Hieronymus van Alphen was een bescheiden man. Toen hij aan het einde van de achttiende eeuw zijn Proeve van kleine gedigten voor kinderen publiceerde, ging dat gepaard met een voorbericht vol schroom. ”Zie daar enige kleine gedichten, ten behoeven van kinderen opgesteld. De maker weet zeer wel dat hij, als dichter, daardoor zeer weinig roem behalen kan, maar dat was ook zijn oogmerk niet.”
Hoe mis kan een man het hebben. Ruim twee eeuwen later is Van Alphen een van onze bekendste dichters – in tegenstelling tot zijn tijdgenoten. Vooral dankzij die ’kleine gedichten voor kinderen’. Want wie in Nederland poëzie schrijft voor de kleintjes, heeft vaak een langere houdbaarheid dan wie dat doet voor de groten. De meest verkochte dichtbundel van het afgelopen jaar is niet voor niets Ziezo’tjes van Annie M.G. Schmidt.
Kinderen en poëzie gaan heel goed samen. Dat werd voor het eerst duidelijk toen aan het eind van de zeventiende eeuw prenten op de markt werden gebracht voor ’de jonge jeugd’. Ze toonden helden als Tijl Uilenspiegel en Reinaert de Vos en waren voorzien van verklarende teksten in rijm. Hieronymus van Alphen (1746-1803) gaf vooral van de stichtelijke exemplaren hoog op: ’Ik wil in mijn prenten mijn tijdverdrijf zoeken/ ’t Is wijsheid, ’t zijn deugden, naar welke ik haak.’
Op die brave toon werd ’de kinderdichter’ later fel afgerekend. Maar dat Van Alphen onmisbaar voorwerk had verricht, bleek halverwege de negentiende eeuw toen J.J.A. Goeverneur (1809-1889) het stokje overnam. Goeverneur, zijn graf bevindt zich in Groningen, veranderde niet zozeer de vorm van gedichten, maar stopte er de peper en vrolijkheid in die kinderpoëzie nog altijd kenmerkt.
Ten tijde van Gouverneur deed zich een tweede belangrijke ontwikkeling voor. Pedagogen ontdekten dat gezongen poëzie een positieve bijdrage levert aan de (taal)ontwikkeling van kinderen. Gevolg was een reeks liedboeken, zoals Nederlandsche Baker– en Kinderrijmen (1872) van Johannes van Vloten, Kinderliederen (1874) van J.P. Heije, het brein achter Een karretje op een zandweg reed en Zie de maan schijnt door de bomen en weer later Rijmpjes en versjes uit de oude doos (1911) van S. Abramsz.
Die succesnummers van toen worden nog altijd gezongen én gebundeld, bijvoorbeeld in Liedjes met een hoepeltje erom (1994) van Joke Linders en Toin Duijx. De teksten zijn veelal gericht op de allerjongsten en blinken uit in onschuld en goede bedoelingen. Soms zijn de regels nieuw, maar is de melodie oud. Zo wordt de peuterspeelzaalhit ’Olifantje in het bos/ laat je mama toch niet los/ Anders raak je de weg nog kwijt/ En dan heb je later spijt’ in de geest van Altijd is Kortjakje ziek gezongen.
Sinds de negentiende eeuw lijkt de peuter– en kleuterpoëzie weinig ontwikkeling door te maken. In de poëzie voor oudere kinderen is dat anders. De nauwelijks bekende dichter P. van Renssen (1902-1936) introduceerde met De geschiedenis van Pig Pag Pengeltje (1936) voorzichtig het modernisme. En in de jaren veertig bewees Han G. Hoekstra (1906-1988) dat kindergedichten én licht én speels kunnen zijn, dat ze op zichzelf kunnen staan, los van de poëzie voor volwassenen.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995) maakte er een volwaardig genre van voor een groot publiek. Zelf heeft ze nooit een schot willen zetten tussen volwassenen en kinderen – ze schaarde wat ze deed onder ’het amusement’. Feit is wel dat Schmidt met haar werk voor kinderen het meest bekend werd. Feit is ook dat ze, net als Gouverneur, graag lol en peper in haar ’versjes’ mocht stoppen.
Met Annie M.G. Schmidt deed de ironie zijn intrede. Haar werk voor kinderen sluit naadloos aan bij wat sinds de jaren zeventig ’het lichte gedicht’ wordt genoemd; poëzie waarin een relativerende toon, eindrijm en het aloude metrum zijn toegestaan. Van die lichtheid is het een kleine stap naar het gewichtloze, naar de Blauwbilgorgel van Cees Buddingh’ of De Mus van Jan Hanlo. Absurd experiment en kinderpoëzie kunnen prima door één deur.
Willem Wilmink (1936-2003) is van het kaliber Annie M.G. Schmidt. Maar waar de laatste plezier predikt, kruipt bij de kinderpoëzie van Wilmink ook melancholie, eenzaamheid en verdriet tussen de regels. In Een groot geheim dicht hij: ’k Heb een stukje touw gevonden,/ heb het in een doek gewonden,/ en begraven bij een steen. Niemand weet het./ Ik alleen.’ Droeviger kan niet.
De gedichten van Schmidt laten zien dat kinderen stout mogen zijn en niet met de massa hoeven mee te lopen. ’Ik ben een zwarte kip en ik heb zwarte spikkeltjes!’, jubelt ze in Zwartbessie. Wilmink gaat een stap verder en toont dat geluk niet voor alle kinderen is weggelegd. Dat de onbekommerde kindertijd niet bestaat, of op zijn minst eindig is. Hij zet de poort op een kier en kondigt de onoverzichtelijke grote wereld aan.
Tussen vreugde en verdriet is tegenwoordig alles mogelijk. Van de postmoderne rijmprenten van Ted van Lieshout (1955) die voor Begin een torentje van niks in 1995 een Gouden Griffel kreeg, tot en met Ozo Heppie en andere versjes waarin Joke van Leeuwen (1952) de hedendaagse kinderpoëzie verbindt met klankgedichten uit de jaren dertig: ’Mmhohmmhohmmhohpfff/ Mmhohmmhohmmhohpff’ uit Versje om te mompelen als je niet goed wakker kunt worden. Geschikt voor alle leeftijden.
Goede kinderpoëzie moet van een verrassende eenvoud zijn, de verbeelding prikkelen, en iets onbevangens, speels hebben, stelde de jury van de Woutertje Pieterse Prijs 2004 vast toen Supperguppie van Edward van de Vendel (1964) werd bekroond. Juist omdat niet iedereen literatuurwetenschap heeft gestudeerd, is die eenvoud van het allergrootste belang. Want wat niet begrepen wordt, wordt niet graag gelezen en ook niet graag beluisterd.
Waarmee uiteraard niet is gezegd dat goede kinderpoëzie gelijk staat aan slim verpakte fastfood of een onweerstaanbaar kassakoopje. Want op dat punt had Hieronymus van Alphen het wel bij het goede eind: ”Ook mag het geen kwaad wanneer hier en daar het kinderlijk verstand ene kleine zwarigheid ontmoet, en daardoor tot vragen en praten wordt opgewekt.”
De bloemlezing ’De Nederlandse kinderpoëzie in 1000 en enige gedichten’ van Gerrit Komrij (Uitgeverij Prometheus) dinsdag 2 oktober gepresenteerd in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Een goede bloemlezing is ook ’Als je goed om je heen kijkt zie je dat alles gekleurd is’ (Uitgeverij Querido).




