Wie Anne de Vries (foto: uitgeverij Kok)
Ter gelegenheid van de 75ste Boekenweek verschijnt bij uitgeverij Kok een nieuwe druk van Bartje, de 53ste alweer. Een mooi gebaar, ware het niet dat het 75 jaar oude boek, samen met Joop ter Heul en Sil de Strandjutter, deel uitmaakt van een zogeheten nostalgiereeks. Niets tegen nostalgie, maar in dit geval heeft het ook iets treurigs, iets van van ‘voorbij voorbij, o en voorgoed voorbij.'
Terwijl Bartje allerminst onleesbaar is geworden. Anno 2010 leest het als een wordingsroman waarin een jongen zich aan zijn milieu probeert te ontworstelen, in dit geval het armoedige platteland niet ver van Assen. De wijdlopige beschrijvingen van het leven op dat land doen gedateerd aan, in mindere mate geldt dat ook het psychologisch inzicht van De Vries (1904 – 1964), maar de strubbelingen en twijfels van hoofdpersoon Bartje zijn van alle tijden.
Anne de Vries junior, zoon van de schrijver, neemt in Een zondagskind. Biografie van mijn vader veel ruimte om te benadrukken dat Bartje méér is dan een streekroman uit de jaren dertig. Zoveel ruimte zelfs, dat je begint af te vragen of dat allemaal wel nodig is. Bij verschijnen werd het boek immers zeer positief ontvangen, en niet alleen door het grote publiek. Slechts een paar critici beschouwden het als triviale literatuur.
Eén daarvan was Menno ter Braak, de Arie Storm van zijn tijd, die in een bespreking Bartje wegzette als nummer dertien uit een dozijn, een boek in de geest van Merijntje Gijzen en Afke's Tiental: "Een vriendelijk boek van een trouwhartige auteur." Welwillend, maar ook een beetje neerbuigend, typerend voor een criticus die het leven in de stad en vernieuwende literatuur als het allerhoogste ziet.
Junior zit met het oordeel van Ter Braak in de maag, zo blijkt uit het goed gedocumenteerde Een zondagskind. Want als het leven van vader is beschreven, volgt een opvallend hoofdstuk waarin de ontvangst van De Vries' literaire werk nogmaals uitgebreid wordt besproken. De slotsom: goed vertellen is een kunst en een populaire schrijver maakt niet per definitie triviaal werk.
Behoeft Anne de Vries zoveel verdediging? Zijn biograaf meent van wel. Gezien vanuit het standpunt van een lezer die niet alle recensies van Bartje (1935), Hilde (1939) en Bartje zoekt het geluk (1940) heeft gelezen, is het een vreemd uitgangspunt. Om maar te zwijgen over de kijker van de televisiereeks van Van Hemert. Het is alsof hier iemand driftig bezig is een schoon straatje schoon te vegen.
Opmerkelijker wordt het als junior ook op andere plaatsen zaken uit het verleden uitvoerig recht begint te zetten. Zoals de opstelling van senior in de Tweede Wereldoorlog. Zoals veel schrijvers in Nederland weigert De Vries zich in 1942 in te schrijven voor de Kultuurkamer, waardoor hij niet meer kan publiceren. Daarnaast knoopt hij banden aan met het Verzet, onder anderen met Johannes Post, van wie hij later het geromantiseerde levensverhaal schrijft.
De oorlogsjaren vormen een fascinerend deel in Een zondagkind. Niet zozeer vanwege allerlei heldhaftigheden, maar omdat de opstelling van De Vries een mooi beeld geeft van de pragmatische houding van veel Nederlanders: je kunt de bezetter ook van nabij bestrijden, zonder openlijke vijandschap. Juist die opstelling levert hem na 1945 problemen op.
Kort na de oorlog gaat in midden-Drenthe – De Vries woont een tijd in Hooghalen – het gerucht dat de schrijver fout was in de oorlog. Het is vermoedelijk ingegeven door de betrekkelijke welvaart van de succesauteur. Maar het kan ook te maken hebben gehad met de openlijke interesse van de bezetter voor het literaire werk van De Vries; daarin spelen volkse thema's een rol die in hun kraam te pas kwamen.
