In Vuurbom, het nieuwe boek van Harm de Jonge, hobbelt er op een vrijdagmiddag in juni een bestelbusje de stad binnen. Jimmie Prins ziet twee mannen en een vrouw uitstappen. "Toen de mannen binnen waren, hoorde ik de claxon van het busje. Een schor geluid alsof de auto in een moeras was gezakt en om hulp kreunde. Pas toen ik dichterbij kwam zag ik dat er nog iemand in het busje zat. Een jongen, ongeveer van mijn leeftijd."
De jongen blijkt Bram Bodaar te heten. Hij heeft een vreemd hoofd, ziet Jimmie. (Later lezen we dat het een punthoofd is, een Turmschädel, bij de geboorte is er vermoedelijk iets niet helemaal goed gegaan.) "Hij greep mijn hand en zwengelde die wild op en neer. Raar natuurlijk. Jongens als wij geven elkaar geen hand. Dat doe je hoogstens bij ooms en tantes als ze op visite komen. ’Ik laat je iets zien,’ zei hij. ‘Het komt uit de handel van mijn pa.’ "
Bram toont Jimmie een flipperkast. "’Eén kleine beweging met een vinger,’ zei Bram, ‘en dan gebeurt er veel. Is dat niet geweldig?’ (…) Hij knipte een vuuraansteker aan en deed alsof hij de flipperkast in brand wilde steken. Zijn ogen glinsterden en hij lachte er hard bij. ‘Je doet iets kleins en de gevolgen zijn groot,’ zei hij. ‘Het is hier nu stil in straat. Maar moet je zien wat er gebeurt als ik een steentje door een ruit gooi.’ "
Een jongen met een vreemde schedel, die op een dag opduikt, zo ontstaan vriendschappen in de boeken van Harm de Jonge. We herinneren ons Brakker uit Tijgers huilen niet, die nooit zijn petje wilde afdoen. We herinneren ons Joeke Bolland die in De circusfietser ineens bij Homme in de klas belandt. En we herinneren ons vooral Josja Pruis uit de gelijknamige met deWoutertje Pieterse Prijs bekroonde roman, die beweert dat hij twee stel hersens heeft.
Brakker, Joeke en Josja – allemaal jongens die doen wat ’wij’ nooit zouden durven. Vijanden op hun nummer zetten, als evenwichtskunstenaar hoog boven de straat fietsen, het gezag van onrechtvaardige volwassenen tarten. Iets wijzigen. Maar Bram is net even anders. Bezorgde vaders en moeders zouden hem een ’verkeerde vriend’ noemen. Waarbij zich de vraag opdringt waarom verkeerde jongens geen recht op vriendschap zouden hebben.
Als Vuurbom begint, ligt Jimmie gewond in het ziekenhuis met zijn hoofd in het verband en wordt hij verhoord door een politieman. "Ik mag niet huilen heeft de dokter gezegd, maar het prikt achter mijn ogen. Alsof iemand vishaakjes vastslaat en lapjes hersens losscheurt. Opeens kan ik mij niet meer inhouden. ’Waarom vraag je er steeds naar?’ roep ik. ’Ik heb Bram vermoord, dat weet je toch? Wat maakt het uit hoe dat precies is gebeurd?’ "
Wat volgt is een reconstructie in horten en stoten – deels verteld aan een verpleegster en eerdergenoemde politieman, deels in inzinkingen die hersenratels worden genoemd, en deels in flashbacks. Een week lang gaat de ware toedracht verborgen achter verband en gaas. Veel bezoek krijgt Jimmie niet. Zijn moeder komt langs, net als een schreeuwerige klasgenote – dat is het wel. Eén keer denkt hij dat Bram zwijgend naast zijn bed staat.
De moord is het ergste niet in Vuurbom. Het ergste is de ontdekking dat Bram niet de vriend is die Jimmie in hem dacht te zien. Hoopte te zien. Dat er iets heel anders schuilgaat achter de lolletjes, pesterijtjes, diefstallen en practical jokes. Dat de manier waarop Bram steeds weer weg weet te komen geen bewondering, maar verbijstering verdient. Helemaal als hij zijn pijlen richt op de stille Olivier Jans en de lerares Frans.
