Op de middelbare school leerden we dat de Nederlandse literatuur pas na 1880 de moeite waard werd. De Max Havelaar (1860) van Multatuli uitgezonderd, was alle poëzie en proza van voor die tijd hoogdravend en sentimenteel. Als hoofdschuldigen werden de dominees en onderwijzers aangewezen, hobbyschrijvers met een romantische inslag, in de verste verte geen kunstenaars.
Twee jaar geleden verscheen de biografie van de man die dit misverstand de wereld in heeft geholpen: Conrad Busken Huet, de Gerrit Komrij van zijn tijd. Als criticus legde Busken Huet (1826 – 1886) in de negentiende eeuw onze literatuur langs een internationale meetlat en concludeerde vervolgens dat het allemaal beneden de maat was. Tot groot genoegen van de Tachtigers, de nieuwe generatie van wie hij het werk niet meer kon veroordelen.
In Alles is taal geworden, waarin Willem van den Berg en Piet Couttenier de geschiedenis van de Nederlandse literatuur tussen 1800 en 1900 behandelen, wordt het stereotiepe beeld omver getrokken. Natuurlijk, niet alles uit de eerste helft van de negentiende eeuw leest even fris en makkelijk weg, maar het idee dat het een ingeslapen boel was in de Nederlandse en Vlaamse letteren blijkt domweg uit de lucht gegrepen.
Een greep uit de veranderingen: na 1800 werd literatuur een zaak van de gemeenschap met veel aandacht voor het nationaliteitsdenken, het boekenvak professionaliseerde, dankzij het verbeterde onderwijs en de opkomst van de leeszalen nam het aantal lezers toe, overal werden clubs opgericht voor welsprekendheid, de literaire kritiek ontstond, de wetenschappelijke belangstelling voor literatuur nam toe.
Ondertussen waren alle schrijvers amateur. “Geen van hen kon van de pen leven, zoals Busken Huet en Multatuli later als broodschrijvers gedwongen waren”, schrijven Van den Berg en Couttenier. “De enige uitzondering vormde (de in Groningen begraven) J.J.A. Goeverneur, tevens redacteur van het familieblad De Huisvriend, dankzij talloze bewerkingen en vertalingen van zijn hand.”
Geheel in de geest van de Tachtigers is literatuur tegenwoordig ‘de aller-individueelste expressie van de aller-individueelste emotie’. Vóór die tijd was het een groepsgebeuren, waarbij literatuur gezamenlijk en tijdens optredens werd beleefd. In Alles is taal geworden wordt in dat verband het boek De Declamatie uit 1848 besproken, geschreven door de Groninger hoogleraar Lulofs, over ‘de kunst van het declaméren of recitéren’
Het boek van Lulofs is niet alleen vanwege ‘de uitbeelding van welsprekende gebaren’ een fascinerende uitgave. In Groningen wordt de literatuur nog steeds nadrukkelijk gemeenschappelijk beleefd. Denk aan het bestaan van de rederijkerskamers, denk aan het grote aantal leesclubs in Drenthe en Groningen en denk ook aan de vele podiumdichters die in het Noorden actief zijn.
In Alles is taal geworden worden meer lijntjes tussen heden en verleden blootgelegd. De aversie van critici tegen de streekroman bijvoorbeeld, ook als die streekroman opvallend veel realiteit blijkt te bevatten. Of anders het bejubelen van woordkunst en onnavolgbare esthetica boven vormvaste poëzie waarin herkenbare gevoelens worden vertolkt. En, jawel, de opnieuw actuele discussie over maatschappelijke betrokkenheid van literatuur.
Maar de belangrijkste (literaire) gebeurtenis is toch wel de breuk tussen het individu en het collectief. Ergens halverwege ‘Ik ben een god in het diepst van mijn gedachten’ van Willem Kloos uit 1894 en ‘Wien Neêrlands bloed in d' aders vloeit’ van Hendrik Tollens uit 1815 liggen de parels van de negentiende eeuw voor het oprapen. Het zijn er aanzienlijk meer dan ons op school werd verteld.
Boek: Alles is taal geworden. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1800 en 1900. Auteurs: Willem van den Berg en Piet Couttenier. Uitgeverij: Bert Bakker. Prijs: €59.95 (834 blz)



