Geachte Ton van ’t Hof,
Vanwege mijn journalistieke werk ben ik meer dan gemiddeld geïnteresseerd in nieuws. Dus toen ik een paar jaar geleden de eerste artikelen onder ogen kreeg over het fenomeen flarf-poëzie maakte mijn hart een sprongetje. Gedichten gemaakt op basis van teksten geplukt van het internet, dat was nog niet eerder vertoond. Was ik hier getuige van verse impuls in de oude letteren? Zouden flarfdichters in staat zijn om de boel weer eens flink op te schudden?
Afgaand op de reacties die De Contrabas recentelijk wist te generen met berichten over flarf zit het met het laatste wel goed. De discussie op internet waait alle kanten op - zo hoort het ook. Als ik het debat probeer te overzien, hebben we te maken met twee kampen: zij die vinden dat er inderdaad iets nieuws onder de zon is en zij die flarf beschouwen als oude, waterige wijn in nieuwe, modern vormgegeven zakken.
Inmiddels heb ik het door jou samengestelde flarf gelezen, de eerste Nederlandse flarfbloemlezing met werk van acht dichters uit Nederland en Vlaanderen, en nog steeds weet ik niet goed bij welk kamp ik mij wil scharen. Probleem is dat ik flarf als fenomeen zeer interessant vind, maar dat ik als lezer van flarf mij geen raad weet met een poëzie die mij het gevoel geeft dat ik mijn tijd zit te verdoen.
Tegelijkertijd is flarf een confronterende bloemlezing omdat ik mij, al lezende, voortdurend afvraag of dit überhaupt wel poëzie is. En vervolgens: wat is dan poëzie? Georganiseerde taal? Taal die zo wordt gepresenteerd dat het emotie teweeg brengt? Ergernis is ook een emotie, dat klopt. Maar op de flarfgedichten in deze bloemlezing krijg ik geen grip, ik word er niet warm of koud van. In het meest gunstige geval blijft mijn oog eventjes haken, zoals dat op een caféterras ook kan gebeuren.
Vermoedelijk heeft het met het procedé te maken, met het van internet plukken van tekstfragmenten. Door die wetenschap hebben de gedichten iets onpersoonlijks, iets kils, alsof ze door een machine zijn uitgespuwd. Wat ook niet meewerkt, is ontbreken van context. Waar verwijzen die regels naar? Naar internet? Het is mij te vaag, of te veelomvattend. Help, de flarflezer verzuipt! De flarfdichter is een God in het diepst van zijn internetuniversum.
(Moet ik alwéér denken aan het voorwoord in de bloemlezing Ik ben een bijl. Daarin varieert samensteller Erik Jan Harmens op regels uit het nummer Panic van The Smiths: ‘Hang the blessed DJ/ Cause the music they constantly play/ It Says Nothing to Me About My Life’. Een uitstekend uitgangspunt eigenlijk, dat mag ook wel eens gezegd.)
Nee, dan telt het fenomeen flarf zwaarder. Zelf wijs je in het voorwoord op de band met Kurt Schwitters en de dadaïsten, met het knippen van teksten die door een dichter in de gewenste volgorde worden geplakt, het collage-principe. Flarf past daarmee in een traditie waarbij een technologische ontwikkeling wordt aangegrepen om kunst te maken. Het belang van flarf zit vooral in het feit dat de bloemlezing deel uitmaakt van de E-cultuur, de nieuwe wind die is gaan waaien dankzij de computer.
Vooralsnog dus meer vorm dan inhoud.
Rest mij nog complimenten uit te spreken voor de wijze waarop je deze noviteit in de markt probeert te zetten. Moedig. Dat is, geloof ik, het juiste woord. Vooral omdat het merendeel van de poëzieliefhebbers in Nederland en Vlaanderen toch eigenlijk liever Tollens leest dan, pakweg I.K. Bonset. En o ja, wat een voortreffelijke foto op het omslag van Julian Wassenaar. Je moet er niet denken zo door het leven te moeten.




