Het begin van de vorige eeuw moet voor poëzieliefhebbers een prachtige tijd zijn geweest. Alleen al het idee, dat je op vrijdag 13 april 1923 naar De Phoenix in Drachten kon om tijdens een 'DaDa avond' de dichter en beeldend kunstenaar Kurt Schwitters een deel van zijn Ursonate te horen voordragen: 'Fümms bö wö tää Uu, pögiff, kwii Ee./ Ooooooooooooooooooooooooooooooo,'.
Uit krantenverslagen weten we dat optredens van Schwitters in Nederland veel tumult veroorzaakten. Het was ook nogal wat: een zoemende Duitser die met wilde armgebaren het Nederlandse publiek tegen betaling van één gulden kennis liet maken met wat hij zag als nieuwe poëzie, nieuwe kunst en nieuwe ideeën.
Was het wel poëzie? Was het wel kunst? Schwitters (1887 - 1948), die eerder in eigen land furore had gemaakt met het gedicht Aan Anna Bloeme, draaide het om en vroeg 'waarom niet?' Waarom zou poëzie herkenbaar moeten zijn en rijmen, laat staan woorden bevatten? Waarom kan een gedicht niet uit louter klanken bestaan?
Schwitters was niet de enige die de wereld op zijn kop wilde zetten. In de jaren tien en twintig van de vorige eeuw bruiste en borrelde het op meerdere plekken tegelijk: in Rusland, in Frankrijk, Duitsland, Italië, België, Nederland. Opvallend vaak stonden dichters daarbij vooraan. Gestimuleerd door grote veranderingen - de opkomst van de industrie, de emancipatie van de burger, uitvindingen, stemrecht - geloofden ze heilig in vooruitgang. Alles zou anders worden, om te beginnen de poëzie.
En dus schreef de Nederlander Theo van Doesburg op 28 april 1906 in zijn dagboek: 'Een zware bierkar, met daarvoór een bierkarrepaard gaan over een houten ophaalbrug. De kar is volgeladen met tonnetjes. Het paard gaat met ingehouden stap over den houten wipbrug: planke - planke; - planke - planke;/ planke - planke, plots;/ planke, plonke, plets;/ plots - plits - plots - plits/ prrrrrrr/ Zoo is de nieuwe poësie.'
Had Van Doesburg (1883 - 1931) zijn regels gepubliceerd, dan was hij de maker geweest van wat we nu het allereerste klankgedicht noemen. In werkelijkheid werd de aanzet voor 'de nieuwe poësie' gegeven door Filippo Tomasso Marinetti (1879 - 1944). Geïnspireerd door een bombardement op de Balkan mengde deze Italiaanse futurist in 1914 woorden en klanken met beeld.
Zijn 'literair experiment' Zang tumb tumb heeft opvallend veel weg van het beroemde Boem paukeslag van Paul van Ostaijen (1896 - 1928). Maar er waren meer gedichten waarin beelden, klanken en woorden om een plek vochten. Zo publiceerde de Duitser Hugo Ball in 1916 zijn fonetische gedicht Karawane: 'Jolifanto bambla o falli bambla/ grossiga m'pfa habla horem'. En in 1920 kwam de Roemeen Tristan Tzara met Dadaphone, een gedicht met nadruk op typografie.
Van Ostaijen heeft Ball en Tzara waarschijnlijk nooit ontmoet, maar is wel door deze twee oprichters van de Dada-beweging beïnvloed. De Vlaamse dichter kwam in 1918 in Berlijn met hun experimentele Dada-kunst in aanraking. Vóór Berlijn dichtte Van Ostaijen nog traditioneel. Na Berlijn liet hij letters op papier swingen.
Boem paukeslag (1921) geldt tegenwoordig als het voorbeeld van poëzie waarin grenzen tussen woord, klank en beeld vervagen. Het gedicht ziet er nog steeds indrukwekkend uit, het verwijst naar muziek ('triangel, trommels, pauken') en naar maatschappelijke veranderingen ('het gezin wankelt, de fabriek wankelt, de eer wankelt'.) Het kondigt iets nieuws aan ('alle begrippen vallen') en het waarschuwt ( 'Halt!').
Begin jaren twintig leek de geest uit de fles. Kurt Schwitters kwam met zijn eerder genoemde Ursonate (1922), Theo van Doesburg presenteerde - vermomd als I.K. Bonset - zijn Letterklankbeelden (1922) en Antony Kok publiceerde in De Stijl zijn Nachtkroeg (1923): 'Hé -/ rom/ mm mm/ oemmenoem oemmennoem/ oemm/ tja'. En dan is er nog Jan Engelman die bekend werd met Vera Janacopoulos (1926), een recensie in de vorm van een klankgedicht.
Al met al heeft deze grensverleggende literaire periode zo'n tien jaar geduurd. Boem paukeslag bereikte een evenwicht tussen kijken, lezen en luisteren dat na 1921 niet meer werd gehaald. Van Ostaijen bleef desondanks gedurfde gedichten schrijven, zoals het beroemde postuum verschenen Huldegedicht aan Singer: 'Hoort/ Hoort/ Floris Jespers heeft een Singernaaimasjien gekocht'.
Vanaf de jaren dertig neemt het aantal beeld- en klankgedichten snel in aantal af. H.N. Werkman kwam in 1935 nog met Huldigingsochtendhymne: 'hobade he/ hobade há'. Jan Hanlo publiceerde in 1952 Oote ('Oote oote oote/ Boe/ Oote oote') en veroorzaakte zelfs Kamervragen.
Hoewel de bloeiperiode kort is geweest, is de invloed van klank- en beeldgedichten nooit helemaal verdwenen. Zo toonden in de jaren tachtig en negentig popmusici als Trio uit Duitsland (Da da da, 1982), George Kranz uit Duitsland (Din Daa Daa, 1983) en Mam uit Tilburg (Oote, 1990) zich schatplichtig aan klankgedichten, terwijl in Engeland een succesvol platenlabel werd vernoemd naar Zang Tumb Tumb.
Honderd jaar na de dagboekaantekeningen van Theo van Doesburg is de term 'nieuwe poësie' vervangen door het begrip 'polypoëzie'. Het gaat daarbij niet langer om louter woorden, beelden en klanken, maar om poëzie die gebruik maakt van vrijwel alle mogelijkheden, inclusief multimedia en performancekunsten. Van Kurt Schwitters en Paul van Ostaijen tot en met voordrachtskunstenaar Jaap Blonk en multimediadichter Jelle Meander.
Boem Paukeslag is te vinden in de bloemlezing Music Hall van Paul van Ostaijen. (Uitgeverij Bert Bakker, 240 blz, €10.) Uitgeverij Lannoo heeft En een zoen van jou uitgebracht, een audioboek waarop Jan Decleir werk van Van Ostaijen voorleest (56 blz, (€14,95) De Ursonate van Kurt Schwitters is te beluisteren op de gelijknamige cd van Jaap Blonk (Basta 2004, €19,95). Voor meer informatie over polypoëzie zie http: //krikri.be.






