Stel, hoera: je mag als stad het grootste sportevenement ter wereld organiseren en krijgt daardoor honderdduizenden toeristen extra over de vloer. Zou het dan niet mooi zijn als er voldoende hotels zijn, de straten er schoon bij liggen, het leger paraat is, het openbaar vervoer werkt, de winkels en restaurants glimmen en, jawel, de musea zich van zijn beste kant laten zien?
Wat betreft het laatste: in Londen laat het Tate Modern de komende Olympische Spelen samenvallen met een retrospectief van Damien Hirst (Bristol, 1965). Inderdaad, de meest spraakmakende beeldend kunstenaar van, pakweg, de laatste twintig jaar. Wereldberoemd door onder meer zijn haai op sterk water en zijn met diamanten bezette schedel For the love of God. Op en top Brits, dat ook nog eens.
Met topsport en topkunst kun je voor de dag komen. Toch is er ook twijfel over de keuze om juist Hirst tijdens de Olympische zomer als visitekaartje naar voren te schuiven. Volgens critici zou hij een keizer zonder kleren zijn, de houdbaarheidsdatum reeds voorbij. "De haai wordt oud", noteerde een Hirst-watcher onlangs na een bezoek aan het museum bij de Theems. Die schedel uit 2007 was toch een beschamende truc om nog meer geld te verdienen?
Dat van die oude haai is juist. The physical impossibility of death in the mind of someone living stamt alweer uit 1991. Het exemplaar dat nu in het Tate Modern is te zien, oogt van dichtbij rimpelig en is alleen levensgevaarlijk als je ‘m besluit op te eten. Maar voor wie wat minder in de materie zit – de onbevangen kunstkijker zonder weet van de grofstoffelijke trilling en de dinges – is en blijft het een subliem beeld: loerend oergevaar.
Dat van die schedel is moeilijk hard te maken. In Londen wordt For the love of god geïsoleerd van het grote overzicht getoond. Je moet in de rij staan om het werk met de 8601 diamanten in een zwarte tent te aanschouwen. En na een paar minuten moet je de tent weer uit – alsof je op audiëntie bij de paus bent. Het gerucht dat Hirst het werk zelf voor 50 miljoen pond heeft gekocht, om zijn marktprijs op te drijven, is nog steeds niet ontkracht.
En dat van die keizer zonder kleren is begrijpelijk. Het eerste beeld in het Tate Modern is What goes up must come down uit 1994, een bak van plexiglas waarin een haardroger een pingpongbal in de lucht houdt – een gebbetje. Het tweede beeld wordt gevormd door een rijtje koekenpannen in vrolijke kleurtjes. Het derde door een Spot Painting uit 1986, kleurige stippen op board – niet bepaald Helmantel.
Maar daarna gebeurt er íéts tijdens het bezoek aan te tentoonstelling. Niet zozeer door de afzonderlijke werken, maar door de herhaling en het geweld in de verschillende zalen. Zo duiken om te beginnen steeds meer Spot Paintings op, tot vervelens toe, naar verluidt zijn ze gemaakt door assistenten van Hirst. En zijn het geen stippen, dan zien we schier eindeloze rijen uitgedrukte sigarettenpeuken, uitgestald in wandkasten. Een paar zalen verderop culmineren ze in een meurende asbak zo groot als een jacuzzi.
Dan zijn er de medicijnen, Pharmacy uit 1992 – hier werkt de herhaling het best. Kast na kast, volgestouwd met doosjes gezondheid, onderdrukking, bedwelming en mogelijk herstel. De zegeningen van de farmaceutische industrie zijn zo uitgestald dat je ter plekke bijwerkingen krijgt. Wie houdt hier wie voor de gek? De kunstenaar die munt slaat uit de medische wereld? Of de medische wereld die munt slaat uit sterfelijkheid en verval?
Hirst is niet van het fijnzinnige, nooit geweest ook. Hij zaagt koeien doormidden en laat het publiek tussen twee helften schuifelen en noemt dat Mother and child divided. Hij doet vliegen geboren worden, voedt ze met de afgehakte kop van een rund en elektrocuteert ze als ze te hoog vliegen (A thousand years, 1990). Naast de haai is er ook een zwart schaap op sterk water, maar dan samengeperst in een te kleine ruimte. Er is een zaal met fruit en planten vol vlinders, fladderend wachtend op de dood: In and out of love uit 1991.
Hirst onderzoekt de relatie tussen kunst, leven en dood – zo staat in de boekjes. Zijn kunst gaat over leven en het kan eigenlijk nergens anders over gaan, vindt hij. Want er is niet veel anders. Wat nou naakt en de houdbaarheid voorbij? Het werkt nog steeds; zelden trok installatiekunst zoveel (jong) publiek.
Dat er iets verontrustends blijft hángen na het bezoek aan het Tate Modern moet misschien niet aan de afzonderlijke werken van Hirst worden toegeschreven, maar is vooral te danken aan de curator van zijn overzichtstentoonstelling, Ann Gallagher. Uiteindelijk schudt háár selectie en opstelling je door elkaar. Simpelweg door met spullen van Hirst een naargeestig beeld van onze ongemakkelijke wereld op te roepen.
Het is een wereld waarin we ons vergapen aan een dode haai en een dood schaap, aan een doorgezaagde koe, aan de levenscyclus van hinderlijke vliegen en zenwachtige vlinders. Ach ja, de dieren … Waarin we ons ergeren aan inwisselbare schilderkunst gemaakt door assistenten van de meester, aan de opengelegde torso van marmeren engel. We rokend redding verwachten van gezichtloze medicijnmannen.
Waar we ons laten uitlachen door een schedel vol diamanten. We ons vlak voor het slot van de tentoonstelling laten sussen door een opgeprikte witte duif met klauwen in een vitrine. Een onmiskenbare verwijzing naar de Heilige Geest, maar hier door Hirst bedoeld als symbool van hoop. Daarna: exit through the giftshop die onlosmakelijk aan dit retrospectief is verbonden. Om met Johnny Rotten te spreken: Ever get the feeling you've been cheated?
Het is een cynische wereld, dat vooral. Handzaam samengevat in een van de drukst bezochte musea ter wereld. Toepasselijk gesitueerd op loopafstand van The City, de dolgedraaide geldmachine van West-Europa. Te zien zo lang de nieuwe sportzomer winnaars en verliezers uitspuugt. En het circus weer gewoon verder trekt.
Tentoonstelling
De overzichtstentoonstelling met werk van Damien Hirst is tot 9 september te zien in het Tate Modern in Londen. Entree 15,50 pond. Het werk For the love of god is tot 24 juni te zien. Entree gratis. Zie ook www.tate.org.uk




