Toen je nog niet kon verdwalen in poëziepaleizen en schrijversvakscholen, ver voor de 34-delige Schrijfbibliotheek van uitgeverij Augustus en Louis Stiller, moest een beginnend schrijver het allemaal zelf uitzoeken. Op een onverwarmd zolderkamertje, aan een gammel en bemorst tafeltje met kaarslicht. Wie het daarna aandurfde, of een bord voor zijn kop had, mocht soms iets opsturen naar een krant, uitgever of gearriveerd auteur.
Dat laatste is wat Franz Kappus (1883 – 1966) deed, in 1902. Hij stuurde een paar van zijn gedichten aan Rainer Maria Rilke (1875 – 1926) met het verzoek er eens naar te kijken. Die deed dat nog ook, tijd was toen blijkbaar geen geld, en antwoordde per brief dat hij niets voor hem kon betekenen. Om vervolgens allerlei adviezen te geven: "Niemand kan u raad geven en helpen, niemand. Er is maar één enkel middel. Voel uzelf aan de tand."
Er volgden meer brieven, voldoende om er in 1929 een boekje van te maken, Brieven aan een jonge dichter, waarvoor Kappus een inleiding schreef die eindigt met de zin: "Wanneer een unieke gigant aan het woord is, past het de dwergen te zwijgen." Zíjn brieven ontbreken. Het boekje is nu uitgegeven met een voorwoord van Jean Pierre Rawie. Die prijst het aan als 'de beste en meest beknopte inleiding tot de levensbeschouwing, de gedachtewereld en het werk van Rainer Maria Rilke'.
Daar hoeven we niets op af te doen. En daar valt ook niets aan toe te voegen.
Boek: Brieven aan een jonge dichter. Auteur: Rainer Maria Rilke. Uitgever: Balans. Prijs: 14,95 euro (62 blz.)