In 1950 moet De Vries voor de Ereraad voor de Kunst verschijnen waar hij wordt gehoord over collaboratie. Aanleiding blijkt een ongebruikte uitnodiging in 1942 om in Duitsland op te treden. Op basis van een reeks getuigenverklaringen volgt vrijspraak. Toch bleef er iets hangen, noteert zijn zoon teleurgesteld. "Op het Boekenbal van 1951 wordt hij er op aangesproken. Dat hij voor de Ereraad had moeten verschijnen, was in het roddelcircuit belangrijker dan de uitspraak."
Er zijn meer momenten waarop junior erg zijn best doet de waarheid recht te doen. Bijvoorbeeld als Chris van der Heijden in zijn boek Grijs verleden uit 2001 aan de haal gaat met de suggestie dat De Vries antisemitisch zou zijn geweest. Of als De Vries, op basis van het kinderboek Dagoe de kleine bosneger uit 1954, latent racisme wordt verweten. In beide gevallen slaat de biograaf bijkans de uitroeptekens uit het toetsenbord om de beschuldigingen te weerleggen.
Gelijk heeft hij, denk je dan. Het is de taak van een biograaf om de feiten te presenteren, ze wetenschappelijk controleerbaar te maken en ze in een context weer te geven zodat voor de lezer een afgewogen beeld ontstaat. Anne de Vries junior doet dat nauwgezet en met veel overtuiging.
Maar soms is hij zo begeesterd dat er een zweem van promopraat in de lucht begint te hangen. Bijvoorbeeld bij de beschrijving van De Vries' laatste levensjaren, ten tijde van De man in de jachthut (1960) waarin een man in verwarring na de dood van zijn vrouw terugkijkt op het leven. "Een roman over de jacht en over het huwelijk", typeert junior. Om vervolgens aan te geven dat jagen toen nog heel gewoon was en duidelijk te maken dat vader De Vries heel veel liefde voelde voor moeder De Vries.
De man in de jachthut wordt gemengd ontvangen. "Voor de toonaangevende critici was hij ingehaald door de modernen: niet alleen Vestdijk, maar inmiddels ook Claus, Hermans en Mulisch", schrijft de zoon. Over hoe de auteur dit destijds heeft ervaren lezen we niets, welke (fysieke) rol Anne de Vries in het Nederland literaire leven speelt en wat zijn kijk op kunst was, blijft onderbelicht.
Anne de Vries opereerde als schrijver in het midden van de vorige eeuw binnen de protestants-christelijke zuil – ook die wordt niet inzichtelijk beschreven. Hij was een gelovig man, Gereformeerd, al was de band met de kerk losjes. Illustratief is dit geval de geloofsovertuiging van zijn ouders; die werd bepaald na het trekken van lucifers. Het christelijke geloof heeft evenwel altijd een richtinggevende rol gespeeld in het werk van De Vries. Corinthe 13 was zijn motto: "En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie; doch de meeste van deze is de liefde."
Meer uitgesproken is junior over het werk als ontwikkelaar van leesmethodes voor Nederlandse en Surinaamse scholen en De Vries' waarde voor de jeugdliteratuur. Vooral diens opvatting dat ‘er in wezen geen verschil is tussen een goed kinderboek en een roman voor volwassenen' wordt naar voren gehaald. De zoon is in dit geval ervaringsdeskundig: hij was universitair docent jeugdliteratuur en promoveerde op de beoordeling van kinderenboeken in Nederland.
Gaandeweg is er geen ontkomen meer aan: deze biograaf zit wel heel erg dicht op zijn onderwerp. Is een zoon wel de meest geschikte biograaf van zijn vader?
In zijn inleiding gaat junior in op dit dilemma. Hij ziet de valkuilen, gebruikt om die reden de veelzeggende ondertitel ‘biografie van mijn vader' en komt zelf met een antwoord op de vraag of hij wel objectief kan zijn: "Nee, natuurlijk niet, maar dat mag ook niet. Een biograaf moet zich kunnen inleven en kan dus nooit objectief zijn: het gaat erom een balans te vinden tussen inleving en distantie. Met het eerste zat het wel goed en ik dacht inmiddels ook voldoende distantie te hebben."
Na lezing van Een zondagskind kun je daar ook anders over denken.
Boek: Een zondagskind. Biografie van mijn vader. Auteur: Anne de Vries jr. Uitgever: Kok. Prijs: 29,90 (432 blz.)



