Even dreigde hij te sneuvelen in de strijd rond de tekorten van het Groninger Museum. Maar nu is de tentoonstelling Painting Canada dan toch te zien. En het is wonderbaarlijk: alsof aan de andere kant van de Atlantische Oceaan ook een Ploeg door het landschap is getrokken.
Het was heibel en heisa, bijna een jaar geleden, toen directeur Kees van Twist bekendmaakte dat het Groninger Museum de tentoonstelling Painting Canada wegens acuut geldgebrek moest afblazen. Heisa vanwege de reputatieschade voor Groningen. En heibel omdat musea in Canada, Londen en Oslo door het afhaken ineens met een duurdere tentoonstelling werden opgescheept.
Dankzij het bijspringen van onder meer Shell, De Bijenkorf, de Canadese ambassade en de Royal Bank of Canada kwam het uiteindelijk toch nog goed. Waar een wil is, is blijkbaar ook geld. Vrijdag mocht prinses Margriet – geboren in Canada – de tentoonstelling Painting Canada. Tom Thomson and The Group of Seven openen. En werd duidelijk waarom het Groninger Museum deze expositie niet aan zich voorbij mocht laten gaan.
Om te beginnen vanwege het weinig vertelde verhaal van de moderne Canadese schilderkunst. Tom Thomson? The Group of Seven? Het zijn in deze contreien geen merken, om het in marketingtermen uit te drukken. Maar aan de andere kant van de Atlantische Oceaan was hun impact en is hun betekenis enorm. Painting Canada biedt het eerste grote overzicht van hun schilderkunst in Nederland.
Thomson (1877 – 1917) geldt daarbij als de Vincent van Gogh van Canada. Ook omdat hij vroegtijdig onder onduidelijke omstandigheden into the wild om het leven is gekomen (verongelukt? verdronken? vermoord?). The Group of Seven, door zeven kunstenaars gevormd in een reactie op het overlijden van het tragische talent Thomson, heeft vervolgens de Canadese schilderskunst op de kaart gezet.
Dan is het handig te weten dat Canada een oud land is, maar bovenal een jonge natie. Alsof er nooit iemand woonde, werd het in 1863 gevormd uit vier Britse koloniën - pas in 1931 volgde politieke zelfstandigheid binnen het Britse rijk. In 1912 ging het eerste kunstmuseum open, in Montreal, onder meer gevuld met kunst gekocht in Amsterdam: Haagse School en de School van Barbizon. Ook van belang: Canada kreeg relatief laat een kunstacademie.
Dat begin vorige eeuw íets van de moderne (Europese) schilderkunst kon doordringen, is te danken aan een bezoek van de kunstschilders J.E.H. MacDonald en Lawren Harris aan de Verenigde Staten, waar in 1913 een tentoonstelling was te zien met Scandinavische schilderkunst. MacDonald en Harris ontdekten er een nieuwe manier om het Canadese landschap te verbeelden: de luchten, het licht en de kleuren, de wind, de bergen, het ijs en het water.
Thuis in Canada, waar het woord werd verspreid, bleek Tom Thomson over het grootste talent te beschikken om de moderne opvattingen in praktijk te brengen. Zijn schilderijen The Jack Pine (1916, foto) en The west wind (1916/1917) – beide te zien in Groningen – zijn iconen van de Canadese schilderkunst. In totaal maakte Thomson dertig grote olieverfschilderijen en driehonderd schetsen met olieverf; een selectie vult een groot deel van Painting Canada.
Ook het werk van Lawren Harris beslaat veel ruimte in het museum – met name zijn meer theosofische schilderkunst. Voor Groningen het meest interessant is echter het werk van The Group of Seven in zijn geheel: wat Frank Johnston, Arthur Lismer, Franklin Carmichael, Lawren Harris, J.E.H. MacDonald, A.Y. Jackson en Frederik Horsman Varley tussen 1920 en 1933 maakten.
En daarmee zijn we aanbeland bij de hoofdreden waarom het Groninger Museum deze tentoonstelling niet voorbij mocht laten gaan. The Group of Seven vervulde voor het Britse rijk de functie die kunstenaarsvereniging De Ploeg voor Nederland vervulde: door hun schilderijen werd het landschap als waardevol herkend en erkend. The Group of Seven voorzag Canada van een identiteit, zoals De Ploeg dat met Groningen heeft gedaan.
En net als De Ploeg slaagde The Group of Seven er in zich te onderscheiden op een manier die tot de verbeelding sprak, en nog steeds spreekt. Misschien wel juist dankzij de splendid isolation, de excentrieke ligging ten opzichte van respectievelijk Londen en Amsterdam. Saillant detail: het waren Engelse kunstcritici die als eerste de kwaliteit van de moderne Canadese schilderkunst loofden.
Dat alles in globaal dezelfde periode, op dezelfde wijze en volgens vergelijkbare opvattingen over schilderkunst. Waar MacDonald en Harris in 1913 geïnspireerd raakten door de Scandinaviërs, raakte Ploeg-kopstuk Jan Wiegers in 1920 geïnspireerd door het Duitse expressionisme van Die Brücke. Waar The Group of Seven het expressionisme losliet op het Canadese landschap, lieten leden van De Ploeg het expressionisme los op het Hoge Land.
Ze hebben elkaar nooit ontmoet, ze hebben het nooit van elkaar geweten, maar de overeenkomsten zijn meer dan frappant. Het hing in de lucht, het was de tijdgeest. Voorjaar in Ticino van Jan Wiegers had geschilderd kunnen zijn door J.E.H. MacDonald, Lake O'Hara van MacDonald had van Wiegers kunnen zijn. Algoma Arabesque van Frank Johnston had ook Sparren van Jan Jordens kunnen zijn. Het zijn net Groningers, die Canadezen. En andersom.
Daarmee plaatst Painting Canada de kunstenaars van De Ploeg in een internationale context. En is dat precies wat Groningen en het Groninger Museum graag willen: een rol van betekenis spelen, nationaal en internationaal. De periferie voorbij door te laten zien wat je in huis hebt.
Tentoonstelling
De tentoonstelling 'Painting Canada. Tom Thomson and The Group of Seven is tot en met 30 september te zien in het Groninger Museum. Open di t/m zo 11.00 Tot 17.00 uur. Catalogus 29,95 euro.




