weer later voor weekblad De Tijd. "Toen begon ik er plezier in te krijgen, toen ontdekte ik aanleg voor het schrijven van columns."
Diezelfde periode, begin jaren zeventig, ontwikkelde hij een interesse voor beeldende kunst. "Het is begonnen toen ik in het ziekenhuis lag voor een knieoperatie en ik in de krant een foto van een schilderij zag. God, dat vind ik mooi, zei ik tegen Johanna (zijn echtgenote, red.). Koop dat voor me. Als troost. Dat heb ik wel verdiend. Naïeve schilderkunst. Een weemoedig landschap van Willem Westbroek."
Inmiddels hangt zijn huis vol schilderijen, veelal modern werk. Hij bezoekt musea en gaat galeries af. "Thuis deden wij niet aan kunst. Mijn vader speelde toneel, zelf vind ik acteren ook leuk. Vrienden als Remco Campert, Kees van Kooten en Freek de Jonge hebben me in contact gebracht met beeldende kunstenaars. Ik hou van verf. Niet van videokunst. In die zin ben ik conservatief. Ik hou van abstract. Lyrisch abstract. Niet dat romantische."
Het schrijven heeft een vlucht genomen, vooral nadat hij met Campert op de voorpagina van de Volkskrant kwam te staan. Onlangs verscheen zijn vijftiende boek, De analyticus, een bundel korte stukken. Eerder dit jaar verscheen al Labradoedel, een novelle. Mulder heeft er een handje van om te doen alsof zijn schrijfwerk weinig voorstelt. Iris in de zomer van 2003 noemt hij een bevlieging, een uit de hand gelopen grap, geschreven in een roes.
Alsof het kloeke boek, de échte roman het hoogste is. "Ik heb dat dramatische niet", aarzelt hij. "Ik ben een columnist. Een waarnemer." Iets zachter: "Een kleine waarnemer van episodes. Fragmentarisch. Ik ben niet van de spanningsboog. Het is bij mij ook – het instrument ontbreekt. Je moet het écht doen. Je de rust gunnen. En vooral: 24 uur per dag. Ik ben te verknipt. In optredentjes, toespraakjes, sidekickjes, reclametjes."
Een idee is er wel. Mulder zou een roman willen schrijven die zich afspeelt in Nieuwolda, in een tijd die achter de rug is, over overleden mensen uit de buurt. Iets met een kruidenier. Iets over grote verlangens en beperkte mogelijkheden. "Er zijn hier dingen gebeurd", zegt hij samenzweerderig. "Zelfmoord. In waterputten. Diepe waterputten. Homoseksueel in de jaren veertig. Je moet er niet aan denken."
Maar hij is er te lui voor. Terwijl hij heel veel doet. "Het is een bepaald soort luiheid. Ik ben niet iemand die aan een oeuvre bouwt, voor de overlevering. Het zal mij een zorg zijn wat ik aan de mensheid nalaat. Bij mij gaat schrijven over taal, over zinnen. Tegelijkertijd vraag ik mij af waar het echt om gaat. In het leven dan. Wat is dit? Waar sláát dit op? Niets heeft zin, schrijven ook niet. Alleen grote kunst kan nog een beetje afleiding geven."
Noem het geen onvermogen. "Ik zou me als schrijver misschien meer moeten concentreren, op iets beters dan alleen columns en hier en daar een grappig verhaaltje. Weet je, ik neem mezelf niet serieus. Ik ben niet echt ambitieus. Het fragmentarische is ook wel goed eigenlijk. Het schrijven beschouw als ik een tweede carrière, een surrogaat. Ik was een voetballer. Vanaf mijn zesde wilde ik in grote stadions spelen. Dat heb ik gedaan. Daarin heb ik niet gefaald."
Enfin.
Donderdag 22 oktober staat hij dus in De Stadsschouwburg met Campert en Chabot. Tot zoens heet het programma. Campert is de grote ster, benadrukt Mulder. "Hij is dan wel tachtig, en de stem is misschien wat minder strak. Maar wat hij met de taal kan, daar durf ik mij niet aan te spiegelen. Een zinnetje zo schrijven, dat mensen precies weten en voelen… Bart en ik mogen naast hem staan."
Nieuwe teksten? Ongepubliceerd werk? "Het is in Groningen en dan vind ik het wel leuk om iets met Groningen te doen. Ik zit te denken aan iets Veendams, aan Groningers die Nederlands proberen te praten. Dat heeft altijd iets hilarisch. Nou ja… ik zie het wel. Het wordt vast leuk. Trouwens, ken je mijn novelle Spreek en vergissing? Dat is toch wel goed hoor."
Tot zoens
Jan Mulder, Remco Campert en Bart Chabot treden donderdag 22 oktober met het literair theaterprogramma ’Tot zoens’ op in De Stadsschouwburg in Groningen. Aanvang 20.15 uur. ’Labradoedel’ en ’De analyticus’ zijn verschenen bij uitgeverij De Bezige Bij.