Marc Reugebrink gaat in Het geluk van de kunst met gefronste wenkbrauwen voort op het pad dat hij is ingeslagen met zijn ’Groningse romans’ Het grote uitstel (2007) en Menens (2010). Dat wil zeggen: deze keer kiest hij – bij een nieuwe uitgeverij – het essay om lezers duidelijk te maken dat literatuur nog steeds alive and kicking is, dat stijl voor inhoud komt, en dat voor kunst een belangrijke rol blijft weggelegd in onze zorgwekkende samenleving.
Citaat uit een essay waarin hij pleit voor serieus literatuuronderwijs, ingebed in al even serieus geschiedenisonderwijs: "Wij hebben de wereld uit handen gegeven. Wij, en de generatie voor ons, hebben tradities afgebroken en alles maar dan ook alles afgestemd op onmiddellijke behoeftebevrediging. We hebben de wereld herleid tot een marktplaats waarop we bereid zijn alles te verkopen. En daarmee zijn we volstrekt manipuleerbaar geworden voor eenieder die wat dan ook maar aan de man probeert te brengen, ongeacht het morele of sociale gehalte ervan."
Hoewel Reugebrink soms verongelijkt klinkt (en de neiging heeft zijn lange zinnen zo vol te stoppen dat redenering en betoog niet boven het lawaai uitkomen), slaat hij de plank opvallend vaak raak. Wel jammer van zijn gehak op de dagbladjournalistiek. Met lange lappen over Zbigniew Herbert en Cesare Pavese wordt de slag om de krantenlezer niet gewonnen. Helaas is de wereld niet zo maakbaar als wij wilden geloven. En al zien auteurs liever kritieken van duizend woorden of meer, voor sommige iets minder courante boeken voldoet een ’signalement met een recenserend karakter’ heel goed.
Boek: Het geluk van de kunst. Auteur: Marc Reugebrink. Uitgever: De Bezige Bij. Prijs: 19.95 euro (216 blz).