De Jonge laat het van kwaad tot erger gaan. Met als ’hoogtepunt’ een nachtelijk verhaal tijdens een excursie die dramatisch eindigt. "We zochten een halfuur zonder een spoor van Olivier te vinden. Wormhout belde de politie. (…) Toen werden sporen in het slik zichtbaar. We vonden Olivier voorover in het slik, vies tot in zijn haar, maar levend. Ik hoorde twee agenten praten. ’Het water was te ver,’ zei de een, ’te ver om te verdrinken.’ "
Dan maakt vriendschap plaats voor wraakgevoelens. Jimmie schaamt zich voor zijn zwijgen over de geintjes van Bram, voor het meelopen met zijn vriend. Zijn trouw blijkt ineens slap gedrag. Als Bram afscheid komt nemen, schoon schip wil maken, loopt het uit de hand. "Bram kijkt mij aan met die zwarte ogen. Hij heeft een bloedneus (…) Waarom verdedigt hij zich niet? Ineens is er de afkeer. Alsof ik moet overgeven. Ik kan ook niet vechten. Altijd is er het medelijden met de ander."
Eenzaamheid is een van de belangrijke thema’s in de boeken van Harm de Jonge. Maar niet eerder gaf hij eenzaamheid zo weer in als in Vuurbom. In Het Peergeheim en Josja Pruis, maar ook in de trilogie Tijgers huilen niet, Jesse ‘ballewaltsjí’ en De circusfietser leert de hoofdpersoon echte vriendschap kennen, al is-ie tragisch en van te korte duur. In Vuurbom komt de vriendschap maar van één kant, nee, blijkt de vriendschap nooit te hebben bestaan.
In die zin gaat Vuurbom een stap verder dan Flessenpost uit Amsterdam. In de vorige jeugdroman van De Jonge is de penvriendin van de hoofdpersoon eveneens een illusie, maar dan wel in de vorm van een zoete droom, zoals de Fancy van Woutertje Pieterse. En hoewel er ook nu weer een troef uit de broekspijp wordt getoverd, laat De Jonge zijn lezers hard neerkomen.
Ook deze roman past perfect binnen een steeds consistenter wordend oeuvre vol nimmer vervelende verwijzingen naar eerder verschenen werk. De formuleringen zijn wederom volstrekt eigenzinnig met woorden als ’beloftemeisjes’ voor hoeren, zinnen als ’De morgen is vol onbekende voeten’, en vragen als ’Waarom is de een aardig en de ander gemeen? Kan een aardig iemand ineens gemeen worden?’ en ’Als iets eindigt, zit er toch weer iets anders achter, ja toch?’
Ondertussen wordt ook in dit boek mondharmonica gespeeld, zijn postzegels van eminent belang, levert Noord-Nederland het decor én de rekwisieten. Er zijn exotische droombestemmingen, prinsessen en mooie meisjes die écht van lezen houden. Over de vorm en compositie is grondig nagedacht; je zou het een ingenieuze, literaire jeugdthriller kunnen noemen. En opnieuw wordt gewezen op het fascinerende van de wetenschap, het mysterie van ons brein, en de zegeningen van onze fantasie. Kortom, een echte Harm de Jonge.
Natuurlijk zijn er momenten waarop je kunt afvragen of Vuurbom niet te veel over de hoofden van jonge lezers heen scheert – de hoek waar De Jonge als auteur wordt ingedeeld, ook al ontbreekt bij dit boek nadrukkelijk een leeftijdscategorie. Bedenk dan dat spelen met taal, wroeten in het hoofd en worstelen met gevoelens nooit leeftijdgebonden waren en zijn. En ook nooit zullen worden.
Boek: Vuurbom. De geschiedenis van een vriendschap. Auteur: Harm de Jonge. Uitgever: Van Goor Prijs €14,99 (150 blz.)